Opiniestukken

Kan paus Pius XII van schuldig verzuim beticht worden?

Onderstaande tekst werd eveneens gepubliceerd op de website van Doorbraak.

 

Heel recent werd in de geheime Vaticaanse archieven de periode van paus Pius XII vroegtijdig voor onderzoek geopend. Het zou over niet minder dan twintig miljoen documenten gaan. Het zal jaren vergen om deze verder te bestuderen.

Sinds enige tijd is het zomerpaleis van de paus in Castel Gandolfo te bezichtigen door het grote publiek. De huidige paus heeft immers besloten om in de zomermaanden in zijn logement in het Vaticaan te blijven. Hij vond het dan ook maar terecht dit historisch erfgoed via de Vaticaanse musea te ontsluiten. Alvast een plaats die bij een volgend bezoek aan de eeuwige stad niet op het verlanglijstje mag ontbreken.

Onderduiken in de pauselijke vertrekken

Juist voor het betreden van de slaapkamer en huiskapel van de paus, een ruimte waar men onwillekeurig zachter gaat praten wetende dat op deze plaats verschillende pausen het tijdelijke met het eeuwige wisselden, zien we een aantal oorlogsfoto’s. Ze herinneren aan de actie van paus Pius XII om Joden van de holocaust te redden. Daartoe bood hij hen een veilig onderkomen in deze pauselijke vertrekken. Ook in andere kloosters in Rome konden vele Joden onderduiken en zo het transport naar het concentratiekamp ontlopen.

Verschillende historische studies hebben ondertussen uitgewezen in welke moeilijke situatie paus Pius XII zich bevond. Hij balanceerde voortdurend tussen het al dan niet duidelijker stelling innemen en de vrees om nog grotere represailles te ontlokken bij het naziregime. In Rome, vanuit het Vaticaan, deed hij alvast wat hij kon. Hij mobiliseerde de mensen rondom zich. En hij moedigde hun aan om zich het lot van de Romeinse Joden aan te trekken. En ook via nuntiaturen deed hij heel wat om in verschillende landen Joden te helpen. Zo heeft de toenmalige nuntius in Athene, de latere paus Johannes XXIII, duizenden Joden via valse paspoorten van het transport gered.

Eenzijdig negatief beeld

Had paus Pius XII zich openlijker moeten uitspreken tegen het nazisme? Die vraag klinkt met de regelmaat van de klok. In het toneelstuk Der Stellvertreter van Rolf Hochhut in 1963 werd een zeer eenzijdig en provocerend negatief beeld van deze paus opgehangen. Zo ook bij het verschijnen van het boek Hitler’s Pope van Cornwell in 1999. Sindsdien is deze discussie nog aangescherpt. Ook Belgische historici hebben zich gebogen over de vraag naar de invloed of juist het gebrek aan invloed van de paus op het nazisme. Dirk Verhofstadt was één van hen. Hij publiceerde daarover in 2008 het boek Pius XII en de vernietiging van de Joden.

‘De paus pleegde schuldig verzuim’

Volgens een artikel in De Morgen van 24 juni laatstleden had Dirk Verhofstadt de gelegenheid om enige dagen voordien de zogenaamde geheime Vaticaanse archieven te bezoeken. Heel recent werd daar de periode van paus Pius XII vroegtijdig voor onderzoek geopend. Volgens genoemd artikel in DM gaat het over niet minder dan twintig miljoen documenten. Het zal jaren vergen om deze verder te bestuderen. Maar Vlaamse wetenschappers hebben kennelijk deze lange onderzoeksperiode niet nodig. Na een paar uur archiefwerk of wat dit ook mocht betekenen, verklaarden ze heel plechtstatig: ‘De paus pleegde schuldig verzuim’. Dat is, nog steeds volgens het artikel, voor Verhofstadt zonneklaar.

Nog schokkender is de verklaring dat — ik citeer — ‘de grootste morele fout die paus Pius XII en de katholieke Kerk begingen, was dat ze de Duitse bevolking zowel voor als tijdens de oorlogsjaren overtuigden van het rechtmatig gezag van Hitler en de nazi’s. Dat ze de Duitsers ervan overtuigden dat het naziregime niet handelde tegen de christelijke beginselen op het vlak van de rassenpolitiek.’ Dat is toch een zware veralgemening. Denken we alleen al maar aan alles wat bijvoorbeeld mgr. Von Galen, de bisschop van Münster, in het toenmalige Duitsland deed om het regime aan te klagen.

Het snijpunt van Kerk en maatschappij

Bovendien komen andere onderzoekers tot andere en meer genuanceerde conclusies. Zo heeft de gerenommeerde kerkhistoricus Jezuïet Peter Gumpel gedurende zijn ganse leven alle documenten met betrekking tot paus Pius XII bestudeerd. Hij kwam tot een ander, op vele punten tegengesteld en genuanceerd besluit.

Als men vanuit een vooringenomenheid aan historisch onderzoek begint en bewust op zoek gaat naar documenten om de ingenomen stellingname kracht bij te zetten en te bewijzen, en andere documenten bewust aan de kant laat, kunnen we allereerst vragen stellen bij de gevolgde methodologie en de wetenschappelijke ernst ervan. Vandaag blijkt steeds meer dat men de geschiedenis heel eenzijdig a posteriori gaat interpreteren en beoordelen met een hedendaagse bril. De context op het vlak van tijd, cultuur en andere omstandigheden lijken niet meer van tel. Pius XII was een figuur die op het snijpunt van Kerk en maatschappij stond, tijdens één van de meest verwarrende tijden van onze recente geschiedenis.

Het is dan ook gemakkelijk om een dergelijk figuur heel eenzijdig te beoordelen. Om hem in een vakje te stoppen: te diplomatiek, te aarzelend, te pastoraal… Deze paus zal zeker kenmerken van ieder vakje hebben gehad. Hem zomaar beschuldigen van schuldig verzuim is echter toch zeer verregaand. Al klinkt het vandaag natuurlijk uiterst populair. Gelukkig zijn er niet veel standbeelden van deze paus. Anders zou al vlug de vraag klinken om deze onmiddellijk omver te halen. In Rome is er alvast één. Een wel opvallend beeld nabij San Lorenzo, ter herinnering aan zijn blitzbezoek aan dit juist gebombardeerde deel van Rome. Het klinkt niet erg geloofwaardig om paus Pius XII van schuldig verzuim te betichten. Hij verliet toen immers onmiddellijk het Vaticaan om de Romeinse slachtoffers van het bombardement nabij te zijn en hen moed in te spreken.

Voorzichtig met de term ‘schuldig verzuim’

Ik ben helemaal geen expert in de figuur van paus Pius XII, maar ik heb er wel al één en ander over gelezen. En daarom wil ik pleiten voor grondig wetenschappelijk onderzoek en daardoor wellicht genuanceerde conclusies met betrekking tot deze oorlogspaus. Prof. Verhofstadt gaat in september opnieuw naar Rome. Hij zal er opnieuw werken in het archief. Misschien zou hij dan best ook eens zijn tijd nemen om ook mensen te spreken die over deze materie vóór hem reeds jarenlang degelijk wetenschappelijk werk hebben verricht. En vooral zou hij héél voorzichtig moeten om de vernietigende term ‘schuldig verzuim’ in de mond te nemen. Misschien zal zijn finaal oordeel dan toch wel wat milder zijn.

Br. René Stockman

Juli 2020

Hoe de blijde boodschap laten klinken in de samenleving vandaag

De boodschap die ons gebracht wordt door het Evangelie is een blijde boodschap. Het is een boodschap die gericht is op de ware bevrijding van de mens. Maar tegelijk is het in haar radicaliteit een opvorderende boodschap, omdat ze duidelijk grenzen trekt bij de wijze waarop we deze bevrijding willen realiseren. Het komt erop aan beide noten te laten klinken: het bevrijdende dat ons tot de ware vreugde kan brengen en het opvorderende dat ons de goede richting aanwijst hoe we deze vreugde in ons leven kunnen ervaren en beleven.

Van oudsher zien sommigen in deze tweeledigheid van de Evangelische boodschap een oorzaak van spanning. Daarom maken ze liever een keuze tussen één van beiden om hun boodschap te laten klinken in de samenleving. Het is alsof we twee verschillende Evangelische boodschappen beluisteren. Daarbij komt dat zij die vooral de blijde noot willen laten klinken zich graag progressief noemen, terwijl zij die zich meer hechten aan het opvorderende van de boodschap, heel vlug als conservatieven worden afgeschreven. Beiden denken met hun handelswijze een dienst te bewijzen aan de samenleving en als Kerk relevant te blijven. Maar misschien moeten beiden open staan om van mekaar te leren om zo de volheid van de Evangelische boodschap in alle eerlijkheid en openheid te brengen.

Inderdaad, de Kerk mag zich niet opsluiten en zich alleen inlaten met binnenkerkelijke aangelegenheden. Of om de woorden van Paus Franciscus te gebruiken: de Kerk mag zich niet opsluiten in de sacristie maar als een veldhospitaal de wereld ingaan; ze moet de geur van de schapen kennen. Maar hoe gaat ze de wereld in en welke boodschap laat ze er klinken?

De opdracht om de wereld in te gaan klinkt reeds bij Jezus. Neen, Hij is niet blijven hangen in Nazareth, maar heeft drie jaar rondgetrokken en gaf op het einde van zijn leven de opdracht aan zijn leerlingen om de wereld in te gaan en daar de Blijde Boodschap te verkondigen dat het Koninkrijk van God komende was. In de Handelingen van de Apostelen kunnen we als het ware meereizen en zien hoe binnen een beperkt aantal jaren inderdaad deze Blijde Boodschap reeds goed was doorgedrongen in het ganse toenmalige Romeinse Rijk. 2000 jaar reeds wordt deze opdracht verder gezet, en regelmatig klinkt de vraag hoe men als Kerk in een veranderende maatschappij aanwezig kan zijn en welke woorden men er moet laten klinken. Want tijden en situaties veranderen, en we zien zelfs hoe Paulus reeds in zijn tijd zijn strategie aanpaste wanneer hij zich tot de heidenen ging richten.

Het was de vraag die ook uitdrukkelijk klonk na de Franse Revolutie toen de Kerk maatschappelijk volledig geïsoleerd geraakte. Ze vond haar maatschappelijke relevantie terug in de ontwikkeling van de sociale dimensie van het Evangelie. De zorg voor de armen via de caritas werd de nieuwe ingangspoort voor de Kerk in de samenleving. De Franse Revolutie was gericht tegen de structuren, de macht en het geld. De Kerk heeft eruit geleerd dat het niet via machtige structuren was dat ze zich maatschappelijk relevant kon maken. Het werd een moment van uitzuivering en de Kerk vond haar relevantie terug via de weg van de dienstbaarheid, van de caritas, van de zorg voor de armen. In vele landen blijft de Kerk een vooraanstaande plaats innemen in deze zorg en toont daarbij het gelaat van de dienende Jezus aan de wereld. Maar tegelijk zal ze een kritische stem laten horen op plaatsen waar de armen niet gerespecteerd worden in hun menswaardigheid. Want mensen bevrijden uit hun armoede is hen bevrijden van alles wat hen vernedert: hun lichamelijke nood maar ook hun niet gerespecteerd worden als mens en hun geïsoleerd en gediscrimineerd geraken in de maatschappij.

Vandaag worden we geconfronteerd met een andere revolutie. Ditmaal gaat het meer over een ideologische revolutie waarbij steeds meer aan waarden die met het wezen van de mens te maken hebben, afbreuk wordt gedaan. Waarden worden vloeibaar, om het met een woord van filosoof De Dijn te zeggen. Het is een revolutie die zich nu lijkt door te zetten in het verlengde van een langzaam proces dat zijn wortels vindt in de 17de eeuw met het verlichte denken en waar de persoonlijke vrijheid op een nooit geziene wijze wordt verheerlijkt. Dit verlichtingsdenken is nu echt doorgeslagen en uit zich in een verregaande secularisatie en een daarmee samenhangend relativisme, waarbij de waarden als vrijheid, autonomie en zelfbeschikking verabsoluteerd worden en de waarde die de echte absolute plaats verdient wordt weggeduwd: de waarde van het absolute respect voor het leven, voor ieder leven, vanaf zijn natuurlijk begin tot zijn natuurlijk einde. De laatste decennia zijn we ontwaakt in een andere samenleving waar het individualisme steeds meer veld wint en het personalisme aan de kant zet. De gevolgen zijn navenant op zoveel gebieden, niet het minst op terreinen die met het leven zelf te maken hebben. Wat is de waarde van een leven dat voor de maatschappij niet economisch nuttig is? Hoe ver gaat de autonomie van de mens om te beslissen over zijn eigen leven en over het leven van een ander, terwijl een dergelijke beslissing ook de mensen in zijn omgeving fundamenteel raakt en aanbelangt?

Opnieuw moet de Kerk zich de vraag stellen hoe ze relevant kan zijn binnen de context van deze nieuwe revolutie. Is het door zich te laten meedrijven met de mainstream in de samenleving, in de ijdele hoop daarmee aanwezig te kunnen blijven in de wereld en sympathiek over te komen? Maar hoe zal men dan in de wereld aanwezig zijn? Onder het voorwendsel in dialoog te willen blijven met de samenleving en de steeds slinkende achterban, meent men fundamentele discussies over belangrijke ethische kwesties te moeten vermijden door ze zelfs niet meer te benoemen. Men steekt letterlijk de kop in het zand en wanneer men dan toch gedwongen wordt er iets over te moeten zeggen, doet men dit op een omfloerste en nietszeggende wijze die de Blijde Boodschap in zijn volheid onrecht aandoet. Men maakt zichzelf wijs dat men hierdoor het geloof en de vele zorgende en lijdende mensen in de samenleving een dienst bewijst. Bestaat echte dienstbaarheid aan de gemeenschap er echter niet juist in dat we op een moedige wijze de volle stem van de Evangelische boodschap laten horen, ook en vooral bij thema’s waarbij we op voorhand weten dat we daarmee tegen de stroom in varen? Dat we daardoor het risico lopen door de ‘weldenkende elite’ opzij te worden geschoven en meewarig te worden bekeken, dat er afbreuk zou kunnen worden gedaan aan onze status en geprivilegieerde positie, zijn echter mogelijke gevolgen die authentieke gelovigen niet voor het eerst meemaken in hun geschiedenis.

Als gelovige gemeenschap zullen we echter een betere dienst bewijzen aan een humane samenleving wanneer we tot verder nadenken stimuleren en de evidenties die breed worden geponeerd, in vraag durven te stellen. We moeten als Kerk een profetische stem laten horen, wellicht in de woestijn, maar misschien toch ook als zout en gist – om een ander evangelisch beeld te gebruiken – in een wereld die door het heersende relativisme zo smakeloos en kleurloos aan het worden is.

Wat vandaag echt op het spel en de helling staat, is het absolute respect voor het leven. De samenleving en vele politici promoten echter een mensbeeld waarbij de mens zich totaal heeft losgemaakt van zijn Schepper en zich zijn eigen heer en meester waant. Het is een logische evolutie die we hier waarnemen: wanneer God als oorsprong en bestemming van de mens verdwijnt, komt de mens zelf in de plaats om het eerste en laatste woord te hebben in zijn oorsprong en bestemming en dan wordt absolute zelfbeschikking tot het hoogste goed verheven. Was binnen het personalisme de medemens nog een remmende factor bij de verabsolutering van deze zelfbeschikking, binnen het individualisme wordt ook deze uitgeschakeld en is de mens volledig zelf de architect van zijn bestaan en op zichzelf aangewezen. Zo krijgt hij het eerste en het laatste woord over zijn leven en over het leven van de andere.

Kan de Kerk hierbij zwijgen en doen alsof haar neus bloedt? Staat bovenbeschreven visie niet diametraal tegenover de visie op de mens zoals deze in de Evangelische boodschap klinkt en door Jezus Christus werd voorgeleefd? Zich hierover in een omfloerst stilzwijgen hullen betekent niet meer of niet minder dan vaandelvlucht plegen en ontrouw zijn aan de opdracht die we hebben ontvangen van onze Meester zelf: “Ga in de wereld en verkondigt daar de volheid van het Koninkrijk van God, niet uw koninkrijk of het koninkrijk dat goed klinkt in de huidige context.”

Laten we bidden om kerkleiders die de moed hebben om de volheid van de Evangelische boodschap te verkondigen, te pas en te onpas, als blijde maar ook als opvorderende boodschap, en zonder vrees om sociaal geëxcommuniceerd te worden, om een woord van Paus Benedictus XVI te gebruiken. Dan zal de Kerk voorwaarts gaan – om met Augustinus af te sluiten – “op haar pelgrimstocht te midden van de vervolgingen van de wereld maar met de vertroostingen van God”.

Br. René Stockman

Mei 2020

Gender, een gevaarlijke dwaling

Onderstaande tekst werd eveneens gepubliceerd in het tijdschrift ‘Emmaüs’ jaargang 2020 nr. 1, en in de Acta Medica Catholica, het tijdschrift van de Belgische Artsenvereniging Sint-Lucas.

 

Wellicht is er geen woord dat de laatste decennia zo een opgang heeft gemaakt dan het woord ‘gender’. Het is een begrip dat volledig is ‘ingeburgerd’ in alle middens en van een beschrijvend begrip geëvolueerd is naar een afdwingbaar begrip. Voor alle duidelijkheid: gender staat voor gedrags- en identiteitsaspecten van geslacht, ter onderscheiding van lichamelijke en biologisch aspecten. De natuurlijke band tussen enerzijds de lichamelijke en biologische kenmerken die het geslacht van iemand bepalen en anderzijds de identiteit en het corresponderende gedrag dat hij of zij hiermee vertoont, wordt verbroken. Ieder zou vanaf nu zelf kunnen bepalen voor welk geslacht hij of zij kiest, los van de biologische kenmerken, en indien nodig en wenselijk deze lichamelijke-biologische kenmerken daaraan laten aanpassen. Meer nog, ook maatschappelijk eist men erkenning van deze genderidentiteit boven de biologische identiteit waarmee men geboren is.

Oorsprong van deze beweging

De wortels van deze nieuwe ideologie kan men vinden bij de radicalisering van het feminisme uit de jaren ’60 van vorige eeuw waar niemand minder dan de Franse filosofe Simone de Beauvoir de volgende slogan lanceerde: “On ne naît pas femme, on le devient” – men wordt niet als vrouw geboren, maar men wordt het. Hiermee klaagde ze natuurlijk de ondergeschikte rol aan die vrouwen vanouds vervulden en die zich op een heel specifieke wijze uitte in het moederschap. Totale gelijkheid tussen man en vrouw werd het streefdoel en het wegwerken van alle verschillen die de vrouw maar op enige manier zou kunnen discrimeneren. Niemand zal twijfelen aan het belang van de totale gelijkwaardigheid van man en vrouw, maar daarvoor hoeft men zijn eigen seksuele identiteit niet te verloochenen. Gelijkwaardigheid is nog steeds iets anders dan gelijkheid!

Vindt men de wortels van de gendertheorie in de radicalisering van het feminisme, het kader wordt gevonden in de steeds voortschrijdende verabsolutering van de autonomie en de zelfbeschikking. De snelle opgang van de gendertheorie heeft dus alles te maken met de maatschappelijke revolutie waarin we ons momenteel bevinden. Opnieuw vraagt het enige nuancering wanneer we de begrippen autonomie en zelfbeschikking in de mond nemen. Het mag een humane en maatschappelijke vooruitgang heten dat mensen vandaag over grotere autonomie en een grotere graad van zelfbeschikking genieten dan pakweg 100 jaar geleden waar hele klassen nog zware vormen van onderdrukking kenden. Met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) heeft men deze persoonlijke autonomie en zelfbeschikking niet alleen willen garanderen, maar ook positief stimuleren in middens waar nog een weg moest worden afgelegd. Maar vanaf de jaren ’60-70 van vorige eeuw is men doorgeslagen en deze autonomie en zelfbeschikking gaan koppelen aan het streven naar absolute vrijheid en het afschudden van alle banden die deze vrijheid zou kunnen belemmeren. Voor de vrouw betekende dit onder andere los komen van de band tussen seksualiteit en voortplanting, waarbij de artificiële anticonceptie het antwoord gaf. Voortaan zou men seksueel kunnen genieten waarbij men het krijgen van kinderen bewust uitsloot, hetgeen ook tot een enorme denataliteit in het Westen heeft geleid, met alle maatschappelijke gevolgen van dien. Maar ook de ‘baas in eigen buik’-beweging, die voor vrije abortus pleitte indien de anticonceptie niet had gewerkt, was het gevolg van die individualistische anticonceptiementaliteit. Het duurde niet lang of ook het instituut huwelijk moest eraan geloven dat als een belemmering werd gezien van deze absoluut verklaarde vrijheid, omdat men zich hierdoor zou verbinden met één persoon en daarmee andere relaties uitsloot of toch sterk aan banden legde. Waarom zou een man zich moeten binden aan een vrouw, wanneer hij of zij zich eerder aangetrokken voelde tot iemand van hetzelfde geslacht? En waarom zou een relatie moeten geformaliseerd worden, waardoor ook vluchtige en kortstondige relaties mogelijk zouden zijn, zodat men niet moest inboeten op de zo gegeerde absolute vrijheid? Maar men dacht nog steeds in termen van man en vrouw, in lijn met wat de natuur had meegegeven en ook biologisch bepaald was. Meer zelfs, men werd als jongen of meisje opgevoed in lijn met wat men lichamelijk vertoonde. Verandering van geslacht was eerder zeldzaam.

In de jaren ’60 vond, zoals aangegeven, de filosofie van Simone de Beauvoir meer en meer opgang, die ook in de lijn lag met wat Freud voorheen al had gesuggereerd, namelijk dat seksuele geaardheid voor een heel groot deel te maken heeft met de psychologische ontwikkeling van een kind. Deze visie van Freud sluit echter niet uit dat de biologische identiteit iedere zogezegde psychologische identiteit voorafgaat. Men wordt nu eenmaal als man of vrouw geboren, en chromosomaal ligt dit ontegensprekelijk vast, met het duidelijke verschil tussen de XY en de XX chromosomen bij mannen en vrouwen. Meer nog, vanouds vonden ouders het logisch hun kinderen in lijn met hun biologische identiteit op te voeden, zelfs indien ze een kind van het andere geslacht hadden gewenst. Anders opvoeden zou juist een hypotheek leggen op de identiteit van het kind en later voor ernstige problemen kunnen zorgen. Ook de band tussen het lichamelijke en het geestelijke werden nog steeds als een eenheid beschouwd: de mens is zijn lichaam en heeft niet zomaar een lichaam. Maar ook dit werd geleidelijk aan prijsgegeven en vervangen door een dualistische antropologie: de mens heeft een lichaam, zoals hij ook andere zaken heeft, en daar kan hij dus ook naar eigen goeddunken mee omgaan, steeds met het recht op absolute vrijheid als argument. Dit alles resulteerde in een ware kanteling in het denken en handelen waardoor de gendertheorie steeds méér en steeds ruimer ingang kon vinden: eerst gelanceerd, achteraf eveneens geradicaliseerd om daarna zelfs wettelijk afdwingbaar gemaakt te worden en met strafrechtelijke sancties voorzien indien men daden zou stellen die niet conform de principes van de gendertheorie zijn. Deze gepropageerde absolute vrijheid zou zich voortaan uiten op alle gebieden, zelfs op het wezen van de mens, en vertaald worden in een absolutie autonomie en zelfbeschikking. Ieder kan totaal autonoom beslissen met welk geslacht men door het leven wenst te gaan, zonder rekening te moeten houden met de biologische gegevenheid. Een geslachtsverandering kan voortaan in bepaalde landen wettelijk geformaliseerd worden zonder enige chirurgische ingreep of hormonale behandeling. Meer nog, een kind kan bepalen hoe het voortaan zal worden opgevoed: als jongen of als meisje of als neutraal. Want dit laatste is ook een mogelijkheid geworden, naast en met vele andere varianten. Schoolboeken moeten worden aangepast om alle sporen van het archaïsch onderscheid tussen man en vrouw, tussen vader en moeder te doen verdwijnen. Toiletten worden genderneutraal gemaakt. Het doet me even terugdenken welke reactie ik kreeg toen ik begin de jaren ’90 per abuis in Berlijn een vrouwentoilet instapte. Ik werd er als een vulgaire voyeur nagewezen. Tijden kunnen veranderen, en zelfs heel vlug!

Verdere ontwikkeling

De ganse gender-ideologie werd na Simone de Beauvoir sterk beïnvloed en zogezegd wetenschappelijk onderbouwd door figuren als Judith Butler die in 1984 een dissertatie maakte over het begrip begeerte bij Hegel en die sindsdien als universiteitsprofessor met verve de gendertheorie verkondigt. Volgens haar is identiteit iets vloeiend en flexibel, waarbij geen mannelijke of vrouwelijke wezens bestaan maar waar het zich ‘man of vrouw voelen’ alleen een bepaalde uitingsvorm is die ten allen tijde kan veranderen. Ze ziet derhalve het biologische geslacht van de mens als man en vrouw enkel als een gegeven van de natuur die de absoluut vrije zelfdefinitie van de mens niet aan banden kan leggen. Bijgevolg dienen alle heteroseksuele uitingen in de samenleving te verdwijnen: onderscheid man en vrouw, huwelijk en gezin, vader en moeder, seksualiteit gekoppeld aan vruchtbaarheid en voortplanting.

Hoe is het mogelijk dat deze theorie, of moeten we zeggen, deze ideologie uiteindelijk wereldwijd werd verspreid en nu ook overal greep op heeft?

De Verenigde Naties hebben een niet onbelangrijke rol gespeeld in het verspreiden van de gender-ideologie. De reeds aangehaalde Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) was nochtans heel logisch en duidelijk gebaseerd op het joods-christelijk mensbeeld, geworteld in de bijbel met verwijzing naar Genesis: “Zo schiep God de mens naar zijn beeld, als beeld van God schiep Hij hen, als man en vrouw schiep Hij hen” (Gen. 1, 27). Gelijkwaardigheid van man en vrouw zat inherent reeds vervat in het eerste artikel: “Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.” Maar ook huwelijk en gezin werden er bevestigd als bindweefsel dat de maatschappij bijeenhoudt en ook beschermt: “Zonder enige beperking op grond van ras, nationaliteit of godsdienst, hebben mannen en vrouwen van huwbare leeftijd het recht om te huwen en een gezin te stichten. Zij hebben gelijke rechten wat het huwelijk betreft, tijdens het huwelijk en bij de ontbinding ervan. Het gezin is de natuurlijke en fundamentele groepseenheid van de maatschappij en heeft recht op bescherming door de maatschappij en de Staat” (artikel 16 UVRM).

We kunnen ons thans de vraag stellen in welke mate dit grondbeginsel nog overeind is gebleven en waarom de Verenigde Naties zelf dit beginsel nadien hebben ondermijnd. Dit gebeurde onder invloed van talloze goed georganiseerde en gesubsidieerde westerse lobby-groepen tijdens een aantal belangrijke VN-wereldconferenties.

Via deze wereldconferenties kwam men op een zeer geleidelijke wijze tot een ware paradigma-wissel. De eerste VN-conferentie was deze in Boekarest in 1974 waar werd nagedacht hoe men de wereldbevolking kon reduceren. Daaruit groeide de ‘International Planned Parenthood Federation’, die alles zette op de bevordering van anticonceptie als weg voor de beheersing van de bevolkingstoename.

De VN-wereld-vrouwenconferentie in Beijing in 1995 spitste zich toe op reproductieve gezondheid, “opdat mensen een bevredigend en ongevaarlijk seksleven kunnen hebben en dat ze de toegang tot voortplanting hebben en er in vrijheid over kunnen besluiten, wanneer en hoe vaak ze er gebruik van maken” (nr. 94 van het besluit). Op een gecamoufleerde wijze werd hier het onbeperkt ter beschikking stellen van voorbehoedsmiddelen, en het bevorderen van veilige abortus en sterilisatie gepropageerd. Sindsdien is deze propaganda niet meer afwezig in de acties van de Verenigde Naties en haar ondergeschikte organen die voortaan ontwikkelingshulp koppelen aan de implementatie van deze programma’s. Figuren als Bill en Melinda Gates zullen hier met hun ruime financiële ondersteuning eveneens een niet onbelangrijke faciliterende rol in spelen. Tijdens de conferentie in Beijing werd ook de basis gelegd om abortus tot een mensenrecht te promoveren en om niet meer te spreken over gelijkwaardigheid maar wel gelijkheid tussen man en vrouw. Dit laatste was een directe voorbereiding van wat in 2007 in de zogenaamde Yogyakarta-principes zou worden afgekondigd en die een radicale en niets ontziende doorbraak vormden van de gender-ideologie op alle niveaus van de samenleving. Want alle principes werden telkens ingeleid door de veelzeggende zin: “De staten moeten alle noodzakelijke wetgevende, bestuurlijke en overige maatregelen treffen om…”. En dan gaat het over gender, het openstellen van het recht van het stichten van een gezin voor iedere mens ongeacht zijn seksuele oriëntatie of geslachtelijke identiteit, en het doorvoeren van deze principes via curricula in de scholen, het uitvaardigen van wetteksten enz. Sindsdien wordt er op alle niveaus een harde strijd geleverd om deze principes een wettelijk kader te geven waardoor de eerder afgekondigde grondbeginselen waarop een humane maatschappij moest worden uitgebouwd volledig zouden ontwrichten worden.

Reacties op deze evolutie komen er amper, en wanneer bepaalde Afrikaanse landen het niet eens zijn met de reproductieve gezondheidszorg die hun wordt opgedrongen, worden ze meewarig als achterlijk beschouwd maar tegelijk gemanipuleerd en onder druk gezet: indien ze niet meestappen in de vooropgestelde plannen worden hun ontwikkelingsgelden beperkt. Uiteindelijk is er ook voor hen geen ontkomen meer aan. En zo is de ganse wereld in de greep gekomen van deze ideologie die uiteindelijk een uitvloeisel is van ’s mensen droom om zich absoluut vrij te kunnen gedragen en dit te kunnen uiten in een absolute autonomie en zelfbeschikking. Recht op abortus, recht op euthanasie, recht op het vrij bepalen van het geslacht, recht op… Neen, er lijken geen limieten meer te zijn. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is hierbij nog slechts een vodje papier, goed om in de archieven te worden opgeborgen. Maar nochtans prijken ze nog steeds in de inkomhal van de gebouwen van de UNO in New York: van hypocrisie gesproken. Ondertussen wordt er echter in de zijgebouwen van diezelfde UNO druk gelobbyd met internationale NGO’s om via alle denkbare en ondenkbare wegen de principes van Yogyakarta te realiseren.

Gevaren van de gender-ideologie

De Congregatie van het Katholieke Onderwijs in het Vaticaan gaf op 2 februari 2019 een tekst uit met de vraag heel voorzichtig en voldoende kritisch om te gaan met de gender-ideologie en wees op een aantal pertinente gevaren die deze ideologie inhoudt.

Het Vaticaan waarschuwt dat via de genderideologie een totaal nieuwe antropologie ontwikkeld wordt die afwijkt van de christelijke mensvisie. Vanuit joods-christelijk standpunt zien we de mens geschapen door God als man en vrouw met de roeping gemeenschap te vormen en vruchtbaar te zijn. In de gender-ideologie wordt het onderscheid tussen man en vrouw als voorgegeven realiteit verloochend en wordt de gemeenschap tussen man en vrouw niet meer essentieel geacht om het menselijk geslacht verder te zetten. Verder huldigt men een totaal individualistisch mensbeeld, waarbij de mens totaal individueel beslissingen kan nemen over zijn leven, los van iedere band met de medemens en met de omringende samenleving. Het personalistisch mensbeeld eigen aan de joods-christelijke mensvisie wordt hierbij volledig genegeerd. Ook de band met de Schepper wordt hier totaal verloochend vanuit de stelling dat de mens zichzelf kan scheppen als man, vrouw of als een neutraal wezen.

Deze Vaticaanse tekst wijst er ook op dat door de genderideologie het instituut familie en gezin in zijn wortels geraakt wordt. Door het unieke van een gezin tussen een man en een vrouw te verwerpen en te vervangen door alternatieven en daar zelfs een wettelijk kader voor te creëren, vernietigt men wat van oudsher de basis vormde van de maatschappij. De beleving van de seksualiteit wordt voortaan een totaal individuele keuze, volledig losgekoppeld van de relatie tussen een man en een vrouw binnen het huwelijk en eveneens volledig losgekoppeld van de voortplanting. Seksualiteit wordt hier verengd tot een louter hedonistisch gebeuren. Door adoptierecht te verlenen aan koppels van hetzelfde geslacht ontneemt men kinderen een normale vader- en moederrelatie en wordt het hebben van kinderen als een recht opgeëist om in eigen behoefte voldoen en niet meer beschouwd als een gave en een daaraan verbonden opgave. Het onbeperkt voorzien van artificiële anticonceptie, het recht op abortus en de mogelijkheid tot sterilisatie is daarvan een logisch gevolg.

De gender-ideologie stelt scholen voor een moeilijke opgave, zeker in landen waar men verplicht wordt om de curricula aan deze ideologie aan te passen, gender-neutrale toiletten in te richten en keuze tot geslachtsverandering te aanvaarden. Indien men weigert loopt men het risico beschuldigd te worden van discriminatie.

Katholieke scholen moeten in lijn blijven met de leer van de Kerk op het gebied van haar visie op het gezin en de seksualiteitsbeleving en dan ook alles in het werk stellen om een christelijke visie op mens en maatschappij te blijven ontwikkelen. Vóór alles zal aandacht moeten blijven gaan naar een opvoeding gericht op de ontwikkeling van een personalistisch mensbeeld bij de jongeren als weerwerk op het individualisme dat overal gepropageerd wordt. Wellicht wordt dit één van de kernopdrachten van ons katholiek onderwijs vandaag.

Ten slotte kan de gender-ideologie gezien worden als een rechtstreekse aanval op de Kerk en haar doctrine die daardoor steeds meer maatschappelijk in de marginaliteit wordt geduwd. Tegelijk staat de Kerk voor een ware uitdaging een nog sterkere profetische rol te vervullen in de huidige maatschappij. Profetie heeft immers steeds twee bewegingen: een beweging om de waarheid te verkondigen en een beweging om af te keuren wat met deze waarheid niet strookt. Wat de gender-ideologie betreft kan de Kerk niet anders dan in alle duidelijkheid deze ideologie af te keuren en dit met duidelijke argumenten. De Kerk moet immers de moed blijven hebben om in alle duidelijkheid zowel te verkondigen als af te keuren en daarmee de gelovigen te helpen om trouw te blijven aan de grondbeginselen van het Evangelie ons gebracht door Jezus Christus zelf.

Br. René Stockman

Mei 2020

 

Bibliografie

  • Congregation for Catholic Education, “Male and female He created them”, towards a path of dialogue on the question of gender theory in education”. Vatican City, 2019, pp. 31.
  • Byrne, Patrick J., Transgender: one shade of grey. Melbourne, Wilkinson Publishing, 2018, pp. 353.
  • Eyck, Kardinaal Willem Jacobus, De gendertheorie: een bedreiging voor het gezin en de verkondiging van het christelijk geloof. Conferentie “Pro Life Forum”, mei 2019.
  • Kuby, Gabriele, De seksuele revolutie. Groningen, De Blauwe Tijger, 2017, pp. 428.

Persoonlijk en algemeen welzijn opnieuw in evenwicht?

Onderstaande tekst werd eveneens gepubliceerd op Kerknet op 5 mei 2020. 

Iedere crisis brengt met zijn lasten ook altijd voordelen mee. Wat zal het zijn met deze coronacrisis? We zien het nog niet, we kunnen er wel naar gissen en over nadenken. Er is zeker iets gebeurd met de mens dat misschien wel onomkeerbaar is. Is het een omslag ten goede of ten kwade?

Alvast is duidelijk dat de spanning tussen het persoonlijke welzijn en het algemeen welzijn als nooit tevoren zo sterk werd aangevoeld. We werden en worden geconfronteerd met ons ware gezicht, waarop angst, zelfbehoud, ja zelfs egoïsme duidelijker wordt, maar tegelijk ontwaren we in onszelf een verlangen om goed te doen, om anderen te helpen; er is een opwaartse stuwing in onze medemenselijkheid waar te nemen. In crisisperiodes vallen vele maskers af, zelfs op het moment dat we maskers moeten opzetten om onszelf en de anderen te beschermen. Steeds gaat het daarom: onszelf en de anderen. Wat weegt met het dragen van deze maskers het meest door: onze drang naar zelfbehoud of onze bekommernis om anderen niet in gevaar te brengen?

We kunnen niet ontkennen dat de balans de laatste decennia steeds meer doorsloeg naar het persoonlijke – of nauwkeuriger geformuleerd, het individuele welzijn – met eraan gekoppeld een dalende bekommernis voor de medemens. Het individualisme in het zog van de vrijheid van de individuele burger eisten steeds meer aandacht en ruimte op en de maatschappij leek zich ernaar te schikken. Het was een langzaam proces sinds John Locke eind 17de eeuw deze individuele vrijheid propageerde, welke ook in de Amerikaanse grondwet een pertinente plaats kreeg toegewezen. De samenleving moet er alles voor doen om de vrijheid van het individu te beschermen, te bevorderen en eventueel te herstellen. In de sociale leer van de Kerk klinkt het iets anders: daar wordt gesteld dat men vanuit het principe van het algemeen welzijn moet streven om de menselijke waardigheid te promoveren. Beiden vertrekken vanuit het algemene, maar het particuliere wordt in de seculiere sfeer toch wel sterk verengd tot de individuele vrijheid. De waardigheid van de mens wordt natuurlijk dikwijls aangetast door aan deze individuele vrijheid beperkingen op te leggen. Dat ervaren we in landen met totalitaire regimes. Maar bij de waardigheid van de mens staat er toch wel meer op het spel dan zijn individuele vrijheid. Meer zelfs, indien men te uitsluitend de nadruk gaat leggen op de individuele vrijheid, dreigt men de aandacht voor de medemens te verliezen. Alles wordt gericht op het eigen welzijn waarbij de andere uit het vizier verdwijnt. De andere mag er nog zijn om ons welzijn te bevorderen, maar daar stopt het ook bij. Als hij deze opdracht niet kan waarmaken, dan duwen we hem heel vlug opzij. Het wordt een streven naar eigen welzijn waarbij de andere nog telt in de mate dat hij een positieve bijdrage kan leveren om dit eigen welzijn te verhogen. Wat ik kan betekenen voor het welzijn van de andere wordt secundair en na een tijd zelfs volledig genegeerd. Het wordt een ieder-voor-zich-mentaliteit. In het individualisme is geen plaats meer voor de andere, waarmee we ook een verschil zien tussen het begrip persoonlijke vrijheid en individuele vrijheid. Want in het personalisme is de andere een realiteit waarvoor ik mij verantwoordelijk voel. Als individu trek ik mij open naar de andere en naar de ruimere gemeenschap. Dat is het wat in de sociale leer van de Kerk doorklinkt als essentieel en waarbij twee andere principes als voorwaarden worden gesteld: de solidariteit en de subsidiariteit. Het is het klavertje vier van de sociale leer van de Kerk: de zorg voor de menselijke waardigheid is een essentieel aandachtspunt binnen de zorg voor het algemeen welzijn, die op haar beurt wordt verwezenlijkt vanuit de principes van solidariteit en subsidiariteit. Dit is een harmonisch model waarbij het een in het andere schuift en het een het andere nodig heeft. De maatschappij staat niet op zichzelf en heeft slechts één doel: het volle welzijn van de burgers helpen verwezenlijken, dat uitgedrukt wordt in het respecteren, het bevorderen en het herstellen van de menselijke waardigheid van iedere persoon. En daarin telt natuurlijk de portie vrijheid waarover iedere persoon moet kunnen beschikken om zijn mens-zijn op een waardige wijze te kunnen uitbouwen en beleven. Maar het moet steeds een gesitueerde vrijheid blijven, rekening houdend met de aanwezigheid van de andere en met de opdracht mee te werken aan de groei van het welzijn, noem het de menselijke waardigheid van de andere en van alle anderen. Paus Paulus VI noemde het de zorg voor de hele mens en voor alle mensen. En dat doen we door solidair te zijn en de regels van de subsidiariteit te respecteren: de verantwoordelijkheid van de andere niet afnemen of fnuiken maar integendeel hem helpen (het woord “subsidium” dat ondersteuning betekent) om zelf in verantwoordelijkheid te groeien.

Terug naar onze coronacrisis en de tijd erna. Zal de ervaring die we tijdens de lockdown-periode hebben opgedaan ons helpen om het individualisme waartoe we aan het afglijden waren opnieuw te vervangen door een gezond personalisme, waarbij we terecht zorg dragen voor ons eigen welzijn, maar ook voor het welzijn van de andere en uiteindelijk voor het algemeen welzijn? En dat we dit doen op een wijze waarop er helemaal geen spanning moet bestaan tussen deze drie, wel integendeel. Zullen we onthouden hoe belangrijk de aandacht voor de andere ook is voor ons persoonlijk welzijn? Zij die noodgedwongen afgezonderd waren van hun geliefde familieleden hebben dit zeker ervaren en moeten nu deze ervaring meedragen en zelfs koesteren.
Zullen we het belang van de inzet voor de anderen onthouden, die in de zorg voor hen die het slachtoffer werden van het coronavirus, toch op een grandioze wijze vorm kreeg?
Zullen we met grotere eerbied omgaan met onze natuur, nu we hebben ervaren hoe helderder de lucht was toen we verplicht onze auto op stal moesten laten en de vliegtuigen op de landingsbanen stonden geparkeerd en we snakten naar een verfrissende wandeling in een nabijgelegen bos? Of zullen we vlug opnieuw dromen van verre reizen naar exotische plaatsen en vergeten hoe exotisch het wel is in eigen omgeving?
Zullen we bekommerd blijven om het welzijn van mensen in andere continenten, ook wanneer er geen cijfers meer komen over hoeveel corona-doden er daar vallen? Er ontstond een mondiaal aanvoelen dat anders was dan wat we tot nu verstonden onder mondialisering. Het kreeg een totaal andere invulling dan de economische die we er gewoonlijk aan gaven.
En zullen de politieke overheden zich blijven focussen op de mens en alles wat de menswaardigheid moet bevorderen, waaronder ook de economie valt? Of zullen heel vlug mercantiele belangen hun voorrang opeisen op de politieke agenda’s, met het gevaar dat de mens opnieuw naar de tweede plaats verschuift? En zullen dezelfde politieke overheden zich niet opnieuw laten meeslepen door de eisen die vanuit een individualistisch mensbeeld worden gesteld en die nog alleen oor hebben voor de absolute zelfbeschikking, de absolute vrijheid en de absolute autonomie?

Het blijven open vragen en de enigen die er positieve antwoorden kunnen op geven, zijn wijzelf. Het begint bij de concrete keuzen die we maken. Hopelijk zijn die als de kringen die zich op het wateroppervlak geleidelijk uitspreiden en welke veroorzaakt werden door een kiezelsteentje dat erop gegooid werd. Er verschijnen vandaag vele filmpjes die de coronacrisis vanuit verschillende standpunten belichten Eén ervan ontving ik gisteren. Het betrof een vader die aan zijn kleine kinderen in sprookjesvorm vertelt wat er gebeurde in 2020 en hoe dit de wereld grondig veranderde. En ze leefden lang en gelukkig, de mensen die positieve lessen trokken uit de crisis. Of zal het tot een sprookje beperkt blijven?

Br. René Stockman

Mei 2020

Van strijd voor de dood naar strijd tegen de dood

Onderstaande tekst werd gepubliceerd in het christelijk weekblad Tertio nr. 1055 van 29 april 2020. 

Het kan verkeren, dat wist Bredero reeds, en soms zelfs heel vlug. Toen enkele weken geleden de aandacht van de media in Vlaanderen toegespitst was op de euthanasiezaak waarbij geneesheren voor het Hof van Assisen moesten verschijnen omdat ze de voorschriften rond het correct uitvoeren van euthanasie met de voeten hadden getreden, focust de pers zich thans quasi volledig op de corona-pandemie. Van een strijd voor de dood naar een strijd tegen de dood. Toen het pleit in het voordeel van de geneesheren werd beslecht, was er gejuich op de banken en het werd voor sommigen tijd om de euthanasiewetgeving nu maar snel verder uit te breiden. Demente bejaarden zouden het recht moeten hebben om euthanasie te plegen, als ze daarvoor ooit een wilsbeschikking hebben neergeschreven maar het op een later ogenblik niet meer kunnen bevestigen omwille van hun dementie. Maar wie zal daarover beslissen? De persoon met dementie zelf alvast niet meer, maar derden die vinden dat aan de in de wilsbeschikking genoemde voorwaarden zijn voldaan. Dit zou dan zelfbeschikking worden die door anderen wordt overgenomen. In welke mate zullen bejaarden echter nog in volle vrijheid vanuit eenzelfde recht op zelfbeschikking durven of kunnen kiezen om een natuurlijke dood te sterven?

We leven immers in een mentaliteit van utilitarisme waarbij een sfeer wordt gecreëerd dat men als bejaarde persoon niet tot last mag zijn van de familie, van de gemeenschap, van de staatskas. Als we dit durfden uitspreken enige weken geleden, werden we alvast naar de maan geschoten. Deftige burgers uit de eenentwintigste eeuw die we zijn gaan mensen toch niet taxeren op hun nuttigheid? Euthanasie is toch een goed voor de mens, een nieuwe verworvenheid? Het werd door de voorstanders zelfs verheven tot een werk van barmhartigheid.

Maar het kan verkeren, en soms zelfs heel vlug. De sfeer van utilitarisme kwam heel duidelijk tot uitdrukking in de ‘ethische code’ die het opnamebeleid op intensieve zorgen zou moeten rechtvaardigen en de gewetens van artsen en verplegenden moest sussen.

Er werd immers naarstig becijferd hoeveel bedden en beademingstoestellen men beschikbaar had op de intensieve zorgen. Ethische commissies werden samengeroepen en daarin werd voorgesteld aan de rust- en verzorgingstehuizen om bejaarden met weinig kans op genezing ter plaatse te houden om de bedden en beademingstoestellen in de ziekenhuizen voor te behouden voor de jongeren. Men vond dit een ‘humaan beleid’ en op deze wijze zou de beschikbare ziekenhuiscapaciteit voldoende zijn, zeker voor de ‘actieve’ bevolking. Wetenschappers, politici en ethici dachten de goede keuzen te hebben gemaakt en ze waanden zich in België goed voorbereid en veilig. Bezoek aan de rusthuisbewoners beperken en zelfs verbieden en handen goed wassen vooraleer het centrum te betreden zouden voldoende moeten zijn.

Maar ook hier kon het verkeren, en soms heel vlug. De stelling en het uitgangspunt dat men het virus uit de woonzorgcentra zou kunnen buitenhouden, waren onmogelijk en dus ongeloofwaardig. Men wist toch op basis van de Italiaanse en Spaanse toestanden dat vooral ouderen de eerste slachtoffers zouden worden van het corona-virus en de ethische commissies beslisten vooraf om de voorrang te geven aan jongeren op intensieve zorgen indien er op die afdeling keuzen zouden moeten worden gemaakt.

Valt het daarom te ontkennen dat vele bejaarden, zorgverleners, mensen met een handicap in residentiële centra en psychiatrische patiënten in de psychiatrische verzorgingstehuizen in deze coronacrisis dagelijks en concreet voelen dat ze slechts op de tweede of derde plaats komen, bij het nemen van afdoende maatregelen? Zij voelen zich minstens behandeld als ‘tweederangsburgers’ als het er echt op aankomt in de samenleving om keuzes te maken. Dit bleek uit tal van getuigenissen uit die sectoren. Wie vertolkt de angst van deze mensen en neemt hun verdediging op?

Wat in het euthanasieproces van Tine Nys met allerhande versluierde en mediagenieke uitlatingen werd gecamoufleerd, komt nu ten volle aan het licht: onze ‘deftige’ burgers degraderen met een ethisch sausje een grote groep personen tot minderwaardige tweederangsburgers wiens leven – als het er op aankomt – minder waard is dan dat van anderen.

Het is niet onze bedoeling thans schuldigen aan te duiden, maar het echte pijnpunt blijft de initiële keuze die werd gemaakt om de bejaarden van de intensieve zorgen weg te houden en geen extra ondersteuning te voorzien aan de rust- en verzorgingstehuizen waar de grootste risicogroep verbleef, ook al werd deze stelling nadien afgezwakt door enkele artsen toen bleek dat er toch nog capaciteit over was op intensieve zorgen en ook bejaarden er kunnen worden opgenomen. Schoorvoetend moet men echter wel bekennen dat er minder doden zouden zijn geweest indien men het anders had aangepakt. Met andere ethische uitgangspunten dus! Blijkbaar zijn ook ethici die moesten nadenken over de te nemen maatregelen ook kinderen van hun tijd die het nuttigheidsdenken dat in onze samenleving momenteel hoogtij viert, blindelings achterna hollen. Kennelijk is de nuttigheidsgedachte ook voor hen niet zo een ‘vies’ woord.

Onze samenleving telt nu twee groepen: de nuttigen en de onnuttigen. Tijdens het coronavirus zijn het de bejaarden, maar wie zullen de volgende groepen zijn na het coronavirus, want die tijd komt er ook?

Zal het masker van de absolute zelfbeschikking en van de valse barmhartigheid weer worden opgezet, maar zal daaronder het virus van het utilitaristisch denken voortwoekeren? Tot er een ander moment zal komen dat maskers vallen en men toch opnieuw moet bekennen dat het utilitariteitsprincipe steeds meer veld wint en zelfs de overhand haalt in het Westen.

Maar misschien kan het toch nog verkeren en heeft men door deze pandemie de waarde van ieder leven opnieuw mogen ontdekken en ook de broosheid ervan. En vooral dat de macht die we dachten over het leven te hebben, toch heel relatief is. Hopelijk hebben de bovenmenselijke inspanningen die velen hebben geleverd en nog aan het leveren zijn om levens te redden, hen die met een evidentie het euthanasie-spuitje propageren en hanteren even tot nadenken gezet.

Br. René Stockman

April 2020

Waar is God in deze coronatijd?

Waar is God in deze coronatijd? Het is een vraag die we geregeld horen en ook lezen. Sommigen zien er de directe hand van God in, van de straffende God die aan de mensen wil zeggen dat ze toch te ver zijn afgeweken van zijn geboden. We horen deze stemmen vooral in Amerika en Afrika. Anderen zien er een teken in dat God onrechtstreeks geeft en ons daarbij wil wijzen op de ecologische fouten die we hebben gemaakt door zijn schepping niet te respecteren. Deze laatsten hebben natuurlijk een punt want vandaag las ik nog een wetenschappelijk artikel waarin werd gesteld dat we nog meer moeilijk te beheersen epidemieën zullen mogen verwachten omdat er een grootschalige vernieling van de ecologische systemen heeft plaatsgevonden waarbij de natuurlijke evenwichten grondig zijn verstoord. Velen in het Westen zien helemaal geen verband tussen de coronapandemie en God, omdat ze God helemaal uit hun denkschema’s hebben geschrapt zodat Hij niets meer te maken heeft met wat er in de wereld gebeurt. Sommigen roepen God ter verantwoording en vragen zich af waarom Hij dit toelaat en Hij niet tussenkomt. Nog anderen vinden nu juist in het gebed tot God soelaas en sterkte. Nu er geen Paasvieringen in de kerken konden plaatsvinden, bleek het aantal kijkers op internet en tv naar de Paasvieringen bijzonder hoog. Wanneer mensen zich in nood bevinden vinden blijkbaar heel wat mensen terug de weg naar de kerk, naar het gebed, naar God. Hij wordt opnieuw de zekerheid in een tijd dat alle andere gewaande zekerheden het laten afweten.

Maar waar is God echt in deze coronapandemie? Is Hij er of is Hij er niet, en als Hij er is, welke band kunnen we zien tussen God en corona? We kunnen geen sluitend antwoord geven op deze vraag. Nochtans is het de moeite waard om als christengelovige even stil te staan bij deze boeiende vraag.

Tijdens vroegere eeuwen werden ziekten en alles wat onverklaarbaar was rechtstreeks aan een tussenkomst van God toegeschreven. Toen in de Middeleeuwen de pest uitbrak werd dit door de samenleving beschouwd als een straf voor de zonden die men persoonlijk en als gemeenschap had begaan. De oorzaken van de pest konden echter door de wetenschap worden achterhaald en ook voor het coronavirus zijn er wetenschappelijke verklaringen, hoewel deze op dit ogenblik nog niet eensluidend zijn. Men gist nog steeds naar de ware oorsprong en naar de wijze waarop het virus de mens heeft kunnen besmetten. In ieder geval is het coronavirus wetenschappelijk verklaarbaar. Is het dan volkomen onzinnig om in het kader van een pandemie over God te spreken?

In de Bijbel heeft ziekte, lijden en dood te maken met de disharmonie die in de mens aanwezig is. In het scheppingsverhaal, waarin de ware natuur van de mens wordt beschreven, wordt op een sublieme wijze de band tussen God en de mens beschreven en wordt ook gepeild naar de oorzaak van deze disharmonie.

Het scheppingsverhaal is méér dan een louter mythisch verhaal, maar bevat een aantal fundamentele theologische, filosofische en antropologische reflecties over mens en wereld. De mens werd door God naar zijn beeld en gelijkenis geschapen en leefde in oorsprong in totale harmonie met zijn Schepper, met zichzelf, met de medemens en zijn omgeving. De mens was verheven boven de vergankelijkheid die in de ganse natuur aanwezig was en is.

In het scheppingsverhaal wordt ook de realiteit van het kwade -de duivel genoemd- vermeld als de oorzaak van de breuk in de harmonie. Met de breuk in deze harmonie is een einde gekomen aan de onsterfelijkheid van de mens en werd deze onderhevig aan de vergankelijkheid. Dit verklaart voor een christengelovige ziekte, lijden, aftakeling en dood. God is daarvan niet de oorzaak en het is ook geen straf van God, maar het is wel de consequentie van de gebroken harmonie tussen mens en God.

Lijden in het algemeen kunnen we dus niet los denken van het kwade waarmee de mens voortdurend geconfronteerd wordt. Ziekmakende en dodende virussen behoren tot dit kwade en kunnen mens en dier treffen zoals alle andere ziekten.

Maar is daarmee alles gezegd en hebben het lijden en de dood dan het laatste woord? Uiteraard niet. Als christengelovigen belijden we immers dat door de komst van Christus, door zijn lijden en dood en door zijn verrijzenis de mens verlost werd en van de uitzichtloosheid van de dood. De disharmonie die door de dood in het aardse leven wordt veroorzaakt, wordt definitief hersteld tot harmonie in het eeuwig leven. Het is dit mysterie dat we telkens opnieuw met Pasen en tijdens elke eucharistie mogen vieren.

Als christenen worden we echter ook aangespoord om het lijden niet passief te ondergaan, maar er lessen uit te trekken. Was deze pandemie onvermijdelijk? Is zij het gevolg van wetenschappelijke experimenten, van het onverantwoord omgaan met dieren, met het verstoren van het evenwicht van ecologische systemen ? Paus Franciscus laat niet na de mens op al deze gebieden op zijn verantwoordelijkheid te wijzen. Hij nodigt uit om ons te bezinnen over de wijze dat we een belangrijke dimensie in ons leven verloren hebben en deze opnieuw moeten opnemen, namelijk de zorg voor moeder aarde. In de Bijbel zijn er heel wat passages over de wijze waarop God de natuur gebruikt om mensen tot inkeer te brengen. Denken we maar aan de plagen van Egypte en aan de beschrijvingen over het einde der tijden dat zou worden voorafgegaan door allerlei plagen.

Wanneer de mens zich niets aantrekt van de desastreuze gevolgen van de vernietiging van de ecologische systemen, wanneer hij een leven gaat leiden dat ingaat tegen zijn menselijke waardigheid, ja zelfs tegen zijn menselijke natuur, kan men zich de vraag stellen of de mens niet zelf het einde van de tijden aan het veroorzaken is?

De coronapandemie moet dus een moment van bezinning worden, niet alleen over onze ecologische wandaden maar ook over ons verlies van menselijke waardigheid en de zonden tegen onze menselijke natuur.

Hier komen we dicht bij de theologie van Paulus die uitdrukkelijk aangeeft hoe alles een zin heeft, maar het aan ons is om daarin een zin te ontdekken, in zowel het goede dat ons overkomt als het kwade, en dat speciaal het lijden ons tot loutering kan brengen. Opkijkend naar het kruis, waar we getuige zijn van het ogenschijnlijke meest onzinnige lijden, geloven we dat het via de weg van dit lijden was dat we als mens zijn verlost van de uitzichtloosheid in ons leven. Deze pandemie die ons thans in quarantaine plaatst kan ons aansporen om echt ‘bevrijde mensen’ te worden en de vrijheid die ons door God steeds opnieuw geschonken wordt in te vullen naar het voorbeeld van Christus. De vrijheid is het hoogste goed dat we als mens hebben ontvangen en dat ons anders maakt dan al het ander geschapene.

In deze coronatijd wordt ook de vraag naar de zinvolheid van het gebed wel eens opgeworpen. Waarvoor zouden we nog bidden, als God dit alles toelaat? Kunnen we bidden dat Hij ons zou beschermen tegen het virus, dat Hij ons kracht zou geven in het lijden dat een eventuele besmetting zou teweegbrengen, dat Hij speciaal hen die de geven om het vol te houden?

Als christengelovigen mogen we alles wat ons bekommert vertrouwvol aan God voorleggen. We kunnen ook voor anderen bidden, zowel voor levenden als doden. Dit is zelfs een werk van barmhartigheid. God is in de diepte betrokken op ons leven en op alles wat er gebeurt. Hij is ons nabij en lijdt met ons mee. God is echter geen “deus ex machina”, alsof Hij op een magische wijze zou tussenkomen en het gebeuren volledig naar zijn hand zetten. Daarmee zou Hij onze menselijke vrijheid niet respecteren, want dat heeft Hij intact gelaten vanaf onze schepping, ook op het moment dat er een breuk is gekomen tussen Hem en de mens.

God heeft de mens uit liefde geschapen, en juist omwille van die liefde aan de mens de vrijheid gegeven om zijn leven uit te bouwen en in totale vrijheid een antwoord te geven op Zijn uitnodiging om al dan niet in zijn liefde te treden, met Hem in relatie te treden, in Hem te geloven of niet. Het gebed is het moment bij uitstek om bij God te vertoeven en onze relatie met Hem te laten groeien.

Indien God zou raken aan onze vrijheid, zou hij raken aan het meest wezenlijke van ons mens-zijn. Met deze vrijheid kunnen we heel veel goed doen, maar spijtig genoeg ook heel veel kwaad. Zou het kunnen dat de mens- door zich hoe langer hoe meer als heer en meester van de schepping te gaan gedragen door alles naar zijn hand te zetten- zich immuun is gaan achten, ook voor dergelijke dodelijke virussen?

Was het geen vorm van hoogmoed te leven in de veronderstelling dat pandemieën en dodelijke virussen tot de geschiedenis behoorden? Volgens het reeds aangehaalde Bijbelverhaal is hoogmoed de oorzaak van alle zonden is en ook de grootste zonde die we kunnen bedrijven: het is de mens die zijn eigen god wil worden en zijn.

Bidden kan ons helpen om opnieuw nederig te worden en af te dalen van de goddelijke troon die we voor onszelf aan het opeisen waren. De machteloosheid en angst die velen thans ervaren kan een uitnodiging zijn om ons te bekeren en opnieuw op te kijken naar God in plaats van op Hem neer te kijken vanuit onze menselijke hoogmoed. Misschien ontstaat het gebed momenteel bij velen als een noodkreet omdat we ons echt bedreigd voelen ins ons bestaan – in de ijdele hoop dat God toch maar zou tussen komen als een ‘deus ex machina’. Dit kan echter ook een moment worden waarin we ons keren tot God en Hem (her)vinden als de God die er voor ons is, die ons niet in de steek laat, ook niet in deze coronacrisis, als een God die zich Liefde laat noemen. Het kan het moment worden dat we God hervinden als een vergeten jeugdvriend die we al lang dood waanden en Hem opnieuw als God toelaten in ons leven.

Waar is God in deze coronatijd? Hij is er, zoals Hij in alles en allen aanwezig is, maar niet steeds zoals wij het graag formuleren of met een zekere verbetenheid beweren. Maar laten we maar vertrouwvol tot Hem bidden en hopen dat allen die op de een of andere wijze met deze coronapandemie wordt geconfronteerd Hem opnieuw ervaren als de Heer van het leven, de Heer van de levenden en de doden, ook van hen die bij deze corona geheel onverwacht tot Hem mochten treden.

Br. René Stockman

April 2020

Corona doet ons verstillen

Sinds ik in Rome woon, heb ik het er nooit zo stil geweten. Geen claxonnerende wagens, geen gezang uit de nabijgelegen bar, en ook de natuur lijkt er rustiger dan gewoonlijk. De lucht is er zuiverder dan voorheen en op straat ziet men alleen nu en dan een dame die de hond even buitenlaat. Wanneer de zon schijnt, zitten de mensen op hun terras, de enige plek die velen hebben om even aan de vier muren van hun niet te groot appartement te ontsnappen. Al drie weken zitten we in volledige lockdown, iets dat ik me voorheen moeilijk kon voorstellen wat dit kon betekenen. De eerste dagen was het organiseren van het huis: wie zou de boodschappen doen, hoe spreken we af met de kok, kan het huispersoneel nog komen? De door de traditie opgebouwde afspraken tussen de twee communiteiten die hier onder hetzelfde dak leven, moesten even worden bijgeschroefd. Geleidelijk aan ervaart men dat deze lockdown toch heel wat ingewortelde gewoontes aantast. Neen, even naar de stad om een boek te kopen bij de gekende Pauloni zit er niet meer in. Onze zondagse eucharistieviering bij de icoon ‘Salus Populi Romani’ in de Santa Maria Maggiore, gevolgd door een wandeling in één van de nabijgelegen parken in Rome, moet eraan geloven. En ook al verlaten we in de week gewoonlijk alleen maar het huis voor afspraken of vergaderingen, die nu alle zijn weggevallen, alleen het gevoel dat we niet verder mogen dan de poort raakt ons psychologisch. Ook de geplande reizen moesten worden geannuleerd, en plots werd het me duidelijk dat een conferentie die ik aan het voorbereiden en uitschrijven was voor India, zeker niet zou doorgaan. Onze studenten zitten uren voor het scherm van hun pc, want de universiteiten zijn voor onbepaalde duur gesloten en de lessen worden op een ongecoördineerde wijze verdergezet op afstand. Ik zeg wel ongecoördineerd, want iedere professor denkt blijkbaar dat hij of zij de enige is die heel veel taken moet geven om de dreigende verveling bij de studenten te bestrijden. Neen, vervelen doen ze zich niet, wel zuchten dat ze amper voldoende tijd hebben om de vele lectuuropdrachten af te werken. Gelukkig vinden ze wat afwisseling in de activiteiten die we voor hen in huis organiseren. Ons huis heeft er nog nooit zo kraaknet bij gelegen, de ramen nog nooit zo dikwijls gepoetst, en kelders opgeruimd en de bibliotheek geordend.

Maar buiten woedt het coronavirus, en dat moeten we proberen buiten te houden. Aan de buitendeur ligt een speciale mat doordrenkt met een ontsmettingsmiddel, en op verschillende plaatsen staan flessen met alcohol. Dat ze veelvuldig worden gebruikt getuigt dat we ze voortdurend moeten aanvullen. Er worden afspraken gemaakt hoe we op een veilige wijze de afwas kunnen doen. Afstand houden is een nieuw begrip, natuurlijk niet zo moeilijk voor celibatairen die niet gewoon zijn mekaar te beknuffelen. Maar voor Italianen ligt dit wel moeilijker, want ze zijn gewoon om mekaar met twee kussen te begroeten. De gesprekken gaan voor 90 % over corona. Hoeveel doden hebben we vandaag in Italië? Hoelang zullen we nog in deze lockdown moeten blijven? Hoe zit het in andere landen? Is het waar dat de medicatie tegen malaria ook zou helpen tegen corona? Hoe zat het nu met die quarantaine die voor het eerst in Venetië werd ingevoerd om te proberen de pest in te dammen? Zowel de burgerlijke als de kerkelijke overheden zenden ons geregeld heel concrete aanwijzingen met de vraag deze in de praktijk strikt na te leven. Neen, we hadden niet onmiddellijk verwacht dat onze Italiaanse burgers deze zo stipt gingen opvolgen. Met hun mentaliteit van jaknikken, maar er tegelijk aan toevoegend “ma non troppo” – wat vrij vertaald betekent: niet overdrijven – kunnen we niet anders dan hen bewonderen voor hun mentale ommekeer in deze ongewone tijden.

We denken aan die vele slachtoffers die er nog dagelijks bijkomen, aan die mensen die op een ellendige wijze en in eenzaamheid moeten sterven. Zojuist zag ik nog beelden van Bergamo, waar een parochiepriester helemaal alleen de laatste gebeden uitspreekt over niet minder dan twintig kisten, twintig mensen die alleen maar medisch personeel naast zich zagen, gekluisterd aan sondes en beademingstoestellen, en het tijdelijke met het eeuwige wisselden en die nu zonder de aanwezigheid van hun familie na dit kort gebedsmoment met een legercamion naar het kerkhof zullen worden afgevoerd. Daar kan niemand onbewogen bij blijven.
En dan het ziekenhuispersoneel, dat zich voor onmogelijke situaties bevindt en het amper zelf nog aankan en met de voortdurende angst rondloopt om zelf niet gecontamineerd te worden. De witte vlaggen die de bevolking op vele plaatsen uithangt mag hen aanmoedigen, maar neemt de zwaarte van hun taak niet weg.

Op zondag 15 maart zagen we Paus Franciscus als een eenzame pelgrim van Santa Maria Maggiore tot aan San Marcello wandelen, startend bij de afbeelding die door de Romeinen zo geliefd is, de reeds genoemde ‘Salus Populi Romani’, om er te eindigen bij het pestkruis dat in de San Marcello-kerk hangt en dat bij de pest in Rome door de straten werd gedragen. Hetzelfde kruis stond op vrijdag 27 maart op het Sint-Pietersplein, waar dezelfde eenzame Paus voor een verlaten plein een aanbidding hield en zowel bij de afbeelding van de Madonna en het kruis in stilte bad vooraleer de zegen ‘Urbi et Orbi’ uit te spreken, de zegen die normaal alleen maar op Kerstmis en op Pasen klinkt. Deze pauselijke zegen is over de stad en de hele wereld en heeft nooit zo intens geklonken als nu.

Corona doet ons confronteren met onze fragiliteit. Het is een onzichtbare vijand die ons bedreigt en die onze gewaande zekerheden doet wankelen. Het is treffend dat de Italiaanse eerste minister welbewust het woord “oorlog” in de mond neemt wanneer hij de zoveelste maatregel aankondigt. We zijn in oorlog tegen een onzichtbare vijand, en dit maakt ons zo onzeker, want door de willekeur waarmee de vijand zich verplaatst moeten we voortdurend onze strategieën aanpassen. Er werden reeds vele zogenaamde wetenschappelijk onderbouwde theorieën gepubliceerd die de volgende dag totaal ondergraven werden. De mens die dacht steeds meer alles in handen te hebben, moet nu bekennen dat hij tegen deze onzichtbare vijand, die alleen met de microscoop te ontwaren is, niet is opgewassen. Is dat de les die deze vijand ons wil leren: dat we mens moeten blijven, schepsel en goede beheerder van wat ons in handen is gegeven en niet de verwaande heer en meester van het geschapene, de mens inbegrepen? Waar zitten we nu met al onze plannen, onze berekeningen, onze goed gevulde bankrekeningen wanneer plots het coronavirus aan de deur staat en dit alles in één seconde wegveegt, tot een illusie maakt? “Gedenk, o mens, dat ge stof zijt en tot stof zult wederkeren”, klonk het vroeger bij het ritueel van de asoplegging op Aswoensdag. Theologisch klopt het niet dat we tot stof wederkeren, want we geloven in het volle leven in de verrijzenis, in de opstanding van lichaam en ziel, maar de verwijzing naar het stof en de as die we op het hoofd meekrijgen is wel heel toepasselijk bij deze pandemie. Het doet ons echt confronteren met onze vergankelijkheid als mens in deze wereld, met het feit dat we hier geen blijvende woning hebben, dat alles wat we hier opbouwen eens zal vergaan. Fragiliteit is een woord dat velen van ons uit hun woordenschat hadden geschrapt en dat er nu opnieuw zal moeten aan worden toegevoegd. Het zal ons onwillekeurig begeleiden om de werkelijkheid anders te bekijken, er anders mee om te gaan en hopelijk ook andere prioriteiten te leggen. Het kan ons ook helpen anders te gaan kijken en om te gaan met mensen die met een ernstige fragiliteit moeten leven: mensen met een handicap, mensen met een chronische ziekte, mensen die heel vlug als nutteloos in de maatschappij worden afgeschreven. Natuurlijk, als we dit alles niet te vlug vergeten, want ook dat is typisch menselijk: dat we de lessen uit het verleden zo vlug in de vergeetput stoppen om ons opnieuw ten volle over te geven aan onze drang naar meer macht, meer geld, meer genot.

De pandemie, die nu echt een mondiale omvang heeft genomen, is ook een roep tot grotere solidariteit. Ook dat wil corona ons leren. De solidariteit bestaat erin dat landen mekaar helpen, dat miljarden plots vrij kunnen komen om zowel de huidige gezondheidszorg te ondersteunen als de totaal ontwrichte economie naderhand te herstellen. Het bestaat erin dat mondmaskers worden aangevoerd en tot zelfs in de gevangenissen worden gemaakt. En natuurlijk is er geen grotere solidariteit te beschrijven dan bij die vele gezondheidswerkers, die nu met het gevaar van hun eigen leven zich voor anderen blijven inzetten, en ook zij die de vele nevendiensten heel getrouw blijven vervullen, want ze willen hun medemens in nood niet in de steek laten. Iedere morgen hoor ik om 4 uur de vuilniswagen door onze straat trekken om dit niet begeerlijke opkuiswerk trouw te blijven vervullen. We hebben tijdens de voorbije zomer hier in Rome gezien en geroken wat het betekent wanneer deze mensen omwille van een staking even de boel lieten liggen. Deze mensen worden soms vergeten in onze oplijsting van wie nu uitblinkt in solidariteit. En van onze broeder die dagelijks naar het grootwarenhuis trekt om er de nodige inkopen te doen hoor ik hoe het kassapersoneel daar trouw op post blijft en met veel geduld de vele klanten vriendelijk blijft bedienen. Solidariteit uit zich hier in het verrichten van het kleine goede, zoals Levinas het ooit zo treffend uitdrukte. Maar ook het stipt naleven van de opgelegde maatregelen getuigt van een solidariteit: we willen mekaar niet ziek maken, we willen er echt zijn voor mekaar in deze benarde tijden. Ten slotte kunnen we ook onze eigen opgelegde eenzaamheid beleven in solidariteit met die velen die in de bejaardentehuizen, in de ziekenhuizen of in hun klein appartementje de afwezigheid van hun geliefden als zeer pijnlijk ervaren en beleven. Het is eerder een spirituele solidariteit die we hier kunnen ontwikkelen, en daarmee een zin geven aan hetgeen we wellicht heel spontaan als een negatieve beperking van onze vrijheid ervaren.

Er is niemand die niet geconfronteerd wordt met deze crisis, en ieder wordt uitgenodigd om er op een heel persoonlijke wijze een antwoord op te geven. Velen worden opgevorderd om er heel direct mee bezig te zijn, denken we bijvoorbeeld aan de wetenschappers die nu onverdroten op zoek zijn naar een vaccin en een geschikte therapie. Maar ook zij die genoopt zijn om gewoon binnen te blijven om ervoor te zorgen dat de verdere verspreiding kan worden beheerst, worden uitgenodigd om dit als een specifieke verantwoordelijkheid te zien. Het kunnen momenten worden dat men dichter en intenser met mekaar zal gaan leven, dat men meer van mekaar zal moeten gaan verdragen, omdat men niet op de vlucht kan gaan voor mekaar en weg van mekaar. Voor sommigen zal de opgelegde afstand juist een grotere nabijheid doen groeien, een gevoel dat we mekaar echt nodig hebben, een herontdekking hoeveel we voor mekaar toch wel mogen betekenen. Op spiritueel vlak worden we opgeroepen om op een andere wijze anderen nabij te zijn. Wat we niet kunnen doen als lichamelijk werk van barmhartigheid, het zorgen voor hen die ziek zijn en zelfs hen bezoeken, kunnen we nu transformeren in een spiritueel werk van barmhartigheid, het bidden voor allen, voor de levenden en de doden. Wanneer het lichamelijk nabij zijn niet meer kan, krijgt deze spirituele nabijheid meer groeikans. Het is opvallend hoe zelfs de vroegere zogenaamde pestheiligen opnieuw tevoorschijn worden gehaald: de heilige Sebastiaan, de heilige Rochus en de heilige Rosalia. Er schijnt nu zelfs een heilige Corona te hebben bestaan, met relieken in de dom van Aken, die speciaal tegen de besmettelijke ziekten werd aanroepen en die door het stof van de tijd letterlijk was vergeten en nu onder dat stof is tevoorschijn gehaald.

Hoe zal de wereld er na corona uitzien? Hoe zal ons leven eruit zien? We kunnen het vandaag nog niet zeggen, want we zitten er nog volop in, we weten zelfs niet voor hoelang nog. We moeten vandaag geen plannen maken voor onze vakantie, want misschien zal die er dit jaar niet komen. Het leert ons dat dit alles niet essentieel is voor ons leven, en zoals met de vakantie verliezen veel zogenaamde essentiële zaken hun gewicht. In de stilte die ons wordt opgelegd en die rondom heerst, groeit het besef dat we het inderdaad met heel wat minder kunnen. Het doet me onwillekeurig terugdenken aan een recent bezoek in Ethiopië, waar ik op nieuwjaarsdag met een priester van Gambella aan de grens van Zuid-Soedan enige dorpen bezocht. Het werd een nieuwjaarsdag die ik niet gauw zal vergeten. Deze mensen zullen nooit denken aan hun vakantie, maar alleen hoe ze voldoende eten zullen hebben voor de volgende dag. Ik ging met hen naar de stroom waar de mannen aan het vissen waren, de vrouwen hun schamele kleren aan het wassen waren en de kinderen zoals overal aan het ploeteren waren. Hier dacht men helemaal anders over wat essentieel is in het leven. Ik besloot dit bezoek bij een Italiaanse priester uit Milaan die er nu één jaar verbleef en had gekozen om een paar jaar het leven van deze mensen te delen. Hij deelde er in hun soberheid, maar ook in het hervonden geluk in heel kleine, eenvoudige zaken. “Ben je niet eenzaam hier, zo ver weg van uw geliefden?”, vroeg ik hem. Ja, soms was het hard om te dragen, dat kon hij niet ontkennen, maar hij had hier iets ontdekt wat hij al lang had verleerd: het belang van het kleine goede. En dat kleine goede was op dat moment dat jongetje dat aan zijn deur kwam schreien omdat het zijn voet had verwond en dat door deze priester getroost werd die de wonde verzorgde op een in onze ogen zeer onhandige manier. Maar het kleine goede was er gebeurd: het kind hield op met schreien en in de ogen van de priester straalde iets van een intens gevoel dat hij hier zijn priester-zijn, en eigenlijk zijn medemens-zijn, op een heel concrete wijze gestalte aan het geven was. In zijn eenvoudig kerkje was hij op een even onhandige en in onze ogen weinig artistieke wijze een kruisweg aan het schilderen. Er was nog een open plek, dat was voor de verrijzenis dichtbij het tabernakel. Met Pasen zal hij zeker dit laatste tafereel hebben afgewerkt, maar ik gis hoe dit er zou kunnen uitzien. Want wellicht zal dit steeds één van de moeilijkste taferelen blijven om in vorm en kleur en zelfs in woorden uit te drukken. Maar we mogen het wel in ons hart beleven wat het betekent mensen te zijn die op weg zijn naar die verrijzenis. Misschien zal de dag dat we horen dat de wereld corona-vrij is en dat we opnieuw onze huizen in alle vrijheid mogen verlaten, iets van die verrijzenisvreugde mogen teweegbrengen. Wie had ooit gedacht om de veertigdagentijd dit jaar als gevangenen in eigen huis te moeten doorbrengen! En wellicht zullen we ook Pasen slechts met een ingehouden vreugde mogen vieren. Maar toch zal het ons zeggen dat er leven is na corona, zoals er ook leven is na de dood. Het moge ons een troost en ook een aanmoediging zijn om ons niet door de angst te laten grijpen. Met dit beeld sprak ook Paus Franciscus in zijn homilie voor het lege Sint-Pietersplein, maar gericht aan de hele wereld, verwijzend naar de storm op het meer terwijl Jezus rustig ligt te slapen op de steven van de vissersboot. “Waarom zijt ge zo bang? Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit?” (Mc. 4, 40). Het was Jezus’ antwoord op de noodkreet van de apostelen die nu ook onze noodkreet is: “Meester, raakt het U niet dat wij vergaan?” (Mc. 4, 38). En met één gebaar bedwong Hij de wind en het werd volmaakt stil. Nu is het paradoxaal de stilte om ons heen, veroorzaakt door corona, die ons onrustig en angstig maakt. Maar misschien helpt dit ons om te groeien in die innerlijke stilte, innerlijke vrede en rust die alleen de Heer ons kan geven. Daarom herhalen we de titel van deze overweging: inderdaad, corona helpt ons om te verstillen.

Br. René Stockman

Maart 2020

The day after

Het euthanasieproces voor het Hof van Assisen te Gent is reeds een aantal weken achter de rug en nagenoeg uit de mediabelangstelling verdwenen. Het is niet mijn gewoonte om assisenzaken te volgen, maar nu waren er twee redenen om dit wel te doen. Vooreerst de zaak als dusdanig, een zaak rond euthanasie bij uitzichtloos psychisch lijden en de wijze waarop de maatschappij daarmee vandaag omgaat. Maar ook omdat mijn naam werd genoemd als iemand die betrokken was om de zaak voor het gerecht te brengen. Sommigen hoopten zelfs dat ik daarover onder ede zou getuigen. Ik zou daar geen problemen mee hebben gehad, want mijn betrokkenheid bij het hele proces is nihil, en het vermoeden is alleen ontstaan bij sommigen die via rare kronkels in hun brein tot dit complotdenken zijn gekomen en daarmee nog eens hun gal konden spuwen op de Kerk. Iemand noemde het in mijn plaats gewoon krankzinnig, en dat is het enige juiste woord dat we hier kunnen gebruiken. Ik beschouw het bovendien als laster en eerroof.

Onze grote bekommernis blijft euthanasie bij uitzichtloos psychisch lijden waarbij deze mogelijkheid tot een alternatieve therapie in de geestelijke gezondheidszorg verder zou kunnen uitgroeien. Tal van psychiaters en psychologen gaven reeds aan dat dit niet te verzoenen valt met goede psychiatrische zorg en met de doelstelling en definitie van geneeskunde. Zowel inzake euthanasie als inzake de alsmaar veranderende definities van ‘geneeskunde’ en ‘medische handelingen’ in Vlaanderen en Nederland die door lobbygroepen en de media zonder enige fundering en zonder overleg met de wereldfederaties van artsen worden verspreid, zitten we ook op het terrein van de geneeskunde op een hellend vlak met zeer gevaarlijke consequenties, niet in het minst voor de allerzwaksten in onze samenleving. Wat dit betreft, ligt er een grote verantwoordelijkheid bij de nationale en internationale artsenverenigingen om orde op zaken te stellen. Geneeskunde moet steeds gericht zijn op het genezen, en indien geen genezing meer mogelijk is, heeft de geneeskunde tot opdracht de pijn en het lijden te verzachten. We zijn immers ook geen voorstander van therapeutische hardnekkigheid. En dit geldt evenzeer bij de somatische als bij de psychiatrische geneeskunde. Het klinkt zeer bedenkelijk dat één van de artsen na de vrijspraak in het euthanasieproces verklaarde dat ze méér middelen en mensen nodig had om meer patiënten te begeleiden om de suïcidegedachte die bij hen leeft te verleggen naar een euthanasievraag. Euthanasie evolueert dus verder naar medisch begeleide suïcide en een nieuwe therapievorm in de psychiatrische hulpverlening. Hebben de overheid en samenleving niet de plicht om méér aandacht en middelen te investeren in de zorg voor psychisch gekwetste kinderen en jongeren, voor gebroken gezinnen, voor eenzame personen, voor volwassenen met ernstige psychische problemen, eerder dan zelfdoding in de vorm van euthanasie verder te faciliteren?

Laten we hopen dat het hier op termijn geen economische afweging wordt van kosten en baten. Dat zou het einde betekenen van een humane samenleving.

Indien bij somatisch lijden de onomkeerbaarheid van de aandoening via diagnostische criteria objectief kan worden vastgelegd, is dat bij psychisch lijden helemaal niet het geval. En per definitie is psychisch lijden dikwijls uitzichtloos en creëert het bij de patiënt het gevoel er nooit meer uit te geraken.

Hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg geven aan dat het ‘nu’ voor een mens-in-nood eindeloos kan lijken, maar dat dit niet betekent dat dit ‘voor altijd’ eindeloos is. Bij zwaar psychisch lijden kunnen er plots positieve evoluties optreden die voorheen onmogelijk te voorspellen waren. Daaruit moeten ze in alle eerlijkheid besluiten dat de bestaande diagnosemodellen geen voldoende en sluitende criteria bevatten om een euthanasievraag bij psychisch lijden objectief te evalueren.

Zowat elke zware psychiatrische patiënt vindt van zichzelf dat zijn situatie ‘ondraaglijk’ en ‘uitzichtloos’ is: daarin moeten psychiaters en therapeuten juist verandering proberen te bewerkstelligen. Menig psychiater – en niet alleen in katholieke kringen – geeft bovendien aan dat het behandelen van suïcidale patiënten zo goed als onmogelijk wordt zodra de deur open staat voor hulp bij zelfdoding.

Bij dit alles zou het belang van de menselijke verbondenheid meer moeten worden onderlijnd, verwijzend naar de gekende uitspraak van Nietzsche: “Hij die een reden tot leven heeft, kan vrijwel alle omstandigheden verduren.” Of zoals reeds geruime tijd als ‘slagzin’ op de Nederlandse televisie wordt gebruikt: “Laten we wat meer naar mekaar omzien.” Het creëren en het herstellen van verbondenheid met anderen en aan iemand het gemeende gevoel geven – ook als deel van de professionele begeleiding – dat hij of zij er ondanks een zware psychische aandoening toch nog bij hoort, kunnen hier wonderen verrichten. We hebben de psychiatrische hulpverlening steeds omschreven als de therapie van de relaties, waarbij de persoon zelf van de hulpverlener het instrument bij uitstek is in de behandeling en de begeleiding. Durven we het aan om onszelf als hulpverlener en de kwaliteit van ons professioneel handelen in vraag te stellen wanneer we euthanasie als ultieme ’behandeling’ voorstellen en/of uitvoeren? Blijft de hulpverlening niet in gebreke wanneer men er niet in slaagt de consequentie van de ziekte, namelijk de uitzichtloosheid, te bestrijden en te milderen? En welke dienst wordt aan patiënten geboden als hulpverleners gaan suggereren dat euthanasie een mogelijke ontsnappingsroute is bij psychisch lijden dat op dat ogenblik als uitzichtloos wordt ervaren? Het is een aanbod dat de vraag creëert en stimuleert en andere perspectieven uitsluit of verduistert. In de Amerikaanse staat Oregon bijvoorbeeld, is het aantal zelfmoorden daardoor juist toegenomen.

De geschiedenis van de psychiatrische zorgverlening is er steeds één geweest van telkens opnieuw creatief zoeken hoe men mensen uit een uitzichtloze situatie kon bevrijden. Pioniers in de psychiatrische zorgverlening zochten hoe ze perspectieven konden geven aan mensen, en alle behandelingen die de revue passeerden waren pogingen, soms met matig succes, om de levenssituatie van deze mensen te verbeteren. Deze evolutie wordt mooi geïllustreerd in ons Museum Dr. Guislain te Gent. Gaan we deze trend nu doorbreken met het installeren en formaliseren van euthanasie bij uitzichtloos psychisch lijden?

Het euthanasieproces zou bij vele geneesheren en hulpverleners in de psychiatrie naast onzekerheid voor de eventuele juridische gevolgen ook gewetensproblemen hebben veroorzaakt. Laten we hopen en wensen dat hulpverleners meer nauwkeurig gaan luisteren naar hun geweten en zich niet laten meeslepen door wat een zogenaamde meerderheid denkt die louter op basis van emoties reageert en euthanasie zelfs gaat zien als een werk van barmhartigheid…

Over leven en dood wordt nu eenmaal niet beslist via meerderheden. Ook dat zou de geschiedenis ons moeten leren.

Br. René Stockman

Februari 2020

Via de achterdeur

Op 22 oktober ll. werd een wetsvoorstel ingediend in verband met de opheffing van de geldigheidsduur van de wilsverklaring voor het bekomen van euthanasie. Tot nu toe is deze wilsverklaring vijf jaar geldig, en moet ze dus na vijf jaar vernieuwd worden opdat de euthanasie uitgevoerd zou kunnen worden. Een voorstel was om deze duur te verlengen tot tien jaar, maar na discussie kwam men tot het voorstel om deze geldigheidsduur gewoon op te heffen. Een niet zo onschuldig ‘compromis’.

Maar in het voorstel werd ook een artikel toegevoegd dat toch wel verstrekkende gevolgen heeft en een ruimere draagwijdte heeft dan wat de titel van het wetsvoorstel doet vermoeden. Ik citeer: “Geen enkele arts mag op grond van een overeenkomst worden belet euthanasie toe te passen. In voorkomend geval wordt een dergelijke verbodsclausule als niet geschreven beschouwd.” Het is alsof via een achterdeur van dit wetsvoorstel gebruik wordt gemaakt om een aanslag te plegen op de vrijheid van ziekenhuizen om er euthanasie al dan niet te laten plaatshebben. In de bespreking klonk heel laconiek dat men toch geen ziekenhuizen meer kent waar geen euthanasie wordt toegelaten. Indien dit laatste het geval zou zijn, dan zou deze passage in het wetsvoorstel gewoonweg overbodig zijn.

Met dit aanvullend voorstel worden evenwel drie zaken op scherp gezet: euthanasie zal worden beschouwd als een recht en als een medische handeling en de vrijheid van instellingen om euthanasie al dan niet toe te laten wordt tenietgedaan.

Door te stellen dat ziekenhuizen artsen niet kunnen verbieden binnen hun muren euthanasie toe te passen, wordt euthanasie de facto beschouwd als een recht en een medische handeling. Een ziekenhuis wordt immers geacht geen enkele beperking op te leggen aan geneesheren in het uitoefenen van wat eigen is aan hun beroep. Integendeel, ze moeten aan de geneesheren de mogelijkheid geven alle geneeskundige handelingen te stellen die noodzakelijk zijn voor de behandeling van de patiënt. Voor daden die buiten deze geneeskundige handelingen vallen, heeft het ziekenhuis normaal wel het recht beperkingen in te bouwen en grenzen te bepalen. Dit geldt a priori voor daden die een goede geneeskunde kunnen schaden. Ziekenhuizen met een privaatrechtelijk statuut kunnen derhalve om filosofisch-religieuze en medisch-ethische redenen bezwaren hebben dat bepaalde niet-medische daden in hun ziekenhuis worden uitgevoerd. Dit wordt nu onmogelijk gemaakt door dit voorstel, zoals ook reeds nog veel explicieter is gebeurd in het in de parlementscommissie goedgekeurde voorstel inzake wijziging van de abortuswetgeving, met een open deur naar andere handelingen die niet als een medische handeling kunnen worden beschouwd en waarbij eveneens ethische bezwaren kunnen rijzen.

Wanneer euthanasie tot een recht wordt verheven, is de vraag bijgevolg hoelang een geneesheer en andere betrokkenen uit de medische omgeving waarin ze hun medisch beroep uitoefenen, nog zullen kunnen weigeren deze euthanasie uit te voeren? Eenmaal iets tot een recht wordt verheven, wordt het weigeren om dit als een recht te aanvaarden, gesanctioneerd. Dit is echter een ernstige schending van het grondwettelijk gewaarborgde recht van godsdienstvrijheid en gewetensvrijheid.

We evolueren volop naar een samenleving waarin men de fragiliteit van het menselijk bestaan nog maar moeilijk wil en kan aanvaarden. Mogen we om die reden nog eens waarschuwen voor het reële gevaar van de maatschappelijke druk die hierdoor op de allerzwaksten en meest weerlozen in onze samenleving kan ontstaan om euthanasie nog als enige uitweg te zien? De graad van beschaving van een samenleving kan echter worden gemeten aan de zorg en de middelen die men wil besteden aan de meest hulpbehoevenden.

Wanneer euthanasie wordt beschouwd als een medische handeling, wat is dan nog de waarde van de eed van Hippocrates die nog steeds de ethische code vormt voor het uitoefenen van geneeskunde? Daar zal men het doden op vraag van de patiënt ook moeten toevoegen aan de bepalingen van wat men onder geneeskunde verstaat.

En wat blijft er over van de vrijheid van vereniging voor ziekenhuizen die vanuit een bepaalde filosofisch-religieuze beweging zijn gegroeid en die wensen om hun zorg en behandeling in overeenstemming met hun onderliggende overtuiging uit te bouwen? De opvattingen staan ook haaks op de evoluties op Europees vlak waar een institutioneel gewetensbezwaar erkend wordt (zie Resolutie 1763 van de Raad van Europa d.d. 7 oktober 2010) voor ziekenhuizen en instellingen, inzake onder meer abortus en euthanasie.

Mogen we vragen aan hen die over dit wetsvoorstel zullen stemmen, om daarover grondig na te denken. Het gaat hier immers om véél meer dan een voetnoot waarbij de spreekwoordelijke doos van Pandora nog maar eens verder wordt geopend.

Br. René Stockman

December 2019

Profileren of nivelleren?

Als christen leven in een fel geseculariseerde omgeving is alvast geen sinecure. Het is alsof we in onze heimat, waar we ons eens zo goed thuis voelden, aan het vervreemden zijn. Vrienden beginnen een andere taal te spreken, anderen worden allergisch als we het nog even willen hebben over ons christelijk geloof. Op de werkvloer worden we op hoongelach onthaald wanneer we zeggen dat we nog naar de kerk gaan. Op school durven kinderen niet meer vertellen dat ze misdienaar zijn. De kring van gelijkgezinden waarin we ons toch nog kunnen thuis voelen wordt steeds kleiner, tot het gaat lijken alsof we in een getto zijn terechtgekomen. Heeft de humus waarin onze maatschappij wortel heeft geschoten een transformatie ondergaan? Wat is er met de christelijke wortels gebeurd waarop de gemeenschap waarin we opgroeiden was gestoeld? Ik dacht daaraan toen in onze tuin in Rome alle sinaasappelbomen door een onbekende ziekte verdorden. Was het de uitzonderlijke vorst van vorig jaar die hen fataal was geworden, werden ze aangetast door parasieten of was er iets gebeurd in de grond waarin ze wortelden? Feit was dat ze niet meer te redden waren, ze waren immers tot in de wortel aangetast. Ook onze tuinmannen stonden voor een raadsel en er zat niets anders op dan ze door een nieuwe beplanting te vervangen. De tuin zal er voortaan anders uitzien en we zullen in december het verse fruitsap moeten missen dat traditiegetrouw iedere morgen met een zekere fierheid op onze eigen oogst aan sinaasappelen werd klaargemaakt.

Sommigen beroepen zich volstrekt ten onrechte op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat en de neutraliteit van de overheid om het geloof te reduceren tot een privéaangelegenheid. Daarmee willen ze gelovigen op maatschappelijk vlak monddood maken en hen trachten te verhinderen zich als gelovigen te engageren in de wereld. Het principe van de neutraliteit van de overheid garandeert juist het tegenovergestelde. Het is en blijft onze vrijheid en roeping als christen in de wereld te staan, er verantwoordelijkheid op te nemen en op de plaats waar we leven en werken mee te bouwen aan de komst van het Koninkrijk van God. Geloven kan nooit worden gereduceerd tot een louter binnenkerkelijke aangelegenheid, maar spoort er ons toe aan er ons ganse leven van te laten doordringen. Er zijn geen terreinen waarop ons geloof afwezig kan blijven. Dat we hierdoor bouwen aan het Koninkrijk van God klinkt natuurlijk zeer “gelovig”, maar dit is de opdracht die we van Jezus Christus zelf hebben meegekregen in zijn zendingsrede en wat Hij ons zelf heeft voorgeleefd. Neen, Jezus heeft zich niet opgesloten in een kleine wereld van gelijkgezinden, heeft geen getto gevormd, maar is de wereld ingetrokken om overal waar Hij kwam de Blijde Boodschap te verkondigen en deze boodschap te beleven en concreet gestalte te geven. Jezus heeft ons getoond hoe we een wereld kunnen uitbouwen die een ware afspiegeling is van de wereld die door God bij de schepping werd gedroomd. Het is een wereld waarin Gods aanwezigheid tastbaar en voelbaar is in de wijze waarop mensen met mekaar omgaan, hoe ze met de omgeving omgaan, hoe ze de wereld uitbouwen en hoe ze uiteindelijk ook een plaats geven aan God zelf in hun dagelijkse leven, aan de religieuze dimensie in hun leven. “Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping” (Mc. 16, 15). Heel de wereld en heel de schepping, het kan niet duidelijker klinken! Dat is de plaats waar we als christen actief moeten zijn. De vraag is echter of we daartoe nog de ruimte krijgen en of we niet steeds meer met dilemma’s worden geconfronteerd die ons gelovig in de wereld staan echt bemoeilijken en soms quasi onmogelijk maken. Kunnen we ons met andere woorden nog als christen profileren in de wereld? Of worden we gedwongen ons geloof steeds verder te nivelleren met het gevaar in een sfeer van relativisme terecht te komen, waarvoor Paus Benedictus XVI de gelovigen zo dikwijls waarschuwde? Profileren of nivelleren: voor welke houding kiezen we?

Trachten we op een consequente wijze ons handelen af te stemmen op de evangelische boodschap en laten we er ons geweten door vormen om zo ook invloed uit te oefenen op onze omgeving? Zijn we als christenen nog voldoende het licht, het zout en de gist in de samenleving waartoe we steeds opnieuw vanuit die duidelijke evangelische boodschap van Jezus worden opgeroepen? Op welke wijze zullen we licht in de wereld kunnen laten schijnen in een omgeving die erg verduisterd is en er zich actief tegen afschermt? Op welke wijze zullen we het zout kunnen zijn dat smaak geeft in een omgeving die meer trek heeft in andere smaken? En op welke wijze zullen we het gist in de deeg kunnen zijn wanneer we alle moeite hebben om met onze gist nog in het deeg te geraken?

De vraag is of we als christen passief ondergaan en accepteren wat maatschappelijk ruim wordt aanvaard en meestal ook wettelijk mogelijk is geworden? Of blijven we trouw aan ons geloof en bieden we weerwerk met alle middelen die ons in een democratie daartoe geboden worden? Als christenen schieten we op dat vlak wellicht ernstig tekort. Laten we ons niet teveel afschrikken door sommigen die ons als extremisten afschilderen omdat we enkel op een consequente en radicale wijze de evangelische boodschap gestalte willen geven met respect voor andere overtuigingen. Anderen hebben veel minder schroom om zich met hun radicale boodschap te profileren en de evangelische waarden belachelijk te maken. Hun doelstelling is op een georkestreerde wijze gestalte te geven aan een nieuw soort drievuldigheid waaraan niemand of niets nog kan raken: de absolute vrijheid, autonomie en zelfbeschikking. Dit lijken vandaag de ingrediënten te zijn van een nieuw beleden maatschappelijke religie.

Is het alternatief dan om onze christelijke geloofsovertuiging te nivelleren en ons te laten meesleuren door de heersende maatschappelijke grondstroom? Hopen we op deze wijze toch nog de mogelijkheid te behouden om enige positieve invloed op de omgeving uit te oefenen? We zijn als christenen dan wel héél naïef te denken om met wat schemerlicht op de kandelaar, wat waterig zout in de hand en enige grammen gist in het deeg het debat te kunnen beïnvloeden. De ondermaatse kwaliteit van ons licht, ons zout en onze gist zal het resultaat van dit debat echter niet kleuren.

Nivelleren betekent dikwijls dat we compromissen zullen moeten sluiten met visies en waarden die helemaal niet te rijmen zijn met de evangelische boodschap, met de christelijke waarden, met de christelijke visie op mens en maatschappij. We moeten hier maar denken aan de vele ethische debatten die vandaag worden gevoerd en waar geraakt wordt aan de onvervreemdbare intrinsieke waardigheid van alle leven, vanaf het prille ontstaan tot het natuurlijke einde. Wanneer we vasthouden aan de radicaliteit waartoe de evangelische boodschap ons oproept, zullen we heel vlug stoten op een grens waaraan niet kan geraakt worden. Houden wij daaraan, dan zullen we vlug worden uitgesloten of onszelf moeten afsluiten van deze debatten, omdat we niet anders kunnen dan terug te komen op de essentie van de zaak en het niet zomaar kunnen hebben over een aantal modaliteiten waarbij aan de essentie reeds volledig is voorbijgegaan. Er is een fundamentele grens overschreden, en dan is elk verder debat onmogelijk indien men die grens niet opnieuw respecteert. Maar de gevoerde debatten gaan uit van een totaal nieuwe waardeschaal, van premissen die helemaal niet meer te rijmen zijn met de fundamenten waarop onze christelijke waarden zijn gestoeld en maken daardoor in se iedere verdere dialoog gewoon onmogelijk. Wanneer over de essentie niet meer kan gedialogeerd worden, is het dialogeren over de mogelijke modaliteiten zinloos en zelfs niet aangewezen. Sommigen zien het toch blijven deelnemen aan deze dialogen als een poging om nog wat bij te sturen en om in de huidige situatie zogezegd tot het minste kwaad te komen. Ze proberen in de brand nog een aantal meubelen te redden, ook al zien ze dat het huis zelf niet meer te redden is. We kunnen dat afleiden uit sommige verklaringen, waar opgeroepen wordt om toch na te denken over het hellend vlak waarop we ons bevinden, maar waar nog amper wordt teruggekomen op het onaantastbare dat werd aangetast en alleen nog wordt gewezen op het gevaar van een verdere afglijding. Dat kan een politieke strategie zijn, en christelijke beleidsmakers hebben wellicht geen andere keuze voorhanden om hun stem nog te laten horen, maar dit kan niet de grondhouding en visie worden van de christenen en van de Kerk als dusdanig, want dan ondersteunen deze alleen maar, zij het met een aantal vertragingsmaatregelen, de groei naar een verder relativisme.

Zou het vandaag niet juist van moed getuigen om ons als christenen te blijven profileren, met een radicaliteit waartoe de evangelische boodschap ons oproept, en daarmee profetisch in de wereld te gaan staan? Het gaat er dan om dat we bewust tegenwind blijven geven en blijven hameren op de teloorgang van de basiswaarden waarop ons leven en de wereld als dusdanig worden gebouwd. Kunnen we geen licht meer geven in een sterk verduisterde omgeving, dan kunnen we nog steeds een flikkerlicht zijn dat mensen misschien toch nog doet nadenken over de nefaste evolutie die aan de gang is. Misschien hebben mensen van vandaag juist dit flikkerlicht nodig om halt te houden en een kritische geluid te laten horen bij alles wat van vandaag als ‘vanzelfsprekend’ wordt voorgesteld. Het kan op een piepklein kiezelsteentje lijken dat zich bij het marcheren in onze schoen heeft gewrongen en dat ons wandelen toch wel even hindert. Tot we onze schoen uittrekken en het steentje verwijderen. Maar het heeft onze aandacht opgeëist en ons zelfs even doen halthouden. Flikkerlicht en kiezelsteen-zijn door duidelijke taal te durven spreken en ook consequente handelingen te blijven stellen die tegendraads zijn, niet om zogezegd tegendraads te doen, maar omdat we niet anders kunnen. Hebben christenen dit vandaag ook niet bij voorkeur nodig van hun leiders in plaats van omfloerste en eigenlijk lauwe taal die er toch maar voor zorgt om niemand tegen de borst te stoten?

Kijk naar de woorden van Jezus in het evangelie: die zijn nooit omfloerst en lauw, maar altijd zeer duidelijk en dikwijls ook tegendraads tegen de mentaliteit waarin Hij zich bevond. Klinkt het in het boek van de Openbaring niet uitdagend: “Ik ken uw daden: gij zijt noch koud noch heet. Waart ge maar koud of heet! Omdat gij lauw zijt en noch heet noch koud, daarom zal Ik u uitbraken uit mijn mond” (Apok. 3, 15-16). Wanneer we onszelf steeds maar nivelleren om zogezegd geen stukken te maken, zijn we dan niet als diegene die in de tekst wordt verweten lauw te zijn? We kennen zijn onsmakelijk lot! Wanneer we ons echter blijven profileren, zullen we wellicht ook uitgebraakt worden, maar dan door hen die het in de wereld voor het zeggen hebben. Maar door wie worden we het liefst uitgebraakt, om het nog eens onsmakelijk te bevragen? Laten we daarbij de ultieme woorden van het Matteüs-evangelie niet vergeten waar Jezus ons belooft ons niet in de steek te laten: “Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de wereld” (Mt. 28, 20). Tenslotte is Hij het en Hij alleen die ons de nodige kracht zal geven en blijven geven om staande te blijven zelfs wanneer de golven woest om ons heen slaan. Ook hier ontvingen we een hoopgevend woord van Jezus: “Waarom zijt gij zo bang? Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit?” (Mc. 4, 40). De angst die de apostelen in de boot greep, werd een vrees – noem het groot ontzag – dat hen finaal deed uitroepen: “Wie is Hij toch, dat zelfs wind en water Hem gehoorzamen?”(Mc. 4, 41). Juist omdat Hij er is in ons leven en ons daartoe de kracht geeft, kunnen we niet anders dan ons als christen blijvend te profileren in de wereld en kunnen we de verleiding weerstaan toch maar mee te doen met de massa omdat dit schijnbaar de gemakkelijkste weg lijkt. Voor welke weg gaan wij? Hoe stellen we onze GPS in? Profileren of nivelleren: het blijft een uitdagende vraag, met weliswaar een duidelijk antwoord.

Br. René Stockman

December 2019

Van kolonialisme en missionering naar ontwikkelingssamenwerking: bevrijd van alle vormen van paternalisme?

Het koloniaal tijdperk ligt al ver terug in de geschiedenis.  Van Belgisch Congo herinner ik me nog wel de woelige onafhankelijkheidsstrijd en het versneld terugkomen van de zogenaamde kolonialen.  Ook het beeld van de gevangenneming van Patrice Lumumba is voor altijd op mijn hoornvlies gegrift.  Ik had er als kind nachtmerries van.  Op dat moment was mijn enig contact een klasgenoot die met zijn ouders uit Congo was moeten vluchten en nu vertelde over zijn vroegere zwarte vriendjes die hij miste.  Ik kon toen niet vermoeden dat ik later op een heel intense wijze bij Congo en de naburige Afrikaanse landen zou worden betrokken.

Vandaag wordt heel negatief gekeken naar het koloniale tijdperk, en de ganse ontmanteling en herinrichting van het Afrika-museum in Tervuren is daar een schoolvoorbeeld van.  Niemand kan en zal nog ontkennen dat er triestige bladzijden werden geschreven in het geschiedenisboek van het kolonialisme, dat de moederlanden zich schandelijk verrijkten via slavenarbeid van de inlandse bevolking, dat er opzichters waren die hun bevoegdheden ver te buiten zijn gegaan.  Men kan ook vragen stellen bij het onder dwang overbrengen van de westerse cultuur en religie zonder echt respect te tonen voor de eigen cultuur en religie.  En wat met de opgedrongen democratisering die onvoldoende rekening hield met de bestaande hiërarchische structuren die veelal een etnische grondslag hadden.  Neen, we kunnen de geschiedenis niet herschrijven, maar tegelijk moeten we opletten dat we wat toen gebeurde niet eenzijdig en te vooringenomen gaan lezen met de bril van vandaag, wat te dikwijls gebeurt bij de beoordeling van het verleden.  Het is nu eenmaal bon ton alles wat met het kolonialisme te maken heeft heel negatief te taxeren.  Is er dan niets goeds gebeurd tijdens deze koloniale periode?  Wat met de scholen en de ziekenhuizen die werden opgericht en door broeders en zusters werden bediend en die ook onmiddellijk zorgden dat inlands personeel werd opgeleid?  Was het werk van missionarissen in eerste instantie inderdaad gericht op bekering tot het christendom, het valt niet te ontkennen dat dit ook een ware bevrijding bracht, want daarmee ontkrachtten ze heel wat magische elementen eigen aan het animisme die mensen in de wurgende greep hielden van magiërs en kwakzalvers.  Hun bekeringswerk ging ook steeds gepaard met de zorg voor de algemene ontwikkeling en de levensverbetering van de lokale bevolking. Wat te zeggen over de wegen die overal werden aangebracht en het land ontsloten, waardoor nieuwe vormen van handel en economie konden worden ontwikkeld?  We kunnen dit lijstje nog aanvullen met concrete voorbeelden van kolonialen die op de plaats waar ze leefden en werkten echt ijverden om het levensniveau van de inlanders te verbeteren, en dit deden met grote eerbied voor de eigen cultuur en de plaatselijke gebruiken.  Dus graag wat nuancering bij de vandaag overwegend negatieve afschildering van de koloniale tijd.

Na de koloniale tijd startte de periode van de ontwikkelingshulp.  Ook missionering kreeg een nieuwe invulling en in het zog van het Tweede Vaticaans Concilie zal vanaf de jaren ’60 meer gesproken worden over ontwikkeling dan over missionering.  Naast de missionarissen zouden ook opnieuw leken vertrekken, nu niet meer als kolonialen met overwegend mercantiele doeleinden, maar als ontwikkelingswerker, om een bijdrage te leveren aan de verdere ontwikkeling van het land en zijn volk.  Paus Paulus VI had het in zijn encycliek “Populorum Progressio” uitdrukkelijk over deze ontwikkeling en legde de klemtoon dat het ook in de missionering steeds moest gaan over de ontwikkeling van de hele mens en van alle mensen.  Maar daarmee werd eigenlijk bevestigd wat vele missionarissen tot dan toe hadden gedaan: naast en met het bekeringswerk, noem het de zielzorg,  ook zorg dragen voor de fysieke mens en zijn omgeving via onderwijs, gezondheidszorg, voorzien van drinkbaar water, betere landbouwmethodes, enz.   Maar de slinger ging bij sommigen verder richting globale ontwikkeling, terwijl het bekeringswerk als dusdanig secundair werd.  Niet onterecht kan men zeggen, wanneer men de evangelische boodschap ernstig neemt en ziet hoe Jezus ook concreet zorg droeg voor zieken, armen en bekommerd was om hun levenssituatie te verbeteren en hen terug te brengen in de gemeenschap.  Maar tegelijk mocht toch niet vergeten worden dat bij iedere genezing bij Jezus ook de uitdrukkelijke uitnodiging klonk om zich tot God te bekeren.  Sommigen vroegen zich af of in het verleden het bekeringswerk niet te eng was opgevat als het zoveel mogelijk dopen van zogenaamde heidenen.  Maar ook dit moet opnieuw met de ogen van die tijd worden bekeken, toen de visie gold dat er buiten de katholieke kerk geen heil was.  Het is pas bij het reeds vernoemde Tweede Vaticaans Concilie dat een totaal nieuwe visie en houding tegenover andere godsdiensten werd ontwikkeld vanuit de overtuiging dat men ook zalig kon worden wanneer men binnen de eigen godsdienst een goed leven probeerde te leiden en waarbij ook ruimte kwam voor oecumene met andere christelijke nominaties en interreligieuze dialoog met andere religies. Dus ook hier graag de nodige nuance in de beoordeling, en dit in beide richtingen: bij hen die treuren dat de bekering in het gedrang kwam en bij hen die alleen maar heil zagen in ontwikkeling los van elke vorm van missionering.

Vandaag spreekt men niet meer van ontwikkelingshulp, maar van ontwikkelingssamenwerking.  Men wil duidelijk de klemtoon leggen op het bevorderen van de eigen bijdrage van de lokale bevolking en hen als gelijkwaardige partners zien.  We kennen allemaal de bijna afgezaagde slogan: het is beter iemand te leren vissen dan hem vis te geven.  Neen, voor paternalisme is er geen ruimte meer.  Paternalisme ruikt nog te veel naar kolonialisme en sommigen zullen daar ook gemakkelijk de missionering aan koppelen.  En men wil ook aandacht besteden aan exit-scenario’s, waarbij de samenwerking kan worden afgebouwd wanneer ter plaatse middelen en manschappen aanwezig zijn en vooral vaardig zijn om de activiteiten op een kwaliteitsvolle wijze verder te zetten. Op sommige plaatsen lukt dit wonderwel, vooral in landen waar de politieke overheden de correcte prioriteiten weten te leggen en hun geld niet verkwisten aan oorlog voeren en ten onder gaan aan corruptie tot in de hoogste echelons.  Op andere plaatsen lijken we nog ver weg te zijn van dit exit-scenario en zullen we nog een paar jaar en misschien nog vele decennia nodig hebben  en moeten verder werken, verder samenwerken opdat de basisbehoeften voor een leven in welzijn kunnen worden gegarandeerd.  Onderwijs  en gezondheidszorg blijven hier de activiteiten die om blijvende aandacht vragen.

Ondertussen moeten we ons ook de niet onbelangrijke vraag durven stellen of de moderne ontwikkelingssamenwerking nu totaal ontdaan is van iedere vorm van paternalisme, dat zo gemakkelijk aan het kolonialisme en de missionering werd verweten.  Wat met bijvoorbeeld de programma’s die worden aangebracht of moeten we zeggen opgedrongen om zogezegd de bevolkingsgroei te beheersen?   Het gaat dan vooral over het aanbevelen van anticonceptie en zelfs abortus. Is dat geen  nieuwe vorm van kolonisering, ditmaal een ideologische?   De visie die in het Westen heerst op seksualiteit, op voortplanting, op gender, op het gebruik van anticonceptie en het toepassen van “veilige” abortus  en die er sterk wordt gepropageerd wil men per se overplanten in het Zuiden.  Men vergeet echter dat dit regelrecht ingaat tegen de diepgewortelde pro-life cultuur in Afrika.  Is er een grotere aanval op een eigen cultuur denkbaar dan in te grijpen op terreinen als huwelijk, gezin, seksualiteit, voortplanting.  Men heeft internationaal zware kritiek geleverd op de één-kind-politiek in China, omdat dit in tegenstrijd was met de fundamentele rechten van de mens, maar wat is het verschil met het opdringen en opleggen van anticonceptie en abortus?  Zo is geweten dat de “Bill & Melinda Gates Foundation” in Afrika met honderden miljoenen dollars over de brug komt om anticonceptie en abortus te financieren.  Bij hen is de boodschap en de actie duidelijk, open en direct, en derhalve heeft men de mogelijkheid er ook tegen te reageren, wat op sommige plaatsen ook gebeurt.  Maar dikwijls gaat het eerder om verborgen agenda’s en worden gelden voor ontwikkelingssamenwerking geconditioneerd aan de ontwikkeling van programma’s die anticonceptie en vrije abortus moeten propageren.  Zo zag ik in onze scholen in Congo affiches waar het gebruik van het condoom openlijk werd aangeprezen. Op mijn vraag aan de directie wat hen bezielde om deze affiches op te hangen, kreeg ik als antwoord dat dit “verplicht” werd door de overheid en mee verzonden werd met de salarissen van de leerkrachten.  We herinneren ons het bezoek van President Obama aan Kenia waar hij de politieke leiders aanspoorde om dringend werk te maken om anticonceptie ter beschikking te stellen en om de gay-rechten te respecteren.  We kennen de reactie vanwege de Keniaanse overheid waarbij men de Amerikaanse president heel duidelijk verweet zijn Westerse visie die haaks staat op de Afrikaanse cultuur te willen opdringen.  Dit was een terechte reactie die duidt op een emancipatie waarbij men resoluut weigert zich op ethisch en cultureel vlak te onderwerpen aan het gedachtengoed van de grootmachten in ruil voor hun financiële steun. Maar daar is moed voor nodig, en hoeveel bezwijken er niet voor de dollars en de euro’s die hen worden aangeboden, in ruil voor…  Het getuigt van selectieve verontwaardiging wanneer het paternalisme  van de koloniale tijd wordt aangeklaagd, maar tegelijk de ogen worden gesloten voor een meer slinkse ideologische kolonisering door het Westen dat beweert de waarheid in pacht te hebben m.b.t. verworven rechten als anticonceptie, abortus en alles wat met gender te maken heeft. Dit alles steeds verkondigd onder de noemer van het ideaal van de absolute vrijheid, autonomie en zelfbeschikking.  Sommigen noemen zich de nieuwe missionarissen en voeren een kruistocht om deze verworven vrijheden ook in het Zuiden te gaan verkondigen.  We zien er de gevolgen  van in de Afrikaanse grootsteden waar de westerse mentaliteit reeds voor een groot deel is doorgedrongen.  Met deze zogenaamde vooruitgang die men er bereikt, verschijnt echter ook de negatieve kant van de medaille: een grotere individualisering en een afbraak van de sociale banden die voor Afrika zo belangrijk en eigenlijk wezenlijk zijn; het verlies van de religieuze wortels die eveneens zo wezenlijk zijn; nieuwe verslavingsziekten zoals druggebruik bij jongeren en een grotere promiscuïteit op seksueel gebied met een toegenomen stijging van geslachtsziekten in de steden!

We moeten onze initiële vraag dus genuanceerd beantwoorden en het aandurven om het kader waarin ontwikkelingssamenwerking gebeurt kritisch te analyseren en desgevallend publiek te bekritiseren.  Het is dan ook de opdracht van de ngo’s die betrokken zijn bij ontwikkelingssamenwerking  en die blijk geven van heel veel goede intenties en edelmoedigheid om  voldoende kritisch te zijn en te blijven, zeker wanneer ze geheel of gedeeltelijk afhankelijk zijn van subsidies die hen vaak slechts onder bovengeschetste voorwaarden worden toegekend.

Wat betreft onze acties inzake ontwikkelingssamenwerking dienen we dan ook te concluderen dat we steeds enkele fundamentele vragen voor ogen moeten houden.

Is onze ontwikkelingssamenwerking gericht op de groei van de hele mens en van alle mensen? Brengen we de ontwikkelingslanden tot een grotere zelfstandigheid? Geven we hen de juiste instrumenten om de menswaardigheid binnen hun gemeenschappen te verhogen?  Gebeurt dit alles met respect voor  de eigenheid van de inheemse bevolking? Blijven we een bijzondere aandacht hebben voor diegenen die omwille van hun specifieke levenssituatie gediscrimineerd en gemarginaliseerd worden? Brengen we door onze ontwikkelingssamenwerking ter plaatse ook een positieve mentaliteitsverandering teweeg?
Pas dan kan er sprake zijn van een ontwikkelingssamenwerking zonder een ‘hedendaags’ paternalisme.

Br. René Stockman

November 2019

Het water wordt steeds dieper

Euthanasie bij voltooid leven, levensbeëindiging bij dementie uit het strafrecht, euthanasie bij psychisch lijden nog te veel paternalistisch behandeld, abortus uit het strafrecht en nu optrekken tot 18 weken of zelfs tot 24 weken zoals in Nederland: het zijn titels die dagelijks verschijnen in onze kranten geïllustreerd met dito getuigenissen. Iemand doet er een doctorale studie over en krijgt daarvoor ruim aandacht. Anderen verhalen wat hen met hun demente moeder is overkomen. Bekende Vlamingen passeren in rij om te getuigen dat ze als ze hun leven voltooid vinden het roer in eigen handen willen nemen om uit dit leven te stappen. Iets wat bij iemand een publiek geheim was, wordt nu in alle openhartigheid publiek verkondigd. En de cava gaat weer vloeien om het afscheid van het leven te vieren. Wat is er aan de gang? Welke strategie en politieke agenda zitten er achter deze mediatieke aandacht die maar blijft hameren op dezelfde nagel. Andere thema’s worden normaal vlug afgevoerd wanneer herhaling dreigt, maar hier kan er blijkbaar niet genoeg herhaald worden.

De liberalen nemen het voortouw om alle hinderpalen die de zelfbeschikking en de autonomie nog zouden kunnen belemmeren definitief neer te halen. Hierbij blijkt nogmaals dat dit hun eigenlijk agendapunt is terwijl euthanasie en abortus eerder de kruiwagens zijn om hun waar aan te brengen. Dit bleek reeds toen ze een niets ontziend pleidooi hielden om euthanasie uit te breiden naar minderjarigen toe. Alsof alle minderjarigen daarop zaten te wachten. Minderjarigen werden plots bekwaam geacht autonoom te oordelen over het meest edele dat hen in handen was gelegd: hun leven. Toen deskundigen het toch waagden daartegen te reageren werd duidelijk gesteld dat het hen in eerste instantie ging om de zelfbeschikking ten allen prijzen te verabsoluteren, en niet zodanig om de euthanasie bij deze minderjarigen. Niets of niemand mocht daar nog iets tegen inbrengen. Vandaag zijn de reacties opnieuw schaars, omdat het inderdaad heel onsympathiek klinkt om de zelfbeschikking en de autonomie in vraag te stellen of terug te schroeven. Wie zou zoiets aandurven? Het is alsof men terug gaat in de tijd. Alle mogelijke argumenten die worden aangebracht om zich toch even af te vragen welke weg we aan het inslaan zijn met de verdere liberalisering en legalisering van zowel abortus als euthanasie worden met emoties weggeveegd en monddood gemaakt. Emoties doen het vandaag, niet meer de argumenten. Zijn we dan zo onbarmhartig geworden dat we mensen onnodig willen laten lijden of hun lijden verlengen en dat we geen oor hebben voor leed van vrouwen die met een ongewenste zwangerschap worden geconfronteerd klinkt het dan met grote verontwaardiging. Neen, onbarmhartig wil toch niemand zijn!

Voor mij liggen twee documenten die het toch aandurven met argumenten weerwerk te geven en zich niet vast te rijden in de absoluut verklaarde zelfbeschikking en zelfs het woord “doden” nog in de mond durven nemen wanneer over euthanasie wordt gesproken. Maar over deze twee documenten heb ik tot nu toe geen woord gevonden in de media.

Vooreerst de “World Medical Association”, en voor diegenen die niet weten wat dit is: het is de overkoepelende organisatie van de nationale medische beroepsverenigingen waarbij niet minder dan 113 landen zijn aangesloten met in het totaal een lidmaatschap van zeg maar 10 miljoen geneesheren. Dus niet niets! In hun jaarvergadering die plaats had in Tbilisi in Georgië hebben ze hun visie geaffirmeerd en nog versterkt dat ze als overkoepelende organisatie van geneesheren een absoluut respect voor menselijk leven behouden en daarom uitdrukkelijk iedere medewerking aan euthanasie en medisch begeleide suïcide volledig afkeuren. Euthanasie en medisch begeleide suïcide beschouwen ze als onethisch en niet te verenigen met de medische praktijk. Tegelijk stellen ze, en dit rekening houdend met de realiteit dat in sommige landen het uitvoeren van euthanasie wettelijk bepaald is, dat geen enkele geneesheer verplicht kan worden noch aan euthanasie noch aan medisch begeleide suïcide zijn medewerking te geven. Van duidelijke taal gesproken.

Uit een totaal andere hoek verscheen heel recent, op 28 oktober 2019, een gezamenlijke verklaring van de Abrahamse monotheïstische religies, wat in realiteit alle christelijke, islamitische en joodse nominaties betekent, dus ook geen kleine groep op wereldniveau, die zich formeel en radicaal verzetten tegen euthanasie en medisch begeleide suïcide en vragen dat dit zonder uitzondering zou worden verboden. In dezelfde lijn als hun medische bondgenoten stellen ze dat geen enkele gezondheidswerker verplicht kan worden aan deze praktijken mee te werken en dat de persoonlijke ethische waarden op dit vlak steeds moeten gerespecteerd worden. Gewetensbezwaren in verband met aangelegenheden die het leven en de dood betreffen dienen volgens hen universeel gerespecteerd te worden. Het is eerder zelden dat deze drie grote religieuze nominaties tot een gezamenlijke verklaring komen, zodat een verklaring uit deze hoek toch niet onopgemerkt kan worden opzijgeschoven.

Wanneer we deze twee verklaringen lezen en deze plaatsen tegenover alle artikelen en opinies die we de laatste weken in Vlaanderen voorgeschoteld krijgen, lijkt het water dat de argumenten van de emoties doet scheiden alleen maar dieper te worden. Een maatschappij die het zo hoog op heeft met persoonlijke vrijheid en tolerantie wordt wel heel onvrij en intolerant wanneer ze weigert om nog te luisteren naar argumenten gebracht vanuit wetenschappelijke en filosofisch-religieuze hoek. Want daar lijkt het toch op. Hier worden nochtans wel overwogen visies naar voren gebracht waarbij gevraagd wordt de absoluut verklaarde zelfbeschikking in bepaalde gevallen toch te conditioneren. Want het respect voor het leven als dusdanig zal steeds een grotere absoluutheid opeisen dan de zelfbeschikking over dit leven. Het is toch logisch dat het voorwerp waarover we beschikken steeds belangrijker en groter is dan de beschikking erover. Wellicht zullen we in de politieke wandelgangen echter hetzelfde horen als toen het ging om de euthanasie voor minderjarigen mogelijk te maken en zal men weigeren op de essentie van de zaak in te gaan en naar argumenten uit andere hoeken te luisteren. Aan de zelfbeschikking en de autonomie kan immers niemand of niets nog raken! Alles en iedereen die daaraan zou willen of kunnen raken wordt onmiddellijk monddood gemaakt en zelfs beschuldigd van asociaal gedrag. En met een bijzonder allergie als vanuit religieuze hoek iets van dien aard wordt aangebracht. Terwijl het respect voor het leven, ware solidariteit en meeleven met hen die lijden en verder zoeken hoe we hen die lijden echt nabij kunnen zijn en nabij kunnen blijven als universele verworvenheden kunnen worden beschouwd van een voortschrijdende beschaving. Aan dit fundament van onze beschaving wordt geraakt wanneer de goegemeente met emoties wordt overspoeld of moeten we zeggen geïndoctrineerd om euthanasie te verheffen tot het vijftiende werk van barmhartigheid. Van oneigenlijk gebruik van religieus geconnoteerde woorden gesproken. Dat alles om de nieuwe afgod van de zelfbeschikking toch op zijn voetstuk te houden en nog te verstevigen. Klinkt het hier zelfs niet paradoxaal dat het leven zelf op de weegschaal wordt gelegd tegenover de zelfbeschikking om uiteindelijk waarover men wil beschikken te verliezen? Inderdaad, het leven als dusdanig staat hier op het spel, en niemand weet hoever ons dit uiteindelijk zal leiden. Toch wel echt om bekommerd te zijn en een reden om onze kunstmatig gecreëerde en gestimuleerde emoties even opzij te zetten en naar de overkant te kijken van de waterplas die ons scheidt en te luisteren naar argumenten die ons van daaruit in alle eerlijkheid worden aangebracht. Of leeft men in Vlaanderen nu echt in de illusie dat men er de volle waarheid in pacht heeft en dat anderen die er een andere visie op nahouden het allemaal verkeerd voor hebben? Dit lijkt heel sterk op een tunnelvisie waarbij nog één weg wordt opengelaten en waar eenieder gedwongen wordt deze weg te volgen, en dat onder de slogan van nieuwe verworvenheden die luisteren naar de namen vrijheid, autonomie en zelfbeschikking.

Br. René Stockman

November 2019

Voor de hele mens en voor alle mensen

Ware ontwikkeling heeft steeds te maken met de hele mens en met de gehele mensheid.  Wat voor ons telt is de mens, iedere mens, iedere groep van mensen en de mensheid is haar geheel.  Als ontwikkeling niet de gehele mensheid en iedere mens betreft is er geen sprake van ware ontwikkeling” (nr. 16-17).  Het is met deze tekst van Paus Paulus VI uit zijn encycliek “Populorum Progressio” dat ik deze spreekbeurt wil beginnen.

Nadenken hoe we een echte bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van de mens en van de gehele mensheid, noopt ons duidelijkheid te creëren over het mensbeeld dat we hanteren en hoe we dit mensbeeld kunnen helpen realiseren doorheen onze concrete handelingen.  Het gaat steeds over een visie en een missie.

Onze visie moet vertrekken vanuit een christelijk mensbeeld dat zich vertaalt in een holistische en personalistische visie op de mens.

En het is deze visie die zich zal laten vertalen in een duidelijke missie waar de klemtoon steeds zal moeten liggen op een constante zorg hoe we de kwaliteit van het leven kunnen verbeteren en van daaruit hoe we de menselijke waardigheid van iedere mens zullen kunnen verdedigen, promoten en herstellen.

Het is deze visie en missie die ons zal oproepen tot caritas, tot solidariteit, tot een strijd voor het absoluut respect van alle leven en voor een constante en steeds groeiende aandacht voor vrede, gerechtigheid en heelheid van de Schepping.

Hiermee heb ik de samenvatting gegeven van mijn spreekbeurt en tegelijk de verschillende ingrediënten die we wat nader zullen bekijken.

      1. Onze missie vanuit een christelijke visie op de mens en de wereld.

Alles begint met een duidelijke visie op de mens en de wereld.  Het mensbeeld dat we cultiveren en willen cultiveren is onze uiteindelijke basis en tegelijk oriëntatie, en iedere handeling die we al dan niet stellen heeft met de promotie of de afbreuk van dit mensbeeld te maken. Het gaat over de vraag of het mensbeeld dat door ons handelen ontwikkeld wordt humaan is, menswaardig is en zelfs tot een hogere humaniteit leidt.  De gekende Nederlandse ethicus Sporken gebruikte hierbij de term “het humaniteitskarakter van het mensbeeld”. En filosofen als Martin Buber en Emmanuel Levinas geven de opdracht mee dat in alles wat we doen de bevordering van de menswaardigheid voorop moet staan, terwijl Paul Ricoeur het uitdrukt dat we in alles wat we doen steeds moeten streven naar een zo hoog mogelijke menswaardigheid.

In onze reflectie over de mens willen we ons laten leiden door de catechese die Paus Johannes Paulus II heeft ontwikkeld tijdens zijn wekelijkse audiënties van 5 september 1979 tot 28 november 1984 en die bekend staan als de “Theologie van het lichaam”. Ze geeft een zeer verhelderende visie op de sacraliteit, de heiligheid van het lichaam.  In de “theologie van het lichaam” is dat één van de fundamenten, dat de mens geen lichaam heeft, maar zijn lichaam is, dat de mens niet op te splitsen is in een spirituele natuur en een lichamelijke natuur, maar dat hij een menselijke natuur heeft die zowel spiritueel als lichamelijk is.

Uitgangspunt is dat de mens door God is geschapen, naar Zijn beeld en  gelijkenis, en dat hij bestemd is om in God zijn voltooiing te vinden.  De mens op deze wereld is als het ware op weg van God naar God, hij is een pelgrim op aarde: God is zijn oorsprong en God is zijn bestemming.

Het originele van de “theologie van het lichaam” zit in het feit dat Paus Johannes Paulus de mens bekijkt vanuit drie oogpunten: nl. zijn oorsprong, zijn huidige situatie en zijn uiteindelijke bestemming, met de vraag deze steeds samen te houden.

Het boek Genesis leert ons heel veel over de oorsprong van de mens en ook over de wijze zoals we de mens nu kennen, de wijze waarop we nu ons mens-zijn beleven.

Het boek Genesis geeft een antropologische reflectie over de oorsprong van de mens en hoe de mens is geëvolueerd tot op vandaag.  Paus Johannes Paulus noemt het de originele mens en de historische mens.

In origine is de mens geschapen door God naar zijn beeld en gelijkenis, en God zag dat het goed was, zegt de Schrift. Dat is een belangrijke uitdrukking, want dat zegt enerzijds dat we Gods beeld in ons dragen en anderzijds dat we als een goed zijn geschapen. De mens is geschapen om in relatie te treden met de andere mens. Hij werd als medemens geschapen, niet als individu. De mens leefde in volledige harmonie met God, met zichzelf, met de medemens en met de omwereld. Dat was het “aards paradijs”, dat was de paradijservaring. Het is van deze paradijservaring dat we allemaal dromen en waarnaar we allemaal hunkeren.

Maar deze paradijservaring is vergane glorie, want in onze vrijheid is het kwade geslopen en heeft onze originele harmonie verbroken. De menselijke vrijheid moeten we zien als een geschenk van God die ons de mogelijkheid biedt om ten volle te kunnen delen in de goddelijke liefde. Liefde kan immers nooit worden opgedrongen, alleen maar in vrijheid worden aanvaard. Dat is de reden dat God ons geschapen heeft met die unieke menselijke eigenschap: de vrijheid. Het is de vrijheid die ons doet onderscheiden van alle andere schepselen. Maar die vrijheid was essentieel voor ons mens-zijn, voor ons geschapen-zijn met als doel om te kunnen delen in Gods liefde.

In het verhaal van de schepping komt een keerpunt wanneer het kwade in de mens treedt in het beeld van de slang die de mens verleidt. De vrijheid, die de ingangspoort was van de goddelijke liefde, werd tevens de ingangspoort van het kwade, van wat juist de goddelijke liefde uitsluit, verdringt. Door in te gaan op de uitnodiging van het kwade, door verleiding niet te weerstaan zijn eigen god te willen worden, werd de harmonie in de mens verbroken. Het is het verhaal van alle tijden, ook van ons eigen leven: de verleiding onze eigen god te willen zijn, de schepping en zelfs de mens naar onze hand te willen zetten. Het is het verhaal van de gebroken harmonie: de mens die zich gaat verstoppen voor God, die mens die in conflict komt met de medemens en die uit jaloersheid de andere probeert uit te schakelen, de mens die zijn harmonie verliest met de natuur en diep in zichzelf deze gebrokenheid voelt en ervaart.

Op het moment dat het kwade de harmonie in de mens verstoorde, zodat we moeten spreken van een gebroken harmonie, heeft God in feite twee zaken gedaan, om de mens te helpen om niet volledig onder te gaan in deze gebroken harmonie.

Het eerste is de transformatie van zijn liefde in barmhartigheid: medelijden voor het lijden van de mens en vergeving voor de zonden van de mens. Medelijden en vergeving zijn twee uitdrukkingen van Gods liefde, waarbij Hij aan de mens de mogelijkheid heeft de gebroken harmonie te lijmen, om dit beeld te gebruiken, zonder ze volledig te herstellen. Want het kwade is er steeds om de gelijmde potten opnieuw te breken. Maar Gods barmhartigheid is onvermoeibaar om steeds de gebroken potten opnieuw te lijmen.

Het tweede initiatief van God is fundamenteler, meer ingrijpend. Door zelf mens te worden en zich als het ware zelf te laten grijpen door het kwade in de dood op het kruis, heeft God afgerekend met de absolute macht van het kwade door aan het leven en niet meer aan de dood het laatste woord te geven. Dat is onze verlossing: sinds de dood en de verrijzenis van Jezus zijn we als mens niet meer onderworpen aan de dood, maar staat de verrijzenis in het vizier, is onze uiteindelijke bestemming in God opnieuw verzekerd.

Ik weet dat ik met grote passen de theologie van het lichaam zoals uitgewerkt door Paus Johannes Paulus ben doorgewandeld, maar het geeft ons aanknopingspunten om een beeld te schetsen van de mens, van het christelijk mensbeeld dat we als uitgangspunt en oriëntatie van ons handelen willen nemen.

Dat mensbeeld zouden we als volgt kunnen samenvatten:

      • We zien ieder mens als een uniek wezen, geschapen door God, vanuit zijn liefde, naar zijn beeld en gelijkenis. Iedere mens is dan ook geroepen om Gods liefde te beantwoorden met zijn leven gericht op God. In iedere mens is het goddelijke gelaat aanwezig, in iedere mens ontwaren we de goddelijke origine, ook in deze mens die door de omstandigheden van het leven getekend is of die zijn mens-zijn ondermaats beleeft. In het lichaam ontdekken we dit beeld en gelijkenis van God, wat het lichaam een specifieke waarde heeft en noopt tot een onvoorwaardelijke eerbied voor iedere mens en zijn lichaam, vanaf zijn geboorte tot aan zijn natuurlijke dood. In de mens eerbiedigen we zijn Schepper.
      • Iedere mens is geroepen tot gemeenschap. Dit brengt de verantwoordelijkheid met zich mee dat iedere mens zich moet inzetten voor het welzijn van de medemens. In de liefde voor de medemens toont de mens in deze tijd zijn liefde tot God.
      • Iedere mens is verlost door Christus. Hij blijft weliswaar onderhevig aan de machten van het kwaad, maar deze macht heeft zijn absoluut karakter verloren. Iedere mens staat derhalve voor de opgave deze verlossing te beleven, door zich open te stellen voor Gods genade en met eigen inspanning het geschonden beeld van God in hem te herstellen.
      • Iedere mens is geroepen tot de verrijzenis en een leven totaal opgenomen in Gods liefde. Dat is zijn en onze eindbestemming. Dat perspectief moeten we nu reeds cultiveren en moet ons leven een bijzondere kleur geven. Vanuit dit perspectief zijn er geen hopeloze situaties meer en kunnen we in de meest uitzichtloze situaties hoop blijven geven en vinden.

We gaan nu met deze elementen verder op stap en hernemen de titel van dit referaat: “Voor de hele mens en voor alle mensen”.

Voor de “hele mens”, duidt op een holistische visie op de mens. We zouden kunnen zeggen dat de mens wordt uitgenodigd om in zijn menselijke ontwikkeling steeds de originele harmonie voor ogen te houden en te zien hoe hij deze harmonie kan herstellen, zij het nooit volledig.  Het blijft een streven naar grotere harmonie.

De mens wordt uitgenodigd in grotere harmonie te leven met zijn verschillende levensdimensies, met de verschillende levensterreinen waarin hij zich kan ontplooien en met de verschillende levensrealiteiten waarmee hij in relatie kan treden.

Wanneer we het hebben over de verschillende levensdimensies van de mens, dan hebben we het over de mens als een fysische, psychische, sociale en existentiële eenheid. De harmonische uitbouw van het leven bestaat er nu juist in dat men bewust aandacht besteedt aan deze verschillende levensdimensies, dat men geen dimensies over beklemtoont en andere negeert en dat men bewust leert omgaan met de verschillende dimensies die met elkaar interfereren. Dit zal een grote rol spelen in onze eigen ontwikkeling maar ook in de wijze dat we andere mensen begeleiden, verzorgen, met hen op weg gaan. Vandaar dat men spreekt van een holistische zorg, een holistische opvoeding. En dan wordt juist de aandacht gevraagd opdat alle dimensies van de mens zouden worden ontwikkeld, verzorgd.

Misschien moeten we vandaag heel speciaal aandacht besteden aan de existentiële dimensie bij de mens, vanuit de vaststelling dat dit dikwijls de meest verwaarloosde dimensie is. Het is de dimensie waar de zinvragen ontstaan, en waar ook het geloof en het spirituele een grote rol kunnen spelen om de diepere zin van het bestaan te ontdekken.

Iedere mens heeft de behoefte zich te ontplooien. Hij wil zichzelf realiseren, hij wil ten volle zichzelf worden. We luisteren even naar de filosoof Levinas, die stelt dat de zelfstandigheid, het zich ontplooien van de mens, steeds begint met de inwendigheid. Aan de gerichtheid naar buiten gaat een beweging naar binnen vooraf. Hij noemt het de “repli en soi”. De echte realisatie, aldus Levinas, gebeurt niet in eerste instantie in de actie, maar in de inwendigheid, het echt thuis komen bij zichzelf, waarna de beweging naar buiten kan worden gemaakt.

En dat realiseren van zichzelf, nog steeds volgens Levinas, gebeurt steeds in drie levensterreinen: het genieten, de arbeid en het wonen. Heel het leven zit vervat in deze terreinen en alles kan tot deze drie terreinen worden herleid. We zijn steeds actief in één van deze terreinen: of we genieten van iets, of we presteren via de arbeid of we zijn op zoek naar een ware thuis. En ook hier klinkt het adagium dat het belangrijk is dat we tot een zeker evenwicht komen binnen deze drie terreinen.  Iemand die er nog alleen op uit is van te genieten, zal zich heel vlug leeg voelen. Wanneer ik even de link maak met de psychiatrische zorgverlening en verwijs naar de sociotherapie, waarbij gewerkt wordt aan de rehabilitatie en de resocialisatie van psychiatrische patiënten na een langdurig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis, dan zal men juist aandacht besteden aan deze drie levensterreinen. Mensen moeten geholpen worden om opnieuw zelfstandig te kunnen wonen, en soms hebben ze tijdelijk een beschutte woonvorm nodig. Mensen moeten geholpen worden om opnieuw aan het werk te kunnen gaan, en soms hebben ze tijdelijk een beschutte werkplaats nodig. En mensen moet geholpen worden om opnieuw gezond te kunnen genieten, en ook hier hebben ze begeleiding nodig, want vele vormen van verslaving hebben juist met dit levensterrein te maken.

We leren hier vooreerst het belang van de inwendigheid die aan de beweging ad extra voorafgaat. Gunnen we onszelf nog voldoende inwendigheid, voldoende rust, tijd voor reflectie, voor gebed? Is er in onze dagorde van iedere dag daarvoor een vrije ruimte gecreëerd, of laten we eerder aan het toeval over? Misschien goed om daarover eens grondig na te denken.

En anderzijds worden we uitgenodigd om na te denken over deze drie levensterreinen die ons actieve bestaan omkaderen: zitten we hier in een goed evenwicht? Welk terrein is hier bedreigd? Iemand die werkzoekende is kan op termijn echt in de knoei raken met zichzelf omdat hij zijn leven zonder werk als echt zinloos gaat ervaren. Het is dan bijvoorbeeld een kleine stap om zich te storten in het genieten, om weg te dromen van de werkelijkheid en om uiteindelijk in de verslaving terecht te komen.  Dus allemaal zeer herkenbaar.

Er is nog een derde invalshoek die in onze holistische visie op de mens van belang is: het zijn de levensrealiteiten waarmee de mens geconfronteerd wordt en die hem van individu tot een persoon omvormt. En dan gaat het uitdrukkelijk over de relaties: de mens in relatie met zichzelf, met de medemens, met de omgeving en met God. Het is tegelijk via deze relaties dat de mens probeert zijn gebroken harmonie te herstellen. Hier wordt de mens ook getransformeerd van individu, gesloten in zichzelf tot een persoon, open  voor de realiteit om zich heen.

In de filosofie werd heel terecht het personalisme ontwikkeld als duidelijke reactie tegen het collectivisme dat de Westerse wereld in de eerste helft van de twintigste eeuw grondig tekende onder de invloed van het communisme, dat grote delen van de wereld innam.

In België was het vooral Prof. Louis Janssens die begin de jaren ’60 aan de Leuvense universiteit een personalistisch mensbeeld als maatstaf voor de ethiek ontwikkelde.  Vandaag kan dit ook beschouwd worden als een krachtig antwoord tegen het individualisme, dat steeds meer uitbreiding kent en de mens van zijn sociale dimensie losweekt.

Janssens onderscheidde in zijn personalistisch mensbeeld acht dimensies van de menselijke persoon, en u zult zien dat ze verband houden met de zojuist genoemde vier levensrealiteiten. Janssens ziet de mens als een subject, als een subject in lichamelijkheid, met een lichaam dat een deel is van de materiële wereld, de mens die wezenlijk op elkaar is gericht, de mens die nood heeft aan een leven in sociale groepen en daarvoor passende structuren nodig heeft, de mens geschapen naar Gods beeld en geroepen om God te kennen en te beminnen, de mens als historisch wezen en de stelling dat alle mensen fundamenteel gelijk zijn en tegelijk uniek.

Het is vanuit dit mensbeeld dat moraaltheologen en ethici hun eigen ethisch denkkader hebben ontwikkeld, dat we nu kennen als de personalistische ethiek. In de personalistische ethiek wordt duidelijk uitgegaan van de mens in zijn totaliteit en probeert men de verschillende dimensies van de mens in kaart te brengen. Een daad wordt er ethisch gewaardeerd in het licht van de mens in zijn totaliteit.  Voorop staat het “goede leven” en alle waarden die vervuld moeten worden om dit goede leven te bereiken en te bevorderen.

Het is hier niet de plaats in verder in te gaan op de personalistische ethiek, de kansen en de beperkingen die deze inhoudt, maar alvast mag het duidelijk zijn geworden dat het christelijk mensbeeld dat we voorhouden een holistische en tegelijk personalistische visie op de mens huldigt. Het is met en vanuit deze visie dat we nu de stap willen zetten naar onze missie, m.a.w. hoe laten we onze mensvisie onze concrete handelingen naar mensen toe en met mensen kleur en richting geven.

      1. Onze missie gericht op de zorg voor de kwaliteit van het leven en de promotie van de menselijke waardigheid.

Een visie, waar men steeds moet mee beginnen, wordt slechts vruchtbaar als ze haar vertaling vindt in een duidelijke missie, die heel concreet richting wil geven aan ons handelen.

Voor onze reflectie vandaag zou ik twee elementen heel speciaal in de verf willen zetten en die m.i. de hoofdingrediënten uitmaken van onze missie als christen in de wereld van de zorg, van de opvoeding, van iedere vorm van inzet voor het welzijn van medemensen. Het gaat of het zou steeds moeten gaan over de zorg om de kwaliteit van het leven te verbeteren en onze bekommernis om de menselijke waardigheid te verdedigen, te promoten en te herstellen.

We willen even dieper ingaan op deze twee begrippen: kwaliteit van leven en menselijke waardigheid.
Wanneer we het hebben over de kwaliteit van het leven zal het steeds te maken hebben met elementen die we hebben aangegeven als onderdelen van het mensbeeld die we willen bevorderen. We zullen ons steeds moeten afvragen of we bij een bepaalde handeling de kwaliteit van leven verbeteren. Probleem is echter dat dit moeilijk meetbaar is en dat het bepalen van het feit of er al dan niet levenskwaliteit aanwezig of afwezig is in eerste instantie toekomt aan de persoon in kwestie en dat het daarom steeds moeilijk is om de levenskwaliteit bij een ander in te schatten. Levenskwaliteit is een subjectief begrip. Tegelijk, vooral vanuit onze holistische en personalistische visie op de mens, moeten we ons de vraag stellen of levenskwaliteit als een optelsom kan worden gezien van de kwaliteit die afzonderlijk aan de verschillende dimensies en terreinen van het leven worden gegeven, of dat er iets is dat die optelsom overstijgt. Valt met andere woorden de uiteindelijke zin van het leven samen met het hebben van deze kwaliteitsvolle ervaringen, of heeft het eerder met het zijn van de mens als dusdanig te maken. En hier kunnen we dan van het existentiële als de overkoepelende zinservaring spreken: de mens die zelfs bij het heel miniem worden van de kwantificeerbare levenskwaliteit op verschillende terreinen, toch nog zin kan hebben in het leven als dusdanig. Het “zijn” als mens is steeds meer en ruimer dan het “hebben” van levenskwaliteit.

Teneinde dit wat verder uit te diepen, zou ik een onderscheid willen maken tussen wat we kunnen noemen de essentiële en de accidentele kwaliteit van het leven.

Wanneer we het hebben over de verschillende elementen die de kwaliteit van het leven uitmaken, verwijzend naar de verschillende elementen die we in ons mensbeeld probeerden te onderscheiden, dan gaat het meestal over wat we zouden kunnen noemen de accidentele kwaliteit. Het gaat dan over onderdelen die ieder op zich belangrijk zijn, op de één of andere manier te meten zijn, maar tegelijk slechts ten dele en nooit volledig de echte levenskwaliteit kunnen bepalen. Het is evenwel zeer belangrijk om werk te maken, bijvoorbeeld in de gezondheidszorg en de therapeutische begeleiding, om de kwaliteit binnen deze verschillende terreinen te verhogen. Wanneer men pijn heeft, wat zich situeert op het fysische vlak, en deze pijn is zodanig dat ze de levenskwaliteit ernstig aantast, is het van belang dat men zoekt hoe deze pijn te verminderen en te beheersen om zo de kwaliteit van het leven in zijn globaliteit, dus in zijn essentie te verhogen. Dat is ten andere één van de belangrijke elementen in de palliatieve zorg en de ervaring leert dat mensen die bij extreem lijden zelfs denken aan euthanasie bij een verbeterde pijncontrole opnieuw zin vinden in het leven. Voor hen was het hebben van pijn en het leven komen samen te vallen, en eenmaal de pijn onder controle komen ze in staat om opnieuw het onderscheid te maken. Hun vraag om verlost te worden uit het leven was eigenlijk de vraag om verlost te worden van de pijn. Het is deze “zin” in het leven die we dan de essentiële kwaliteit van het leven kunnen noemen.

De essentiële kwaliteit van het leven ziet de mens als mens in zijn totaliteit, echt holistisch en personalistisch, en ook al zijn deelelementen verstoord, is met andere woorden dat accidentele kwaliteit van het leven negatief gekleurd, de essentiële kwaliteit van het leven blijft behouden, wordt daardoor wel verstoord maar niet fundamenteel aangetast of weggenomen. Het gaat hier dan over de objectieve waarde van het leven, de levenszin die te maken heeft met de menselijke waardigheid, de eigenlijke kern van ons mens-zijn.

Het is een visie met een verstrekkend gevolg, heel actueel in de huidige discussies over het al dan niet toestaan van euthanasie, waar dikwijls gegoocheld wordt met het begrip kwaliteit van leven en vooral gebrek aan kwaliteit van leven als argument om de euthanasievraag in te willigen en de euthanasie als dusdanig dan te zien als een werk van barmhartigheid waarbij men de mens verlost uit een leven dat alle kwaliteit heeft verloren. Het onderscheid tussen de accidentele en de essentiële kwaliteit van het leven zag ik zeer duidelijk bij mijn eigen moeder die vorig jaar op hoge leeftijd overleed. Haar accidentele levenskwaliteit ging gestaag achteruit, ze moest steeds meer geholpen worden in het vervullen van haar basisbehoeften. Soms klaagde zij daarover uitdrukkelijk. Maar ondanks deze achteruitgang van haar accidentele levenskwaliteit, bleef ze positief gehecht aan het leven en vond ze nieuwe wegen om van kleine zaken te genieten. We kunnen zeggen dat haar essentiële kwaliteit van het leven overeind bleef omdat ze erin slaagde het leven als dusdanig te blijven waarderen.

Dit wordt ook zeer duidelijk beschreven door Prof. Herman De Dijn in zijn artikel “Palliatieve zorg: in dienst van meer levenskwaliteit”. Ik citeer hier een deel uit dit artikel: “Ons ethisch besef, ons geweten, vertelt ons dat elke mens een speciale waardigheid bezit waardoor hij of zij nooit gereduceerd kan worden tot een middel; de mens is ‘hors commerce’. Geen enkel leven, hoe onbenullig of miserabel ook, mag in dienst staan of opgeofferd worden voor de veiligheid of levenskwaliteit van anderen. Die elementaire waardigheid komt elke mens toe, ongeacht zijn kwaliteiten of prestaties, ongeacht wat die mens van zichzelf en van zijn leven vindt. De  menselijke waardigheid strekt zich zelfs uit tot buiten de grenzen van het menselijke leven: ze geldt ook op een of andere manier voor het ongeboren leven en de doden.  eze elementaire waardigheid kan een mens niet verliezen; ze kan wel miskend of met voeten worden getreden”.

Uit dit alles kunnen we een tweevoudig besluit trekken. Vooreerst dat de accidentele levenskwaliteit nooit de ultieme norm kan worden op basis waarvan iemand bepaalt of zijn of haar leven nog al dan niet zinvol is. Er is steeds nog iets dat die accidentele levenskwaliteit overstijgt, zowel in eigen leven als in het leven van een andere, en dit noemen wij dan de essentiële levenskwaliteit.

Anderzijds klinkt hier ook de opdracht om blijvende energie te investeren om de accidentele levenskwaliteit te verhogen, zowel bij zichzelf als bij anderen, om zo aan de essentiële levenskwaliteit meer ruimte te geven, meer substantie, meer body te geven. Wanneer immers de accidentele levenskwaliteit verhoogt, zullen mensen het gemakkelijker hebben om ook de waarde van hun leven als dusdanig te ontdekken, soms te herontdekken. En hier spelen de verschillende elementen die de kwaliteit van het leven bepalen een belangrijke mekaar aanvullende rol. Wanneer iemand bijvoorbeeld heel veel pijn heeft, de deze pijn is somatisch heel moeilijk onder controle te krijgen, kan de aanwezigheid van dierbare medemensen en liefdevolle zorgverleners een echt troost bieden en de zogenaamde uitzichtloze situatie die met de pijn is ontstaan minder uitzichtloos maken. De mens is immers nooit te reduceren tot één element, en de verschillende elementen hebben ook steeds een invloed op mekaar. De mens is meer dan de optelsom van zijn verschillende onderdelen. De mens is en blijft een holistisch wezen, een realiteit op zich, de verschillende onderdelen en dimensies van zijn mens-zijn overstijgend.

Dit onderscheid tussen de accidentele en de essentiële kwaliteit van het leven heeft ook een groot impact op de wijze we kijken naar mensen die in de wereld ogenschijnlijk niets kunnen doen, helemaal niet nuttig zijn. Denken we maar aan mensen met een zware dementie, mensen met een zware mentale handicap. Hun accidentele levenskwaliteit kan tot een minimum zijn herleid; maar ze blijven steeds mens en dat geeft hen een essentiële kwaliteit. Ze “zijn” er, met de klemtoon op “zijn”, en soms is hun enige betekenis dat ze een oproep zijn naar anderen om voor hen te zorgen. Zij worden dan de oorzaak dat bij anderen de menselijke liefde kan groeien, ja, zich kan uitzuiveren tot een naastenliefde die ontdaan is van alle wederkerigheid, van alle berekendheid. Door hun dikwijls volstrekt stilzwijgende aanwezigheid vrijwaren ze de wereld en de mensen in die wereld van alleen nog maar met zichzelf bezig te zijn. Zij zijn de veroorzakers van het zo nodige altruïsme in de mens. Ze roepen de mensen op de zogenaamde zachte waarden niet te vergeten, waarden die luisteren naar namen als dienstbaarheid, compassie, barmhartigheid, in één woord: liefde. En onze inzet voor hen maakt ons tot betere mensen: mensen die uitgroeien tot medemensen die hun ware roeping weten uit te zuiveren tot de roeping mekaar echt lief te hebben.

Wanneer mensen bij wie de accidentele levenskwaliteit bijna nihil is tot dit in staat zijn, namelijk mensen tot liefdevolle medemensen te laten groeien, dan kan hun essentiële kwaliteit van hun leven als zeer hoog worden beschreven. Maar dan moeten we wel anders kijken naar medemensen in een maatschappij die alles zet op uiterlijkheden, op nuttigheid, op genot.

Verschillende malen hebben we reeds de menselijke waardigheid aangehaald. Ik verwijs nog eens naar Paul Ricoeur die de volgende gekende woorden uitsprak: “Bij ieder ethisch handelen moeten we streven naar een zo hoog mogelijke menswaardigheid”.

We weten ondertussen dat deze zin in een heel eigen invulling van de personalistische moraal op bepaalde momenten een wig heeft gedreven tussen wat we gemeenlijk het handelingsdeontologisch model noemen, waarbij de handeling op zichzelf wordt gewaardeerd en waarbij handelingen die intrinsiek slecht zijn nooit door de intentie als goed kunnen worden beschouwd, en het personalistisch model waarbij steeds meer de nadruk kwam te liggen op de intentie, tot en met de stelling dat handelingen nooit intrinsiek goed of kwaad kunnen zijn, alleen maar pre-moraal, en dus hun moraliteit juist verkrijgen door de intentie van waaruit de handeling wordt gesteld.

Opnieuw is het hier niet de plaats om daar dieper op in te gaan, maar we zullen daar zeker nog even op terug komen als het we in het derde deel hebben over onze strijd voor het absoluut respect voor alle leven.

Momenteel volstaat het de nadruk te leggen op de dringende eis om steeds de waardigheid van de mens, van iedere mens te respecteren, te bevorderen en indien nodig te herstellen. Hoe dikwijls worden we in het dagelijkse leven niet geconfronteerd met situaties waarbij de menselijke waardigheid niet gerespecteerd wordt, zeker niet bevorderd wordt en waar we dus de ethische plicht hebben om deze menselijke waardigheid te herstellen. In zijn encycliek “Evangelium vitae” heeft Paus Johannes Paulus II het heel gevat uitgedrukt: “De gehele maatschappij met de waardigheid van iedere menselijke persoon eerbiedigen, beschermen en bevorderen, op alle ogenblikken van zijn leven, in welke toestand hij zich ook bevindt”.

We willen even stilstaan bij deze drie woorden van Paus Johannes Paulus: eerbiedigen, beschermen, bevorderen.

Vooreerst moeten we de menselijke waardigheid van iedere persoon in alle omstandigheden eerbiedigen. Dat verdraagt geen uitzondering.  Soms lijkt het erop dat men vandaag meer eerbied voor de natuur heeft, vanuit een terecht groeiend ecologisch besef, maar dat dezelfde groei voor de eerbied voor de mens uitblijft, wel integendeel. Wanneer men vandaag op straat komt voor het klimaat, en daarvoor een grote waardering toegemeten krijgt, is het wel verwonderlijk dat zij die op straat komen om de eerbied voor alle leven op te eisen onmiddellijk in een oerconservatief kamp worden geschoven. Nochtans gaat het beiden om het leven: het leven van de natuur en het leven van de mens. We zouden mogen veronderstellen dat het leven van de mens nog steeds belangrijker is dan het leven van de natuur, zonder dit laatste evenwel te onderschatten.  Ik vraag mij af of het spijbelen van studenten ook zou worden getolereerd en zelfs aangemoedigd indien het zou gaan over de “mars voor het leven”.  U hoeft me geen antwoord te geven.

Vanuit de eerbied vloeit de bescherming voort. Indien de menselijke waardigheid op de een of andere wijze wordt bedreigd, moeten we alles in het werk zetten om het te beschermen. Het is ten andere daarop waar Paus Johannes Paulus in zijn encycliek “Evangelium vitae” zo sterk de klemtoon op legt en waar we vandaag voortdurend mee geconfronteerd worden in de discussies rond abortus en euthanasie.

De absolute bescherming van het leven wordt bijzonder acuut wanneer het gaat over leven dat zichzelf niet kan beschermen en waar anderen op een vrij autonome wijze beslissingen kunnen nemen over het laten geboren worden, leven of voortleven. Bij een recent bezoek in Zuid-Afrika zag ik in Johannesburg overal advertenties voor abortus met telkens een telefoonnummer erbij.  “Safe abortion, pain free”. Eerst dacht ik dat het te maken had met één of andere verkiezingscampagne, maar naderhand vertelde men mij dat het advertenties waren van abortusklinieken die blijkbaar als paddenstoelen uit de grond rijzen en waar helemaal vrij een abortus kan worden uitgevoerd. Elk meisje of vrouw kan er ongeacht haar leeftijd abortus laten uitvoeren, gewoon op aanvraag, en dat tot en met de 12de week van de zwangerschap. Na deze periode wordt een aantal voorwaarden gesteld, maar blijft abortus nog steeds zeer toegankelijk. In een staatshospitaal is het tevens gratis, maar vanwege de lange wachtlijsten kiezen velen voor privé-instellingen, die er nu echt een nieuwe markt in hebben gevonden. Daarmee is Zuid-Afrika één van de meest progressieve landen op het vlak van abortus, maar is deze ingreep op het leven er tegelijk ook volledig gebanaliseerd. Gelukkig zijn er ook groepen die proberen tegen deze trend in te gaan en zwangere vrouwen alternatieven aanbieden om de zwangerschap toch te behouden.  In één van onze huizen is samen met de Zusters van Liefde een opvang opgericht voor zwangere vrouwen die bescherming zoeken om hun zwangerschap te voleindigen tegen de druk van hun familie in die hen zelfs met geweld tot abortus willen aanzetten. Ik was er getroffen bij mijn bezoek om jonge moeders te ontmoeten die heel onbevangen hun verhaal deden en nu met grote dankbaarheid zorgden voor hun pasgeboren kindje. Hier werd het “Evangelie van het leven” volle werkelijkheid, maar tegelijk ervaarden we hoe moeilijk het deze groepen hebben omdat ze voortdurend geconfronteerd worden met tegenwerking, vanuit de overheid maar ook vanuit andere internationale ngo’s die sterk vrije abortus propageren.

Eerbiedigen, beschermen, en dan komt bevorderen van de menswaardigheid. Het komt erop aan ons echt te bekommeren om het fragiele leven in al zijn vormen. We denken hier aan mensen met een mentale handicap, mensen met een zware dementie, chronisch geworden psychiatrische patiënten. Neen, voor de maatschappij tellen ze niet of niet meer mee. Ze zijn letterlijk uitgeteld. Het gevaar is dan ook aanwezig dat er steeds minder aandacht gaat naar deze mensen, dat financiële middelen in de zorg vooral gaan in acties die mensen terug nuttig kunnen maken in de maatschappij. In teksten over de  “kost van de zorg” gaat het overwegend over deze groepen die toch niet te genezen zijn. Wanneer men droomt van een “Down-vrije” maatschappij, is dat een teken van vooruitgang van onze beschaving, of gaan we terug naar Spartaanse praktijken waarbij kinderen met een gebrek van de berg werden gegooid? Daar zijn we terecht verontwaardigd over, ook over de nazi-praktijken waarbij mensen met een handicap en psychiatrische patiënten massaal werden vernietigd. Maar zijn we even verontwaardigd over het aanprijzen van vroegtijdige diagnose en een daaropvolgende eugenetische abortus van kinderen met het syndroom van Down. In mijn kamer heb ik een veelzeggende foto staan van een meisje met het syndroom van Down, met de vraag: “Heb ik nog het recht om te leven?”

Het leven bevorderen houdt dan ook in dat we als maatschappij een grote aandacht en zorg aan de dag moeten blijven leggen voor wat we in algemene termen de fragiele medemens kunnen noemen en die niet discrimineren wegens de zogenaamde tekorten die hij of zij bezit. In een land als België, waar vanuit de speciale zorg van de Kerk door vele kloostergemeenschappen een vooruitstrevend netwerk van zorgverlening werd uitgebouwd, heel speciaal voor deze fragiele medemensen, zou het een punt van eer moet zijn om deze traditie verder te zetten en dit als een ruim gedragen maatschappelijke verantwoordelijkheid te beschouwen.

      1. Consequent handelen vanuit onze visie en missie.

Zo kom ik aan mijn derde deel, en dit wens ik heel concreet in te vullen.  Vanuit een duidelijke visie, een goede uitgebouwde theoretisch concept, zijn we gekomen tot een even duidelijke missie en komt het er nu op aan deze missie vlees en bloed te geven.  Dus naar de praktijk!

Onze  missie brengt ons vóór alles bij de caritas. Caritas is vandaag een beladen begrip. Enerzijds kunnen we ons de vraag stellen hoeveel caritas er nog aanwezig is in onze gezondheidsinstellingen en anderzijds hoe wordt het begrip caritas ingevuld. Nog te dikwijls wordt caritas tegenover deskundigheid geplaatst, alsof er vroeger alleen maar caritas was en er nu gelukkig deskundigheid in de plaats is gekomen.

Caritas en deskundigheid hoeven helemaal niet tegenover mekaar te worden geplaatst, wel integendeel.  In echte caritas is de  deskundigheid aanwezig en vindt de caritas haar vertaling in de deskundigheid.

Drie zaken  zijn m.i. belangrijk als we spreken over caritas.

Vooreerst kan er slechts sprake zijn van caritas als we onze handelingen laten vertrekken vanuit een liefdevolle grondhouding, een grondhouding die haar inspiratie vindt in de liefde van God. Caritas is steeds een afstraling van Gods liefde. De ware bron van caritas is de Agape.  Zonder Agape geen caritas.  We moeten ons dus de vraag durven stellen of we nog bereid zijn ons open te stellen voor Gods liefde.  Is er in onze zorg nog ruimte voor de noodzakelijke spirituele voedingsbodem, of is er alles zo verzakelijkt dat daarvoor geen ruimte meer is. Toch moeten we een nuance aanbrengen, want Gods liefde kan ook werkzaam zijn zonder dat men er zich echt bewust van is. Ik verwijs hier naar de gekende passage uit het Mattheus-evangelie waar Jezus het heeft over de oordeelscriteria. Daar zegt Hij dat alles wat we doen voor één van de kleinsten en de armsten aan Hem zelf is gedaan. Dit gevleugeld woord van Jezus komt er als antwoord op de vraag dat men zich niet bewust was dat men liefde voor Jezus had betoond.  De H. Geest kan dus ook werkzaam zijn in mensen die zich niet bewust open stellen voor Gods liefde, maar er zich ook niet a priori voor afsluiten. Maar zij die geloven  kunnen eigenlijk dit excuus niet aanwenden. Dus voor gelovigen geldt echt dat men zich bewust moet openstellen voor Gods liefde om zo doordrongen te worden door zijn liefde en echte caritas-mensen te worden.

Caritas zie ik als een beweging van liefde, compassie, concrete actie en dat op een deskundige wijze. Alles begint inderdaad bij de liefdevolle grondhouding. Dat maakt juist het verschil met de filantropie, waar het uitsluitend gaat over hulpverlening. Bij caritas gaat het over liefde en het is vanuit deze liefde dat men hulp zal verlenen. Vanuit de liefdevolle grondhouding zal men zich openstellen voor het lijden van de medemens en compassie met hem of haar ontwikkelen. Men voelt als het ware het lijden van de andere, men treedt met gans zijn bestaan in het lijden van de andere. Compassie is een emotionele beweging, een affectieve act die zich verder moet vertalen in concrete, effectieve hulpverlening. Bij caritas komt de hulpverlening dus slechts op de derde plaats, na de liefde en de compassie. En men zal deze hulpverlening goed willen doen, zo goed mogelijk, dus op een deskundige  wijze. Caritas zal dus altijd eindigen in deskundige hulpverlening. Wanneer de deskundigheid wordt afgesneden van de caritas, dan schiet er slechts koude techniciteit over. En dat is wat we vandaag soms meemaken in onze gezondheidsinstellingen wanneer het hart van de caritas eruit verdwenen is. Mensen worden er objecten waarop technieken worden uitgevoerd en verliezen hun statuut van subjecten waarmee op een deskundige wijze wordt omgegaan.

Als derde element bij de caritas wens ik opnieuw te verwijzen naar Mattheus 25 waar Jezus zegt dat alles wat men aan de medemens doet aan Hem is besteed. Door de caritas gaan we Jezus zelf zien, ontmoeten en beminnen in de medemens. De medemens wordt de vindplaats van Jezus. Hier komt er als het ware een versmelting van de caritas en gebed. Zowel gebed als caritas worden ontmoetingen met de levende Heer. Dat is wat Vincentius zo gevat uitdrukte wanneer hij het had over het verlaten van God om God te vinden. Het was dan het gebed verlaten om een medemens te helpen, en in feite in het helpen van de medemens het gebed ook verderzetten.

Vanuit deze drie bedenkingen over de caritas is het onze dringende opdracht vandaag onze  handelingen in onze zorgverlening te durven spiegelen aan dit grote ideaal. Caritas op deze wijze ingevuld kan alleen maar een meerwaarde geven aan onze zorg.

Als tweede element zou ik de solidariteit willen aangeven. Onze visie en missie roept ons op om echt solidair te worden met allen die op onze levensweg passeren. We zouden het opnieuw met Levinas kunnen zeggen: “Het gelaat van de andere stelt me voor een ethisch imperatief”. Iedere ontmoeting met de andere, in gelijk welke situatie hij of zij zich bevindt, is een uitnodiging om met die andere rekening te houden, om hem of haar te vragen hoe we hem of haar van dienst kunnen zijn. Het is de concretisatie van de parabel van de barmhartige Samaritaan. Gewoon de aanwezigheid van de andere roept hem op om zijn comfortzone te verlaten en medemens te worden van diegene  die in nood is.

Die parabel blijft m.i. razend actueel. Hoe dikwijls zijn we er niet met allerlei excuses, dat we toch niet alles kunnen doen, dat we er de middelen niet toe hebben, dat er toch andere instanties zijn die hun verantwoordelijkheid moeten opnemen, dat het een taak is van de politiek om daarvoor meer substantiële  oplossingen voor uit te werken.

Solidariteit roept ons op om inderdaad vragen om hulp die op ons afkomen meer structureel aan te pakken, maar tegelijk de onmiddellijke hulp niet uit de weg te gaan. Het is goed dat er armoederapporten worden opgesteld, waar op een heel wetenschappelijke manier het armoedeprobleem in kaart wordt gebracht. Maar we mogen het bij deze rapporten niet laten.  In een tijd van steeds groter wordende bureaucratie en verzakelijking is het gevaar groot dat we problemen gaan inpakken in dossiers en wetenschappelijk onderzoek, in statistieken en sociologische studies, maar dat we de handen niet meer uitsteken om concreet de medemens in nood te helpen. Bureaucratie werkt dikwijls verlammend. Procedures moeten er zijn, maar soms zijn ze een echte belemmering om vlug en adequaat te reageren bij een acute noodsituatie.   We hebben al meegemaakt dat iemand als te ziek wordt beschreven om opgenomen te kunnen worden in een psychiatrisch ziekenhuis.

Subsidiëring van de zorgverlening is een goede zaak en is een teken dat het solidariteitsprincipe ook op het hoogste niveau van de maatschappij is doorgedrongen. Maar wanneer subsidiëring van de overheid een steeds zwaardere reglementering veroorzaakt zodat men uiteindelijk niet meer de mensen kan opnemen waarvoor men initieel het werk is begonnen, dan schort er iets met deze vorm van solidariteit.  Ik denk dat we dit heel sterk aanvoelen in de ganse problematiek van de vluchtelingen. De controlesystemen worden zo groot dat het uiteindelijk moeilijk wordt om het gelaat van de andere nog echt te zien, laat staan om hem de vraag te stellen wat we echt kunnen doen om hem te helpen.

Daarom strijd ik al heel mijn leven tegen de bureaucratie en de verzakelijking, maar u moogt weten dat het een harde en moeilijke strijd is, en ik heb de indruk dat ik er vandaag zeker niet als overwinnaar uitkom. Bureaucratie en verzakelijking fnuiken zowel de caritas als de solidariteit, omdat ze voor caritas en solidariteit geen ruimte meer geven.

Als derde element in ons vertaalwerk van onze missie zou ik de aandacht willen vestigen op de strijd om het absoluut respect van alle leven te handhaven en ook te bevorderen.  Ik denk dat we hier voor een enorme uitdaging staan, vooral hier in onze Westerse wereld waar de absolute zelfbeschikking, absolute autonomie en de absolute vrijheid de absoluutheid van het respect voor alle leven grondig aantast en zelf helemaal verdrukt.

Vanuit ons christelijk mensbeeld, waarbij we de mens beschouwen als geschapen door God naar zijn beeld en gelijkenis, verlost door Christus en geroepen om eenmaal in te treden in de eeuwigheid van Gods liefde, kunnen we niet anders dan een absoluut respect voor alle leven te verdedigen.

Het gevaar is vandaag dat we alles plaatsen onder de intentiemoraal, en de moraliteit van iedere daad afhankelijk gaan maken van de intentie van waaruit deze daad is gesteld. Ik ben niet tegen de intentiemoraal en een ethiek waar wel degelijk rekening wordt gehouden met de intentie, maar er zijn nu eenmaal daden die intrinsiek kwaad zijn, daden die juist de integriteit van het leven aantasten. We zitten hier in de volle realiteit wanneer we het hebben over euthanasie. Hier raken we het leven als dusdanig en wordt een daad gesteld die intrinsiek slecht is. Het doden van een medemens kan nooit door de intentie waarmee de daad wordt gesteld als minder kwaad en zelfs als een goed worden beschouwd.  Euthanasie kan nooit als een vijftiende werk van barmhartigheid worden beschouwd.

Als Broeders van Liefde worden we met deze vragen geconfronteerd bij psychiatrische patiënten die zwaar psychisch lijden en die hun lijden als uitzichtloos en ondragelijk gaan beschouwen. We mogen onszelf niet afsluiten van deze realiteit, maar euthanasie als antwoord aanbieden bij deze patiënten is m.i.  een grove vergissing en getuigt van een falen van onze psychiatrische zorg, want het gevoel van uitzichtloosheid is juist dikwijls kenmerkend  bij een psychiatrische aandoening. Het is dan aan de hulpverleners om alles in het werk te stellen om deze patiënten nabij te zijn en nabij te blijven en hen nooit het gevoel te geven dat ze zogezegd uitbehandeld zijn.

Maar ook in onze zorg voor mensen met een zware mentale handicap, met een zwaar dementerend proces worden we met deze vragen geconfronteerd. In plaats van ons te begeven op sacrale grond en de sacraliteit van het leven aan te tasten, moeten we daarentegen alles in het werk stellen om deze mensen te blijven verzorgen met het beste dat we hen kunnen geven. Ik huiver wanneer we zouden moeten zeggen dat euthanasie voortaan bij ons behandelingspakket zal worden gevoegd.

Het is niet om trendy over de komen dat we als laatste element van onze concretisatie van onze missie het trio vrede, gerechtigheid en heelheid van de Schepping aangeven. Het is de sociale zijde van de evangelische boodschap die we hier gestalte willen geven. Het gaat dan vooral over de wijze dat we met mekaar omgaan op de werkvloer, in de werksituatie. Ook dit moet de evangelische toets doorstaan. Het gaat over de relatie met de medemens en met de omgeving. Plaatsen waar mensen worden verzorgd en begeleid, plaatsen waar mensen in moeilijkheden terecht kunnen en armen worden opgevangen, moeten inderdaad goed georganiseerd worden, maar het moet met een heel speciale vorm van management gebeuren. Deze plaatsen moeten mensgericht blijven naar diegenen die er om hulp vragen als naar diegenen die er de hulp verlenen. Het moeten menselijke organisaties blijven.

In onze westerse maatschappij zal het vooral gaan over het behoud van dat menselijke gelaat, zelfs in  groter wordende organisaties. Als een organisatie er niet is om te dienen, dient ze tot niets. Wat heeft het laatste woord in de besluitvorming: de financiële balans of de mens die er verzorgd en gediend wordt? Wat zijn de thema’s die op de Raad van Bestuur verschijnen: heeft men het er nog over de mens die men er verzorgt, en heeft men het er nog over de medewerkers, of zijn dat allemaal effectieven geworden binnen het zakencijfer?

Wanneer ik naar Afrika ga, die word ik er geconfronteerd met zware vormen van corruptie. Dan komt het erop aan om als voorziening te weerstaan om gewoon maar mee te doen met deze corruptieve praktijken. We worden er geconfronteerd met etnische spanningen die soms heel moeilijk te overkomen zijn. Zijn onze voorzieningen daar plaatsen waar men inspanningen doet om vredevol met mekaar samen te leven en samen te werken?

Vandaag is er een grotere gevoeligheid voor het klimaat, voor onze ecologische voetafdruk. Dat moet ons als christen ook bezig houden; de zorg voor de schepping is onrechtstreekse zorg voor de mens, voor zijn voortbestaan en voor zijn toekomst. De schepping is ons in handen gegeven om haar te cultiveren en niet om haar te verwoesten. Ook dat mag geen theoretische overweging blijven, maar moet zich heel concreet vertalen in ecologische maatregelen waar we echt onze verantwoordelijkheid kunnen voor nemen. Het gaat dan over energieverbruik, over de voedselverspilling, over het gebruik van water.

We kunnen iets leren van abdijen die soms heel consequent maatregelen nemen die een groot positief ecologisch effect hebben.

      1.  Voor de hele mens en voor alle mensen …

Het bracht ons tot een wandeling vanuit onze visie, over onze missie naar hoe we dit concreet proberen te vertalen. Het concrete blijft de verantwoordelijkheid van eenieder van ons en zal verschillende invulling krijgen hier in België en in Afrika of Azië.

Vanuit ons eigen charisma als Broeders van Liefde,  dat ons handelen toch heel concreet blijft tekenen, blijven we een eigen invulling te geven aan deze opgave om ontwikkeling steeds te zien voor de hele mens en voor alle mensen. We zeggen daarbij niet dat we het allemaal op een ideale manier verwezenlijken. Spanningen en zelfs meningsverschillen zijn ons niet vreemd, maar steeds worden we opgeroepen om bij concrete spanningsvelden terug te keren naar onze missie en uiteindelijke naar onze visie die de grote oriëntatie moet blijven waarvan we niet kunnen afwijken.

 

Br. René Stockman

Juni 2019

Bidden en strijden blijf ik, wat zij mij ook doen

In zijn tweede brief aan de Tessalonicenzen spreekt Paulus over de wederkomst en haar voortekens. Sommigen verwijzen graag naar deze tekst en beweren dan dat de huidige tekenen van de tijd het einde der tijden inluiden. We geloven dat er een einde der tijden zal komen, het moment dat God alles in Christus zal herstellen, zoals het zo mooi werd uitgedrukt door de heilige Paus Pius X: “Instaurare omnia in Christo”. Maar Paulus spreekt vooral over de tijd die dit grote moment in de geschiedenis zal voorafgaan, en in feite leven we reeds in deze tijd vanaf de komst van Christus op aarde. Het is de tijd tussen de verrijzenis en de hemelvaart van Christus en het moment dat Christus zal terugkomen om allen te oordelen. Het is de voorbereidingstijd op het moment dat we ten volle zullen worden opgenomen in Gods heerlijkheid. Ten tijde van Paulus dachten velen dat de Heer Jezus heel vlug zou terugkomen, en daarom vonden ze het niet meer de moeite zich hier op aarde nog in te zetten. Paulus’ brief is als waarschuwing heel speciaal geschreven aan deze mensen die, zoals hij het zo mooi uitdrukt, “werkeloos rondhangen, alle moeite schuwen, maar wel zich met alles bemoeien” (2 Tess. 3, 11). Aan dezen geeft hij de volgende oproep: “Wij moeten u echter verzoeken, broeders, in verband met de komst van onze Heer Jezus Christus en onze hereniging met Hem, niet zo gauw uw bezinning te verliezen en u niet te laten opschrikken door profetieën of uitspraken of een brief die van ons afkomstig zou zijn, en die beweren dat de dag van de Heer is aangebroken. Laat u door niemand iets wijsmaken!” (2 Tess. 2, 1-3). We kennen inderdaad die profeten die niet ophouden het einde van de wereld te voorspellen. En steeds hebben ze een excuus waarom het ditmaal opnieuw niet is gelukt. Eigenaardig hoe sommigen daarin blijven trappen. Paulus zegt het ons uitdrukkelijk: “Laat u door niemand iets wijsmaken”.

Maar daarna gaat hij in op de zogenaamde tussentijd, de voorbereidingstijd op de definitieve terugkomst van Christus, dus onze huidige tijd, en deze woorden kunnen ons niet onbewogen laten. “Eerst moet de grote afvalligheid van het geloof komen en de goddeloze Mens zich openbaren, de Zoon des verderfs, de Tegenstander, die zich verheft boven al wat God heet of verering ontvangt, zo zelfs dat hij zich neerzet in Gods tempel en zich voor God uitgeeft” (2 Tess. 2, 3-4).
Niemand minder dan Augustinus heeft deze tekst van Paulus aangewend om grondig na te denken in zijn werk “De civitate Dei”, waarin hij twee rijken tegenover mekaar zet: de “Civitas Dei” en de “Civitas diaboli”. En hij verwijst uitdrukkelijk naar een volgende vers van de brief van Paulus: “Het geheim der goddeloosheid doet zijn werking al gevoelen; alleen moet degene die hem nu tegenhoudt nog worden uitgeschuitgeschakeld” (2 Tess. 2, 7). En opnieuw is het goed om het vervolg van Paulus ook te lezen: “De komst van de Goddeloze zal steunen op de kracht van de satan, en vergezeld gaan van allerlei wonderen, tekenen en goochelkunsten, en van alle mogelijke misdadige verleiding, bestemd voor hen die verloren gaan, omdat zij zich hebben afgesloten voor de liefde tot de waarheid, die hen had kunnen redden. En daarom zendt God hun een geest van dwaling, zodat zij geloof hechten aan de leugen, en allen veroordeeld worden die de waarheid geweigerd hebben en de ongerechtigheid gekozen” (2 Tess. 2, 9-12).
Paulus eindigt zijn tekst met een aanmoediging, die we ook als tot ons gericht mogen beluisteren. “Dus, broeders, staat vast en houdt u aan de overleveringen waarin gij door ons, hetzij mondeling hetzij schriftelijk, zijt onderwezen. Moge de Heer Jezus Christus zelf, moge God, onze Vader, die ons zijn liefde heeft betoond en ons in zijn genade eeuwige troost en blijde hoop heeft geschonken, uw harten bemoedigen en sterken met alle goeds in woord en daad” (2 Tess. 2, 15-17).

We kunnen iets leren van deze brief van Paulus en ook de toepassing die Augustinus maakte in zijn boek “De stad van God”. Daarin plaatst hij twee liefdes tegenover elkaar: de eigenliefde, zoals deze zich in de aardse stad uitdrukt en God minacht en ruimte schept voor de duivel, en de liefde tot God, zoals deze zich in Gods stad uitdrukt en oproept om zichzelf te verloochenen om alle ruimte aan God te geven. God en Satan worden hier duidelijk tegenover mekaar gezet. Het is vandaag moeilijk spreken over Satan, over de duivel, over het kwade. Maar het is wel opvallend hoe ook Paulus uitdrukkelijk spreekt over de “Goddeloze”, en “Tegenstander”, en hoe hij deze zelfs met een hoofdletter schrijft. Neen, het kwade is voor hem geen onpersoonlijk gegeven, maar wel degelijk een persoon, een werkelijkheid, die de macht heeft zich tegenover God te plaatsen en zich als tegenstrever van God op te werken. Paus Franciscus plaatst zich zeker in de lijn met Paulus wanneer ook hij de aanwezigheid en de werking van Satan zeker niet verdoezelt en daar zo dikwijls op terugkomt in zijn catechese.
We kunnen nog verder gaan. Wanneer we spreken over het Rijk der hemelen, waar God heerst, kunnen we eveneens spreken over het Rijk van Satan. In de “civitas diaboli”, aldus Augustinus, heerst de “corpus diaboli”, waarin Satan en zijn volgelingen aanwezig zijn, en die proberen hun eigen moraal in de wereld te verspreiden.
De tactiek van Satan is wel heel speciaal en dubbel: enerzijds probeert hij het Rijk der hemelen te verduisteren, en anderzijds probeert hij de mens te overtuigen dat hij niet bestaat. Daarmee stort hij de mens in een leegte, waarin het ontbreekt aan enige oriëntatie, maar waarbij ook de weerstand tegen het kwade verdwijnt. Men verliest het zicht op het Rijk der hemelen, op God, en tegelijk ontbreekt het de mens aan weerstand om zich tegen de duivel te verzetten, want waarom zou men zich moeten verzetten tegen iets dat toch niet bestaat?

Is dat geen treffend beeld van wat we momenteel meemaken in onze westerse samenleving? God is als horizon in het leven van vele mensen verdwenen. De duivel heeft de mens kunnen overtuigen dat God een illusie is, en dat de mens God helemaal niet nodig heeft om gelukkig te zijn, wel integendeel. Door de geboden en de kerkelijke moraal als een zware last voor te stellen, die alleen maar tot doel hebben het geluk van de mens te onderdrukken en hem te belemmeren om zich als mens volledig te ontplooien, werd als het ware een nieuwe religie gelanceerd: deze van het ideaal van het individualisme en de absolute zelfbeschikking, autonomie en vrijheid. De mens heeft aan geen enkele instantie over zijn daden verantwoording af te leggen. Maar de duivel heeft de mens ook de illusie gegeven dat hijzelf niet bestaat, dat dus ook het kwade niet bestaat, dat alles toegelaten is. Dat is wat Augustinus juist de “Civitas diaboli” noemt, waar uitsluitend de eigenliefde regeert en waar God wordt geminacht.

Bij een bezoek aan de Dom van Firenze met een groep familieleden, werd onze aandacht getrokken op fresco’s die de hel met duivels erin voorstelden. Er ontspon zich een geanimeerd gesprek over het bestaan van de hel en over het bestaan van duivels. Dat was inderdaad goed voor de middeleeuwse kunstenaars die probeerden hun toenmalige theologische denkbeelden visueel uit te drukken, maar daar zouden we vandaag toch geen boodschap meer aan hebben. Het deed me denken aan het merkwaardig boekje van mijn vriend Valeer Neckebrouck “Naar de hel met de hel”, die juist het bestaan van Satan en de hel probeert te bewijzen met zovele uitspraken van Jezus zelf. Het is alsof we dit deel van de boodschap van Jezus bewust aan het vergeten zijn. Het blijft natuurlijk gissen wie Satan en zijn trawanten juist zijn en hoe ze zijn ontstaan. Meestal probeer ik hun bestaan aan te tonen door te verwijzen naar de gespletenheid die we in onszelf voelen, de bekoringen die we doorstaan, onze neiging door het kwade te worden aangetrokken en de zichtbare werking van het kwade in en rondom ons. Kunnen we Satan en zijn trawanten zelf niet zien, we kunnen hen wel voelen in het diepste van onszelf en hen ook ontwaren in het vele kwaad dat in de wereld heerst en er dikwijls zelfs lijkt te overheersen. Wanneer onlangs een terroristische aanslag werd gepleegd door extremistische moslims op christenen in Sri Lanka, werd herhaaldelijk naar het kwade verwezen. “Dat is het werk van de duivel”, becommentarieerde Kardinaal Ranjith het pijnlijke gebeuren.
Misschien kunnen we het ontstaan van Satan en zijn trawanten het best situeren op het moment dat God de engelen schiep tezamen met het licht. Toen God het licht van de duisternis scheidde, zonderde zich een groep engelen van dit licht af, dat God is, omdat ze hun eigen god wilden zijn en zo werden ze de machten van de nacht, van de duisternis. Het is met dezelfde begeerte dat ze ook de mens proberen te verleiden: hun eigen god te worden, zo treffend reeds omschreven in het scheppingsverhaal waar de slang tot de vrouw zegt: “God weet dat je ogen open zullen gaan als je van die boom eet, en dat je dan gelijk zult worden aan God, door de kennis van goed en kwaad” (Gen. 3, 5). Het is het verhaal van alle tijden en ook in ons voelen we de bekoring onze eigen god te willen zijn. Maar ook al heerst er nu in deze tijd een strijd tussen het licht dat God is en de duisternis die de Satan is, we weten dat het licht eenmaal zal zegevieren. Met Johannes kunnen we zeggen: “God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis” (1 Joh. 1, 5). Tot daar dit tussendoortje over het ontstaan en het bestaan van de duivel, van Satan en zijn trawanten.

Door de zonde, het werk van de Satan, werd onze menselijke natuur, die in oorsprong goed was – want geschapen door God naar zijn beeld en gelijkenis – verwond, maar niet volledig verwoest. De zonde, dus de Satan, is de oorzaak van onze morele wanorde welke aanleiding geeft tot de zonde, maar ook van onze fysische wanorde die uiteindelijk tot de dood leidt. Dood, ziekte, lijden, angst, twijfel, conflicten,… het zijn allemaal resultaten van de zonde, het werk van de Satan.

Maar Satan werkt niet alleen op het individuele vlak, in het persoonlijke leven van iedere mens, maar ook op een gestructureerde wijze, en meer bepaald in de wereld en in de Kerk, als mystiek Lichaam van Christus, met het doel zowel de Kerk als de wereldorde te verstoren.

Zoals reeds aangegeven zien we het werk van de boze in de vele terroristische aanslagen, het leed dat mensen mekaar aandoen, ook het lijden dat mensen heel persoonlijk treft. Daarnaast probeert de boze op een meer gestructureerde wijze de orde in de wereld om te vormen en er echt een wereld van de Satan van te maken. De ganse beweging, die begon met de Verlichting, waarbij God geleidelijk aan uit het wereldbeeld werd verdrongen, en die daarna verschillende hoogtepunten kende – bijvoorbeeld bij de Franse Revolutie, bij de vestiging van het communisme in verschillende delen van de wereld, en het steeds verder oprukkende secularisme – mag beschouwd worden als een gestructureerde manipulatie van de boze in de wereld. Het wordt een wereld zonder God, waar God ook effectief wordt bestreden en waar de boze zelf uiteindelijk het voor het zeggen heeft. We zien het vandaag op een heel speciale wijze in het opdringen van een nieuwe wereldorde, waar het verschil tussen man en vrouw wordt opgeheven door de zogenaamde gender-ideologie en waarbij uiteindelijk iedereen het recht verkrijgt te kiezen tot welk geslacht hij of zij behoort; waar het huwelijk als instituut een volledige nieuwe invulling krijgt en waarbij het klassieke patroon van een man-vrouwrelatie wordt verlaten; waar de procreatie uit de seksualiteit wordt geweerd en waarbij alléén nog het genot wordt nagestreefd; waar de absolute eerbied voor het leven wordt vervangen door het promoveren van de absolute zelfbeschikking en waarbij abortus en euthanasie tot een individueel recht worden verheven. Het is verrassend hoe vlug deze fundamenteel gewijzigde visies over mens en wereld door de massa worden aanvaard en zelfs gepromoot en hoe marginaal men wordt wanneer men het nog aandurft bepaalde van deze strekkingen en verschuivingen in vraag te stellen. Het gaat hier om een efficiënt geleide, gestructureerde en georkestreerde hersenspoeling die haar echte oorsprong vindt in de actie van Satan en zijn trawanten, en die daarvoor mensen en organisaties als gedweeë instrumenten gebruiken om deze nieuwe ideeën op te dringen, door hen de illusie te geven dat ze zo meewerken aan de realisatie van een betere wereld, waar de grote principes van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid worden gehuldigd, maar wel op een heel eigenzinnige antichristelijke wijze worden ingevuld.

Maar de Satan en zijn trawanten richten hun pijlen bovendien ook op de Kerk, en misschien wel bijzonder op de Kerk. Hier kunnen we onmiddellijk een band leggen met de misbruikschandalen die de Kerk blijven teisteren, en waar leden van de Kerk door hun seksueel wangedrag ernstige schade aanbrachten aan de Kerk. Maar subtieler zijn de verwarringen die ook reeds lange tijd door sommige priesters en bisschoppen op het vlak van de kerkelijke doctrine en moraal gezaaid worden. De Kerk moet tegelijk “Mater et Magistra” zijn, maar het “Mater”-zijn mag niet in tegenspraak zijn met het “Magistra”-zijn. Het is terecht dat de Kerk een grote pastorale bekommernis aan de dag legt naar de gelovigen toe en een belangrijke plaats geeft aan de barmhartigheid en de vergeving, maar daarom hoeft ze haar doctrine niet af te zwakken. Het blijft de opdracht om opnieuw in de geest van Augustinus “de zonde te verafschuwen, maar de zondaar lief te hebben”. We hebben de zondaar niet lief door de zonde te vergoelijken. Daar bewijzen we niemand een dienst mee, behalve aan het kwade zelf. Het kwade wordt niet bestreden door er compromissen mee te sluiten: daarmee wordt het kwade in stand gehouden, bevestigd en zelfs versterkt.
Het zaaien van verwarring, wat we reeds geruime tijd binnen de Kerk meemaken, is duidelijk het werk van de boze, en waar verwarring heerst, groeit ongenoegen en worden tegenstellingen uitvergroot en aangewakkerd. Wanneer Satan en zijn trawanten er alles aan doen om niet enkel in de burgerlijke samenleving, maar ook in de Kerk op een subtiele wijze verwarring te zaaien, zijn de negatieve gevolgen voor het geestelijk heil van de mens en de wereld nog groter en destructiever. Want de Kerk is het mystieke Lichaam van Christus, en via de Kerk probeert Satan een rechtstreekse strijd te voeren en verder te zetten met Christus, en dus met God. Het bekoringsverhaal van de woestijn wordt verdergezet, en telkens opnieuw worden kerkmensen verleid om neer te knielen voor de passie van de macht, het genot en het geld. Hun enig antwoord zou moeten zijn wat Jezus zelf antwoordde: “Weg, Satan; de Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen” (Mt. 4, 10). En we lezen er graag de woorden van de evangelist bij: “Nu liet de duivel Hem met rust en er kwamen engelen om Hem hun diensten te bewijzen” (Mt. 4, 11).

Het is precies deze laatste zin die ons hoopvol moet stemmen. Want ook al kan onze strijd met de Satan hevig en zwaar zijn, en worden we geconfronteerd met steeds nieuwe en ongeziene wijzen waarmee hij de mensen, de wereld en de Kerk wil inpalmen en hen doen neerknielen voor zijn heerschappij, God laat ons in deze strijd nooit alleen. Hij blijft ons nabij met zijn genade, op voorwaarde dat wij er ons voor openstellen. Dat heeft Hij op een bijzondere wijze getoond door ons zijn Zoon te zenden om ons van de absolute macht van het kwade, van de dood te verlossen. Het is opvallend dat Maria bij haar verschijningen op zovele plaatsen steeds terugkomt op bekering, versterving en gebed om de verleiding van de boze te weerstaan en om de wereld te redden, om van de wereld echt de “Civitas Dei” te maken. Daarom moeten wij het geloof bewaren, het geloof zoals het ons door Christus is voorgeleefd en verkondigd en zoals het ons volgens de eeuwenoude traditie binnen de Kerk wordt voorgehouden. We moeten aan de verleiding weerstaan om van het ware geloof een zelf geconstrueerde religie, leer of ideologie te maken, er onze eigen interpretatie aan te geven of er een religie naast vele andere religies van te maken. We moeten het woord van Jezus eerbiedigen die ons in alle duidelijkheid heeft gezegd: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven” (Joh. 14, 6). Hij heeft niet gezegd dat Hij een weg, een waarheid en een leven is. Alleen wie door de deur die Christus is de schaapstal binnengaat (cf. Joh. 10, 1-21), zal worden gered.

Dit geloof zal ons hoop geven. Het is de hoop die ons in de last en de zwaarte van de strijd het perspectief op de redding open houdt. Ik las ergens dat er in de Bijbel 365 keren de zin: “Vrees niet” wordt uitgesproken alsof ons voor iedere dag van het jaar een hoopvol perspectief wordt aangeboden. Dat geeft ons ook de moed om het nooit op te geven, en zoals ik in de titel aangaf, te blijven bidden en strijden, hoe het kwade ons ook tracht te treffen, zelfs via mensen van wie we dit het minst zouden verwachten. Niemand is immers immuun voor de verleiding van Satan. Maar laat het altijd een strijd zijn voor de ware en enige “Civitas Dei” en niet onze eigen “civitas”, die heel vlug een “Civitas diaboli” kan worden.

Br. dr. René Stockman

mei 2019

Een wolf in schapenvacht

Blijkbaar zijn we met het “euthanasiedebat” in een nieuwe episode getreden.  Juist voor de verkiezingen lanceert Dr. Distelmans een petitie waarin hij oproept om de euthanasiewet aan te passen en te verruimen voor mensen met dementie en andere vormen van onomkeerbare, verworven wilsonbekwaamheid die een eerdere wilsbeschikking in die zin opgesteld hebben.

Met zijn pleidooi raakt hij natuurlijk een gevoelige snaar en wanneer men de tekst leest wordt men meegesleurd met zowel een gevoel van compassie als verontwaardiging.  Wie is niet getroffen door het lijden van mensen met dementie, die de controle over hun eigen leven stilaan maar zeker zien wegkwijnen  om te eindigen in een totaal beneveld bestaan? En door de onmacht die dit veroorzaakt bij de omringende familieleden?  Niemand kan noch zal ontkennen dat dementie een zwaar lijden is, en volgens de tekst zouden er in de toekomst, tegen 2035, de helft meer mensen met dementie bijkomen.  Dus het wordt hoogtijd om actie te ondernemen.  En welke actie wordt voorgesteld?  Het antwoord dat in de petitie wordt aangereikt is dubbel maar tegelijk dubbelzinnig: er moeten enerzijds meer en betere voorzieningen komen om mensen met dementie passend op te vangen maar anderzijds een wettelijke regeling om hen via een spuit uit dit lijden te verlossen.  Wordt daarmee niet gesuggereerd dat het laatste een veel comfortabeler en goedkopere oplossing is?  Wanneer mensen met beginnende dementie en hun familieleden dit lezen kan het bijna niet anders dat ze schuldgevoelens moeten krijgen wanneer ze niet aan euthanasie zouden denken om zo de last van de gemeenschap die hun toestand zal veroorzaken weg te nemen.  Euthanasie wordt hier verheven tot het summum van filantropie en dit vanuit tweevoudig standpunt: de persoon in kwestie wil geen last zijn voor de gemeenschap en de gemeenschap verlost de persoon met dementie uit een zwaar lijden.  Is er een beter alternatief voorhanden?

Zoals dikwijls zit het venijn ook hier in de staart.  Daar wordt gegoocheld met statistieken als zou 83 % van de bevolking, door de auteur een verpletterende meerderheid genoemd, voorstander zijn om de wet aan te passen.  Het zijn wel voorlopige resultaten van een “stemtest” in de media.  Wat is de wetenschappelijke waarde van deze enquête en met welke a priori informatie op de achtergrond hebben mensen deze test ingevuld?  Het is nu eenmaal al jaren de tactiek van bepaalde groepen om juist via het creëren van compassie en verontwaardiging de visie van mensen te beïnvloeden.  Argumenten doen het vandaag nog amper, maar wel emoties.  Eenmaal de emotionele snaar betokkeld is er nog weinig ruimte om naar argumenten te luisteren.  En dat wordt ook hier gretig uitgespeeld.  Met het aangeven van deze cijfers wordt aan hen die er anders over denken nog maar eens een extra schuldgevoel aangesmeerd.  Hoe asociaal moet men toch zijn om tot die 17 % te behoren die niet gewonnen is om de euthanasiewetgeving uit te breiden?  Niet alleen asociaal maar ook zeer onbarmhartig.  Weigeren van euthanasie wordt hier omschreven als het bewust en gewild in stand houden van mensonterende situaties.  Dat kan toch niemand aanvaarden.  Met de bijkomende video’s die aan de petitie zijn gekoppeld wordt de emotie totaal.  Men moet zijn hand tegenhouden om niet onmiddellijk de petitie te ondertekenen.  Van een geslaagde marketing gesproken.

Onlangs woonde ik een optreden bij van een koor van bejaarden met een zware dementie.  Een prachtig initiatief van een Vlaams rust- en verzorgingstehuis dat creatief op zoek ging om mensen met dementie iets van hun menswaardigheid terug te geven.  Misschien hadden enige van deze bejaarden voor dat de dementie hen wilsonbekwaam maakte om euthanasie gevraagd.  Nu zagen we hen liederen uit de oude doos zingen, met de lach op het gezicht en familieleden die hun emoties amper konden bedwingen.  Maar het waren emoties van dankbaarheid, van herwonnen en gekoesterde menswaardigheid in een heel beperkt bestaan.  Hier toonde de gemeenschap zich op haar best, met haar meest humaan gelaat, in de zorg voor hen die deze zorg het meest nodig hebben. Naar zo een maatschappij moeten we verder evolueren, en niet afglijden naar een maatschappij waar de spuit van de euthanasie als ultieme therapie wordt verheven en aangeprezen. Een pleidooi houden voor  palliatieve zorg en tegelijk de spuit in de hand nemen is meer dan hypocriet.  Dat is de taal van de wolf in schapenvacht die zijn schapen misleidt.

Mogen we toch nog even de andere snaar betokkelen en tegelijk aan de alarmbel trekken en vooruitkijken welke weg wordt ingeslagen wanneer deze wetsaanpassing zou worden goedgekeurd.  Daarmee wordt de weg geopend om ook andere wilsonbekwamen met de genadige spuit van dienst te zijn.  Ik denk dan aan mensen met een zware mentale handicap die reeds vanaf hun geboorte wilsonbekwaam zijn en dus nooit de gelegenheid hebben gehad om euthanasie te vragen.  Zouden wij dat niet in hun plaats kunnen doen om hen zo uit hun vreselijk lijden te verlossen? En daarmee de maatschappij ook een dienst te bewijzen, want hun zorg is toch een grote financiële last voor de gemeenschap?  Wanneer deze gemanipuleerde logica op een voldoende emotionele wijze zal worden aangebracht, zullen er nog weinig zijn die zich daartegen durven verzetten.  Opnieuw een stap voorwaarts in het creëren van een maatschappij waar de sterken het voor het zeggen hebben.  Waar zal dit eindigen?

Ik neem ook het recht om te spreken vanuit mijn christelijke overtuiging.  Daar mag toch ook nog ruimte voor zijn in ons democratisch en pluralistisch bestel?  Of zullen de wolven in schapenvacht ons ook hier het zwijgen opleggen, in naam van een verwrongen pluralisme?  Als christen blijven we getuigen dat het leven, ieder leven, absolute beschermwaardigheid verdient en dat we ons niet mogen laten meeslepen met een mentaliteit waar zelfbeschikking en autonomie tot nieuwe absolute waarden zijn verheven. De verabsolutering van de persoonlijke vrijheid die zich dan manifesteert in een absolute zelfbeschikking is niet compatibel met ons christelijk mensbeeld.  Daarmee spreken we geen oordeel uit over mensen die om euthanasie verzoeken vanuit een ander mensbeeld dat ze hanteren, maar tegelijk vragen we eerbied en ook bescherming voor hen die niet willen raken aan wat hen en ons door God is gegeven.  Het leven is ons geschonken, vanaf de conceptie tot de natuurlijke dood, en daar willen we eerbiedig en zorgzaam mee omgaan. Daaraan raken is als een doorbreken van een taboe.  Er zijn terreinen waar we als mens moeten afblijven, omdat ze ons gegeven zijn om er als goede beheerders mee om te gaan en er niet als onterechte eigenaars naar willekeur mee te handelen. Mogen we hier andere christenen oproepen om zich niet zomaar te laten meeslepen met emoties en daarmee ieder dieper nadenken over het leven, over de zin van het leven, over de plaats van het lijden en de dood in het leven het zwijgen op te leggen.  Laat ons de moed hebben om hier tegendraads te denken en te handelen, tegen de stroom in te varen en vooral mekaar aan te moedigen in deze strijd met ongelijke wapens.  Niet om ons eigen gelijk te halen, maar om het leven, alle leven te eerbiedigen, omdat het heilig is.

Br. dr. René Stockman

mei 2019

De afglijding gaat verder en wel in een versneld tempo!

Neen, het waren geen wrede beelden zoals we de laatste tijd verschillende malen moesten aanschouwen bij de bloedige aanslagen in Sri Lanka en andere plaatsen, maar juist een zeer vredevol tafereel dat ons totaal onthutste. Ditmaal was het een kranige tachtiger die besloot om euthanasie te vragen omdat ze het overlijden van haar dochter niet kon verwerken. De laatste morgen van deze dame werd gefilmd en we zagen hoe ze nog een smakelijk ontbijt nam, daarna naar haar fysiotherapie ging en dan met een vriendin de dokter afwachtte die haar het dodelijke drankje zou brengen. De dokter hanteerde de term “ondraagelijk psychisch lijden” om de euthanasie te verantwoorden. Maar de evaluatiecommissie had daar vragen bij en stelde dat de voorgeschreven procedure niet werd gevolgd. Op zich was dit reeds een historisch moment, want het was de eerste maal dat de evaluatiecommissie een dossier doorstuurde naar het parket. Had men de film niet internationaal verspreid zou de commissie misschien wel het subjectieve stilzwijgen gehanteerd hebben, zoals ze tot nu toe steeds deed.
Maar nu was het de raadkamer zelf die voor een oplossing zorgde: men vond dat hier geen sprake was van euthanasie, maar hulp bij zelfdoding, en daar worden artsen wanneer ze beslissen daaraan mee te helpen niet voor vervolgd. Daarmee zijn we in een nieuwe episode getreden en werd een precedent gecreëerd waar nog gretig gebruik zal worden van gemaakt.

Het beeld van de vrouw die het drankje uitdrinkt die de geneesheer haar aanreikt en na vijf minuten dood is kunnen we niet zomaar van ons netvlies halen. Ik heb het reeds met verschillende groepen bekeken, en steeds is de reactie dezelfde: verontwaardiging, ongeloof en de pijnlijke verzuchting: “Dat kan toch niet…”. Het kan voortaan in België wel en alle voorwaarden en zorgvuldigheidsregels waarmee men zogezegd wil garanderen dat de euthanasie volgens het boekje verloopt kunnen nu gewoon opzij worden geschoven. Het is nu deskundige hulp bij zelfdoding geworden, en dit dank zij de rechtbank en niet omwille van de evaluatiecommissie. Deze commissie, in het leven geroepen niet om patiënten maar wel om artsen te beschermen die euthanasie uitvoeren, is in het licht van de nieuwe rechtspraak gewoon zinloos op de wijze dat ze nu werkt.

Het zegt natuurlijk ook veel over onze rechtspraak en hoe deze steeds meer wordt beïnvloed door sentimenten en steeds minder rekening houdt met argumenten. Het is gekend dat het vandaag nog moeilijk spreken is over euthanasie zonder onmiddellijk de sentimentele toer op te gaan en het woord barmhartigheid te horen vallen. Maar dit is nu ook ingeslopen in de rechtspraak die het toch niet kon maken om een onsympathiek besluit te nemen tegen de geneesheer die zichzelf tot barmhartige Samaritaan had verklaard. Het is misschien daarom dat het wellicht onmogelijk wordt om ooit nog de “Rechtvaardige Rechters” van Van Eyck terug te vinden.

Hoe dikwijls is het reeds gezegd dat men zich op glad ijs begeeft wanneer men euthanasie gaat toepassen bij ondraaglijk psychisch lijden. Een terecht verdriet, dat tijd vraagt om te helen, werd na drie maanden bestempeld als ondraaglijk psychisch lijden en de enige therapie die werd aangeboden was het dodelijk drankje. Kunnen we hier nog spreken van geneeskunde? Het was gewoon choquerend de geneesheer na de ingreep te horen zeggen dat zijn patiënte, of moeten we eerder zeggen zijn slachtoffer, nu gelukkig was. Blijkbaar beschikte hij zelfs over paranormale gaven om dit te kunnen bepalen. Zijn dodelijk drankje werd dus een gelukselixir. Hij heeft nu de wettelijke dekking gekregen om dit verder voor te schrijven en nog andere mensen gelukkig te maken. Hoever zullen we nog verder afglijden?

Br. René Stockman

mei 2019

Spijbelen voor het leven?

Scholieren die spijbelen voor het klimaat. Het is de laatste tijd een gekend verschijnsel geworden. Alvast een unieke vondst om zo de aandacht te trekken van een ganse gemeenschap, politici incluis, op een meer dan gevoelig thema waarover het laatste woord nog niet is gezegd. En dan zal dit woord laveren tussen doemdenken en relativeren. De waarheid zal zoals steeds wel ergens in het midden liggen.

Of spijbelen nu de gepaste wijze is om te protesteren, ook daarover lopen de meningen uiteen. Objectief blijft spijbelen toch steeds onwettig afwezig zijn tijdens de schooluren, tenzij een wettige reden kan worden aangegeven, maar dan is het geen spijbelen meer. Wordt er een gevaarlijk precedent geschapen door dit spijbelen voor het klimaat goed te keuren en zelfs aan te moedigen? Wat met de scholieren die kiezen om niet deel te nemen aan deze manifestatie? Zullen ze door hun medeleerlingen en zelfs door sommige leerkrachten nu met een scheef oog bekeken worden en als asociaal bestempeld worden, gevoelloos voor de grote maatschappelijke problemen? Het belang van de aandacht voor het klimaat mag echter niet geminimaliseerd worden. Maar zijn er nu echt geen andere wegen om enerzijds de leerlingen op een adequate wijze méér milieubewust te maken en hen anderzijds de ruimte te bieden om ook in dit debat hun stem te laten horen?

We moeten bovendien opletten dat het uiteindelijk niet uitdraait op veel emotie en weinig solide argumenten. We leven weliswaar in een tijd waar emoties het vaak halen op goed geargumenteerde analyses en oplossingen. We zien dit ook in vele andere dossiers waar mensen zich emotioneel laten overspoelen en daardoor niet meer in staat of zelfs niet meer bereid zijn om nog naar argumenten te luisteren, zeker wanneer die ook andere aspecten van de problematiek belichten of een ander geluid laten horen.

Spijbelen voor het klimaat krijgt vandaag blijkbaar een ruim draagvlak en wordt beschouwd als een positieve evolutie in het bewustwordingsproces bij jongeren. Het is een hoopvol teken dat jongeren opnieuw blijk geven van hun betrokkenheid bij grote maatschappelijke problemen, hetgeen we de laatste decennia inderdaad wel wat misten. De vraag kan echter worden gesteld of de sympathie van de opiniemakers voor de spijbelende jongeren ook zou gelden wanneer deze jongeren op straat zouden komen voor andere thema’s dan het klimaat. Thema’s uit onze microkosmos bijvoorbeeld. Zou men hen met evenveel journalistieke sympathie bejegenen als ze een ander levensthema zouden aansnijden? Wat bijvoorbeeld indien jongeren massaal zouden deelnemen aan de “Mars voor het leven”, een actie tegen abortus, en daarvoor zouden spijbelen? Zouden ze op evenveel media-sympathie kunnen rekenen, of zouden ze daarentegen eerder worden bekritiseerd en gemarginaliseerd? In mei zal ik opnieuw deelnemen aan de “Mars voor het leven” hier in Rome, en het verheugt me telkens zeer vele jongeren te zien in deze manifestatie op een zaterdagnamiddag. Nee, hier in Rome spijbelen ze daarvoor niet op een schooldag, maar ze zijn er wel in hun vrije uren.

Is het niet wat eenzijdig om enerzijds te manifesteren tegen de bedreigingen van onze macrokosmos (het klimaat, de natuur,…), maar anderzijds de bedreigingen van onze microkosmos te negeren? Absolute zelfbeschikking, autonomie en vrijheid brengen ook immers méér en méér het leven zelf in gevaar en vaak dat van de meest kwetsbaren het eerst. En het is goed dat we ook op dat vlak eens wakker worden geschud, ook door jongeren.

Ze roepen ons immers op om een rem te zetten op onze onbeperkte zelfbeschikking, autonomie en vrijheid en ze doen ons beseffen dat niet alles wat we persoonlijk en onmiddellijk wensen ook goed is voor het individu en de samenleving op langere termijn. Ze roepen ons op om meer bewust te gaan leven, een rem te zetten op ons blind individualisme en louter eigenbelang met respect en eerbied voor het eigen leven en lichaam en dat van anderen.

Vandaag lijkt er echter op de eerste plaats méér aandacht te gaan naar de oorzaken die ons klimaat schaden dan naar de specifieke oorzaken die het menselijk leven schaden en die we zelf méér in de hand en onder controle zouden kunnen houden.
Het zou de geloofwaardigheid van de klimaatactivisten ten goede komen en tot eer strekken indien ze even radicaal zouden opkomen voor het klimaat in zijn globaliteit als voor de beschermwaardigheid van ieder leven, ook het ongeboren leven in het bijzonder.

Zou het een goed idee zijn om dit eens voor te leggen aan de schooldirecties die nu het spijbelen voor het klimaat tolereren en zelfs aanmoedigen, en hen te vragen of ze even tolerant en toegevend zouden zijn indien hun leerlingen zouden spijbelen om deel te nemen aan een “Mars voor het leven”? Ik ben alvast nieuwsgierig naar hun antwoord.

Br. René Stockman

april 2019

Moeten we geloven om goede werken te doen?

Onlangs stelde iemand mij de vraag of hij moest geloven om goede werken te doen.  Of  met andere woorden het doen van goede werken het privilege zou zijn van de gelovigen, en meer bepaald de christenen.  Hij verwees natuurlijk onmiddellijk naar de vele ngo’s die vandaag wereldwijd opereren om op zowel acute als meer structurele noden een adequaat antwoord te geven.  En vele van deze ngo’s hebben geen enkele band met enige vorm van religie noch met enige kerkelijke instantie.

We mogen ons verheugen dat er vandaag vanuit diverse hoeken initiatieven worden genomen om noden te lenigen.  We zien tegelijk dat deze filantropische activiteiten op een hoog professioneel niveau worden ontwikkeld en dat ze kunnen rekenen op een goede financiële ondersteuning vanuit de ruimere gemeenschap.  We mogen ons tevens verheugen dat in vele landen de overheden zelf ernstige inspanningen doen om aan zieken, mensen met een beperking en mensen in diverse noodsituaties een goede zorg, begeleiding en opvang te verschaffen.
De geest van solidariteit die aan de basis ligt van deze ontwikkelingen vindt natuurlijk mede haar wortels in de gelovige humus waarop de samenleving is gebouwd.  Dit negeren zou onrecht doen aan de geschiedenis.  Wanneer we bijvoorbeeld kijken naar Europa dan kunnen we niet anders dan bevestigen dat de samenleving er gefundeerd is op een eeuwenlange beschaving die haar wortels vindt in de Griekse, Romeinse en Christelijke cultuur.
Daarmee is gesteld dat vele vormen van filantropie die noch in hun oorsprong noch in hun werking iets te maken hebben met een gelovige traditie en er ook niet uit gegroeid zijn, toch in hun verre wortels banden hebben met de christelijke traditie.  Zonder het christendom en we mogen hier ook andere religies aan toevoegen, zou de solidariteit er anders hebben uitgezien en zou er wellicht heel wat minder solidariteit en ook minder filantropie zijn geweest.  De zorg voor de medemens in nood is nu eenmaal een belangrijk aandachtspunt in alle religies en in het christendom in het bijzonder.

Het doen van goede werken kan dus nooit als volledig neutraal worden beschouwd vanuit het oogpunt van de culturele achtergrond van  waaruit het is gegroeid.  Mensen die zich niet gelovig beschouwen zullen dus onwillekeurig in zich deze culturele achtergrond meedragen, een culturele achtergrond die ook door de religie is gekleurd.  Maar daarmee hoeven we natuurlijk niet te stellen dat het doen van goede werken een gelovige grondhouding veronderstelt.  Het woord “filantropie” immers zelf duidt op hulpverlening die in zich geen religieuze connotatie inhoudt en ook solidariteit kan als een algemene waarde worden beschouwd die ook zonder een gelovige basis bij mensen aanwezig kan zijn.  Maar het zou tegelijk  verkeerd zijn om solidariteit en de daaruit voortvloeiende filantropie volledig los te weken van hun culturele grondvesten.  Het vraagt dus een genuanceerde aanpak.

Wanneer we als gelovigen naar de vele goede werken kijken die vandaag wereldwijd worden verricht, dan kunnen we daarin, vanuit onze gelovige vooringenomenheid, het werk zien van de H. Geest die met zijn gaven en werken ook werkzaam is in het hart van de velen die zich helemaal  niet gelovig of zeker niet bewust gelovig opstellen.  Wij geloven dat de H. Geest zowel gelovigen als niet-gelovigen gebruikt om het goede in de mens te laten geschieden.  Het verschil zit hem vooral in het bewustzijn ervan.  Sommigen zullen bewust goede werken verrichten vanuit een welbepaalde religieuze inspiratie, terwijl anderen dit eerder onbewust doen.  In het Mattheus-evangelie wordt dit haarscherp aangegeven, in de passage waar Jezus het heeft over de oordeelscriteria.  Hij beschrijft er hoe mensen bij het eindoordeel zullen geoordeeld worden over de wijze dat ze goed hebben gedaan aan Hem.  Maar op de opmerking dat ze helemaal niet beseffen dat ze iets voor Hem hebben gedaan, waarmee ze eigenlijk toegeven dat ze helemaal niet de intentie hebben om aan christelijke naastenliefde te doen, antwoordt Jezus: “Alles wat ge gedaan hebt aan één van de geringsten van mijn broeders, hebt ge aan Mij gedaan” (Mt. 25, 40).  Hiermee geeft Jezus aan dat men niet steeds moet beseffen dat men bij het verrichten van een goede daad aan een medemens eigenlijk deze goede daad aan Jezus zelf verricht.  De goede daad zelf brengt ons in de juiste houding opdat Gods liefde doorheen ons zou vloeien en werkzaam en aanwezig zou komen in de goede werken die we naar anderen toe verrichten. En misschien wordt deze goede daad juist de ingangspoort opdat iemand zich meer bewust zou worden dat zijn motivatie eigenlijk diepere gronden heeft, dat hij door iets dieper dan loutere filantropie wordt gedreven om het goede te doen. Dat hij, om het opnieuw vanuit de gelovige invalshoek te benoemen, gedreven wordt door de werking van de Heilige Geest, ook al zal hij dit in eerste instantie niet zo onder woorden weten te brengen.  En dat zal dan ook de reden zijn dat mensen die zich helemaal niet gelovig voelen, toch heel ver kunnen gaan in het helpen van medemensen, tot het met het inzetten van hun eigen leven.  Wat zij als een bijzondere kracht zullen omschrijven, ingegeven vanuit een doorgedreven compassie met medemensen in nood, kunnen wij als gelovigen gerust beschouwen als het werk van de H. Geest in hen.

We komen nu aan de vraag of het bewust beleefde geloof dan nog wel iets extra weet aan te brengen bij het verrichten van goede werken.  Is er met andere woorden nog een verschil tussen wat wij enerzijds filantropie noemen en anderzijds christelijke naastenliefde of caritas?
Wanneer we in filantropie vanuit gelovig standpunt ook een geïnspireerde actie kunnen ontwaren, zonder dat diegene die de daad stelt zich bewust of gewild openstelt voor de werking van de H. Geest, zullen we bij de christelijke naastenliefde of de caritas juist wel deze actieve medewerking zien met de H. Geest, en dit zal dan ook het verschil uitmaken tussen beiden.

Een gelovige doet goede werken vanuit een duidelijk bewustzijn dat hij gedreven wordt door de goddelijke liefde, en wil deze liefde zichtbaar en tastbaar maken in zijn concrete handelingen.  Zijn helpen vloeit voort uit de liefde, terwijl bij de filantropie het helpen als dusdanig voorop staat en de liefde eerder op de achtergrond aanwezig is.  Ook bij filantropie kan liefde aanwezig zijn, zoals reeds aangegeven, maar bij caritas is de liefde heel bewust de basis, de grondhouding, de motivatie, met een liefde die haar inspiratie vindt in de goddelijke liefde.  Dit maakt dat de uitgangspunten bij filantropie en caritas verschillend zijn.  Bij filantropie is de hulpvraag de eerste en uiteindelijke motivatie, bij caritas is dat de liefde voor de concrete persoon en zal men vanuit en met deze liefde gevoelig worden voor de hulpvraag en op die hulpvraag een antwoord proberen te geven.
Dat maakt dat de gelovige ook kracht put uit deze goddelijke liefde om zijn goede werken te verrichten.  Hij haalt juist daaruit de inspiratie om goede werken te doen en zijn acties zullen door de liefde gekleurd worden.  Terwijl men bij filantropie zijn kracht moeten zoeken en vinden vanuit menselijke motivatie, die zoals opnieuw reeds aangegeven onbewust door de werking van de H. Geest kan worden aangewakkerd, zal dit bij caritas heel bewust gebeuren, en zal de eigenlijke motivatie van elders komen, een goddelijke kracht, die we Gods genade noemen.  Dat is een enorm surplus dat bij de filantropie afwezig is.  Om deze reden zal bij een goed werk bewust geïnspireerd door de goddelijke liefde een andere grondhouding zichtbaar en voelbaar zijn.  Het is de liefde die de ganse handeling zal kleuren.  Vanuit deze liefdevolle grondhouding zal men een diep medelijden ontwikkelen naar diegene die in nood is en dan zoeken hoe men hem het best kan helpen.  Medelijden of compassie wordt dan het hart van de caritas: het is openkomen voor het lijden van de medemens en vanuit een empathische houding als het ware in dit lijden treden,  meevoelen wat de andere lijdt.  Het wordt echt “mede”-lijden.

In filantropie zal men sterk de nadruk leggen op een professionele hulpverlening.  Ook bij caritas is dat essentieel, en zal de professionaliteit vloeien uit dat diepe medelijden en de behoefte diegene in nood zo goed als mogelijk te helpen, dus op een deskundige wijze.  Het is een verkeerde stelling dat er in caritas geen deskundigheid zou aanwezig zijn of dat dit slechts op de tweede plaats zou komen.  Er is helemaal geen tegenspraak tussen caritas en deskundigheid, wel integendeel.  Een correct beleefde caritas zal de weg voor een deskundige hulpverlening juist openen.  De deskundigheid kan gezien worden als een logische vertaling van de caritas, een normaal uitvloeisel van de caritas.  De caritas in zijn totaliteit wordt dan een beweging van liefde, medelijden en concrete inzet vanuit een heel eigen professionaliteit.  Wanneer de liefde de grondhouding is die vanuit het algemeen liefdesgebod wordt gestimuleerd, en het medelijden er het subjectieve-affectieve antwoord op is, zal de concrete deskundige inzet er het effectieve antwoord op zijn. We kunnen hier spreken over een affectieve liefde die zich vertaalt in een effectieve liefde.  En deze inzet om de andere effectief te helpen, zal steeds op een deskundige wijze moeten gebeuren.  Wanneer de deskundigheid van de liefde en het medelijden wordt afgesneden, zal deze verschralen in pure techniciteit.  Men zal de andere nog wel technisch goed omkaderen, maar de warmte van het hart zal er ontbreken.  Bij caritas is het juist de warmte van het hart die kleur geeft aan de zorg en de inzet voor de andere in nood, ook in de wijze dat deze professioneel wordt benaderd.  Wanneer caritas zou eindigen zonder deskundigheid, zouden we van een geamputeerde caritas kunnen spreken.  En wanneer deskundigheid niet gebeurt vanuit een liefdevolle grondhouding, dan blijft er alleen nog koude techniciteit over.  Terecht heeft Paus Benedictus in zijn encycliek “Deus caritas est” de klemtoon gelegd op deze vorming van het hart, wat een bijzondere kleur, noem het de warmte zal geven aan de deskundigheid.  “Daarom hebben deze naast en bij de professionele vorming bovenal de vorming van het hart nodig.  Ze moeten worden gebracht tot de ontmoeting met God in Christus, die de liefde in hen wekt en hun hart voor de naaste opent, zodat naastenliefde voor hen niet meer om zo te zeggen een van buitenaf opgelegd gebod is, maar het gevolg van hun geloof, dat zich uit in de liefde” (nr. 31 in “Deus caritas est”).

Caritas onderscheidt zich ook van filantropie door de bewuste ontmoeting met Jezus.  Caritas nodigt uit om in diegene die men helpt Jezus zelf te zien, te ontmoeten en te beminnen.  We verwijzen hier terug naar het Mattheus-evangelie waar Jezus uitdrukkelijk aangeeft dat alles wat men doet voor de medemens in feite aan Hem zelf is gedaan.  Dat klinkt vandaag in een geseculariseerde omgeving wellicht moeilijk en zal ook moeilijk kunnen worden overgedragen in onze pastoraal en catechese.  Maar toch blijft dit een zeer essentiële eigenschap van de caritas die niet te ontkennen noch te ontkrachten is.  De heilige Vincentius a Paulo heeft dit zeer goed begrepen en beschouwde de medemens, de arme als de icoon van Christus.  De filosoof Emmanuel Levinas, zelf een jood,  zag in het gelaat van de medemens  het beeld en de gelijkenis met God dat we zelf in ons dragen.  Daarom kunnen we niet anders dan iedere andere die op onze weg passeert als medemens respecteren en liefhebben.  We hebben geen andere keuze vanuit onze medemenselijkheid en onze band die we hebben als kinderen van dezelfde Vader.  Ieder menselijk gelaat vertoont dus goddelijke trekken.  En niemand meer dan Jezus Christus heeft deze goddelijke trekken als mens in zich gedragen.  Zo kunnen we als christen begrijpen dat we Jezus blijvend kunnen zien, ontmoeten en beminnen in iedere medemens, omdat hij dezelfde goddelijke trekken als Jezus in zich draagt.  Hier rijst ook de hele theologie van Johannes op die de liefde tot de naaste op hetzelfde niveau plaatst als de liefde tot God, en de naaste als de plaatsvervanger van God beschouwt.  “Wij hebben lief, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad.  Maar als iemand zegt dat hij God liefheeft, terwijl hij zijn broeder haat, is hij een leugenaar.  Want als hij zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, kan hij God niet liefhebben die hij nooit heeft gezien.  Dit gebod hebben wij dan ook van Hem gekregen: wie God liefheeft moet ook zijn broeder liefhebben” (1 Joh. 4, 19-21).  We moeten met andere woorden God op een plaatsvervangende wijze liefhebben in onze liefde voor de medemens.

We moeten niet geloven om goede werken te doen.  Dat werd hopelijk ondertussen meer duidelijk.  Maar als we geloven kunnen we aan onze goede werken een extra diepgang geven die we niet zullen vinden in de filantropie, of althans niet zo uitgesproken.  En dan gaat het juist over de liefdevolle grondhouding van waaruit de goede werken worden verricht, de ontmoeting met Jezus in de persoon die we helpen en de bijzondere kleur die aan de deskundigheid wordt gegeven vanuit de warmte van ons hart.

Br. René Stockman

maart 2019

Euthanasie bij ondraaglijk psychisch lijden:
een reflectie.

In een interview met het tijdschrift Tertio, gepubliceerd op 31 oktober 2018, gaat Prof. dr. Dominique Jacquemin – priester, verpleegkundige en jarenlang ziekenhuisaalmoezenier en nadien docent aan de Faculteit Geneeskunde, hoogleraar Theologische ethiek aan de Université Catholique de Louvain (UCL) en verantwoordelijk voor de opleiding Palliatieve zorg –   in op de vraag of hij euthanasie bij ondraaglijk psychisch lijden verantwoord vindt.  Hij geeft hier m.i. een zeer diepgaand antwoord dat ons uitnodigt om nog maar eens te reflecteren op dit zeer controversiële thema.  De vraagsteller zelf noemt het een “heikel” thema, wat we volledig kunnen onderschrijven.

Ik citeer het antwoord om er daarna enige kanttekeningen bij te plaatsen.

Ik heb het enorm moeilijk met die druk, zeker als dat gebeurt in naam van de vrijheid van het  individu. Is iemand die drager is van een zware psychiatrische pathologie echt wel het individu dat hij is wanneer hij zegt dat zijn  leven geen zin meer heeft?  Als  je euthanasie in dat soort situaties toelaat, duiken conceptueel enorm veel moeilijkheden op die grote gevolgen hebben.  In zekere zin bekrachtig je de therapeutische impasse, veeleer dan te antwoorden op de levensvragen.  Grote psychiatrische problemen zijn niet om te lachen, maar sluit je patiënten dan niet op in de eigen voorstelling van hun gevoelens van onbehagen?  Zo dood je ze al symbolisch voordat je ze doodt.  Maar ook het klinisch probleem is aanzienlijk: hoe evalueren we de voortdurende en onomkeerbare dimensie van iemands psychische lijden?  Daar bestaat geen consensus over.  En eens we euthanasie bij  psychisch lijden gegeneraliseerd hebben, wat betekent dat dan voor andere categorieën?  Welke boodschap geven we over mensen die hun vrije wil niet meer kenbaar kunnen maken?  Wat doen we met hen?  Een antwoord op die vragen heb ik niet echt.  In de ene welbepaalde situatie evalueer je een beslissing anders dan in een andere.  Maar de grote moeilijkheid is wel dat men ondertussen een sociale voorstelling opbouwt”.

De wet van  2002 over de patiëntenrechten heeft de autonomie van de patiënt geformaliseerd.  Dat is op zich natuurlijk niet af te keuren, en het is goed dat de patiënt een grotere mondigheid en inspraak heeft gekregen in de ziekte waarmee hij of zij geconfronteerd wordt en de therapie die daarvoor wordt aangeboden.  Tot voorheen was de geneeskunde nogal ingebed in een paternalistisch keurslijf en was de inspraak van de patiënt quasi nihil.

Maar nu lijkt de slinger wel sterk over te slaan naar de andere richting, en wordt geclaimd dat de patiënt over een absolute autonomie beschikt die zich dan vertaalt in een even absolute zelfbeschikking, waarmee voortdurend wordt geschermd wanneer men het onder andere heeft over euthanasie.  Alle andere waarden – en de waarde bij uitstek, de enige die het predicaat “absoluut” kan en mag opeisen nl. de eerbied voor het leven – moeten daarvoor wijken en worden daaraan ondergeschikt.  Het wordt vandaag moeilijk, ja, quasi onmogelijk om die verabsolutering van de zelfbeschikking nog in vraag te stellen.

Het hele discours over de zelfbeschikking krijgt echter een ander accent in het geval van zwaar psychisch lijden.  Jacquemin zegt het heel terecht: “Is iemand die drager is van een zware psychiatrische pathologie echt wel het individu dat hij is wanneer hij zegt dat zijn leven geen zin meer heeft?”  De zelfbeschikking – zelfs indien men zou beweren dat deze absoluut zou kunnen zijn-  verliest zeker aan draagkracht bij zwaar psychisch lijden, omdat juist de mogelijkheid om correct te oordelen over situaties, ook over zichzelf, sterk beperkt, vervormd, belemmerd tot zelfs afwezig is.  Het argument van de zogenaamde absolute zelfbeschikking geldt dus niet of slechts in heel beperkte mate bij zwaar psychisch lijden.  Het is dan ook totaal onterecht en volledig onlogisch, zoals we vandaag in sommige documenten kunnen lezen, dat men ook bij zwaar psychisch lijden de zorgrelatie en de autonomie van de patiënt gewoon op dezelfde hoogte plaatst, als waarden die tegenover mekaar moeten afgewogen worden.  Hier kunnen we niet anders dan stellen dat de zorg hier opgeofferd wordt op het altaar van de  ideologie  van  de autonomie, de vrijheid en de zelfbeschikking en dat de zorg zich daarmee compromitteert en laat degraderen tot een speelbal van een  uit de hand gelopen ideologie.

Jacquemin spreekt eveneens over een therapeutische impasse waarin men verzeild geraakt wanneer men bij zwaar psychisch lijden de weg naar euthanasie opent.   Wanneer  we zouden kunnen stellen dat bij een somatische aandoening de  “medisch uitzichtloze toestand  van aanhoudend en ondraaglijk fysiek lijden dat niet gelenigd kan worden “ nog min of meer te verifiëren is, is dit helemaal anders bij psychisch lijden.  Over het voortdurend en onomkeerbare van iemands psychisch lijden bestaat immers geenszins een consensus.  Specialisten geven terecht aan dat binnen de psychiatrische zorgpraktijk soms onvoorspelbare en totaal onverwachte veranderingen in de ziektetoestand van de patiënt kunnen optreden,  die nieuwe perspectieven binnen de behandeling openen.  Het is dan ook uiterst moeilijk en delicaat om als zorgverlener hier zelf op een totaal subjectieve wijze de criteria te bepalen op basis waarvan men zou kunnen concluderen dat het psychisch lijden onomkeerbaar is en de patiënt is uitbehandeld.  Wanneer men als zorgverlener formeel verklaart dat iemand uitbehandeld is, sluit men, zoals Jacquemin zo gevat formuleert, “patiënten op in de eigen voorstelling van hun gevoelens van onbehagen”.  Ze  worden  als het ware bevestigd in het negatieve van hun ziektebeeld in plaats dat ze geholpen worden om eruit los te komen of tot een aanvaarding te komen van hun situatie.

Een derde element dat Jacquemin terecht aangeeft is de boodschap die men geeft naar andere groepen, de tekenwaarde en de  consequentie die het uitvoeren van euthanasie bij zwaar psychisch lijden heeft of kan hebben op andere personen die hun vrije wil niet meer kenbaar kunnen  maken.  Hier wordt opnieuw een deur geopend en op een kier gezet: een nieuwe doos van Pandora wordt geopend. Wanneer men moet vaststellen  dat bij psychiatrische patiënten die door hun ziektetoestand getroffen zijn in hun wilsbekwaamheid, toch wordt ingegaan op de vraag naar euthanasie, kunnen we ons vragen stellen hoe men zal reageren t.a.v. hen die omwille van handicap, zware dementie of andere ziekte eveneens getroffen zijn in hun wilsbekwaamheid.   Vandaag wordt de discussie gevoerd in welke mate men al dan niet rekening  kan houden met een wilsverklaring, genomen in een nog luciede periode, bij gevallen van zware dementie, waarbij niet  meer kan worden nagegaan of de wens naar euthanasie nog effectief aanwezig is.  Het wordt een kleine stap om de eindbeslissing uitsluitend in  handen  te leggen van derden, waar reeds lang om gevreesd wordt als we de verschuiving zien die zich binnen de euthanasiepraktijk voordoet.   In Nederland  wordt nu gediscussieerd of het moreel correct is op voorhand een slaapmiddel toe te dienen  bij uitvoering van euthanasie bij een  persoon met dementie.  Hierbij wordt immers iedere mogelijkheid uitgesloten om voor het inbrengen van de injectie de finale vraag nog te kunnen stellen  of de persoon in kwestie al dan niet akkoord gaat met de levensbeëindiging.

Iemand zei me ooit dat wanneer we beginnen “prutsen” aan het leven, we dan voor onvoorspelbare dillema’s komen te staan.  We lijken in deze situatie te zijn beland. Ethici wringen zich in allerlei bochten om zogenaamd ethisch verantwoorde oplossingen aan te reiken.  In welke mate zijn deze niet bezig om eigenlijk voorbij te gaan aan de basisfundamenten waarop hun ethische reflectie moet worden gebouwd en deze fundamenten bovendien  naar hun hand te zetten om zo te kunnen voldoen aan de maatschappelijke verwachting.  Is dat de taak van een ethicus, of heeft deze niet eerst en vooral de opdracht om mensen steeds opnieuw te wijzen op waar het fundamenteel over gaat in het leven: het ware leven, gebaseerd op een duidelijk mensbeeld, en niet een leven dat men zomaar kan gaan manipuleren. Velen echter omzeilen gewoonweg deze dillema’s en doen de ogen beaat dicht, en sluiten zich letterlijk op in de ideologie van de absolute zelfbeschikking, en indien deze ideologie het laat afweten – wat eigenlijk gebeurt bij patiënten met een sterk verminderende wilsbekwaamheid – gebruikt men een emotioneel discours  en gaat men zich beroepen op de barmhartigheid waarbij euthanasie dan geïnterpreteerd wordt als een verlossingsdaad bij uitstek uit een onmenselijk lijden.  Indien men tegen een dergelijke nefaste relativistische mentaliteit reageert -om op de eerste plaats de meest kwetsbaren in onze samenleving te beschermen-  wordt men als paternalistisch en onbarmhartig beschouwd  en  het zwijgen opgelegd.  Ondertussen breiden de dillema’s zich uit en worden steeds meer compromissen gesloten om toch maar niet tegen het relativisme, waaraan onze huidige maatschappij lijdt,  hoeven in te gaan. Het is méér dan ooit urgent dat onze cultuur van de dood terug een cultuur van het leven wordt. Alleen zo worden mens en samenleving echt gediend.

Br. René Stockman

januari 2019

Valkuilen en contradicties rond euthanasie

De hele problematiek rond euthanasie is een gelegenheid om eens kritisch enkele valkuilen en contradicties te benoemen die men ontmoet maar waarvoor velen bewust of onbewust de ogen sluiten. Wellicht bij velen onbewust, omdat men er gewoon niet bij stilstaat. Men laat zich zo gemakkelijk meesleuren door wat de massa denkt en zegt en ieder argument wordt door een emotionele reactie ontkracht. Vandaag denken velen niet meer vanuit argumenten, maar meer en meer en bijna uitsluitend vanuit emoties. Maar wellicht ook bij velen bewust, omdat men het niet aandurft tegen een maatschappelijke stroom in te varen. Tegen een stroom in varen is inderdaad lastig en meestal een zeer eenzame tocht. In sommige gevallen zelfs een gevaarlijke onderneming met onverwachte hinderlagen die kunnen opduiken. Sommigen zullen deze valkuilen en contradicties echter gewoon negeren, bestrijden en ze als contraproductief of zelfs pervers omschrijven, omdat ze overtuigd zijn dat tegen het uitvoeren van euthanasie geen enkele oppositie meer kan worden getolereerd. Het is tot een verworven mensenrecht uitgegroeid waarbij men van oordeel is dat de mensheid echt wordt gediend en bevrijd is geworden van iedere beperking op het zo geroemde zelfbeschikkingsrecht. Het recht op euthanasie kan volgens deze strekking niet anders worden gezien dan een nieuwe verworvenheid in een voortschrijdende beschaving.

Nochtans zijn er in deze laatste visie een aantal valkuilen en contradicties die onmiddellijk opvallen en die niemand kan ontkennen, alleen maar negeren of ridiculiseren.

Vooreerst zijn er de zogenaamde absolute autonomie, vrijheid en zelfbeschikking die verheven zijn boven alle andere menselijke waarden. Daaraan mag geenszins meer worden geraakt. Neen, we zijn niet tegen autonomie, vrijheid en zelfbeschikking, en in de geschiedenis zijn er echt bevrijdende momenten geweest waardoor de mens aan autonomie, vrijheid en zelfbeschikking heeft gewonnen. Daar kan niemand tegen zijn, dat kan niemand ontkennen en daar kunnen we alleen maar verheugd om zijn. We maken hier geen filosofische noch theologische beschouwingen, waarbij we ons kunnen afvragen of de mens zichzelf volledig kan losmaken van de medemens en zijn omgeving en zich daarom als een absoluut autonoom en vrij individu kan kwalificeren. We kijken gewoon naar het ogenblik waarop iemand in een bepaalde situatie besluit om euthanasie te vragen. Is de betrokken persoon nog volledig autonoom en vrij, in de veronderstelling dat hij of zij het voordien was, en kan hij of zij gebruik maken van de absolute zelfbeschikking, wanneer niet meer de vrije wil, maar de pijn en het lijden regeren en de mens als het ware in de greep hebben en dan ook sterk het beslissingsvermogen gaan bepalen? Zou deze mens hetzelfde besluit nemen indien de pijn en het lijden er niet waren, of indien er goede alternatieven zouden worden aangeboden waardoor deze pijn en dat lijden gemilderd kunnen worden? De huidige wet voorziet dat het de geneesheer is die moet bepalen of aan de voorwaarden om euthanasie uit te voeren is voldaan. Hij moet bepalen of het lijden inderdaad uitzichtloos en onomkeerbaar is en dat de zieke uitbehandeld is. Dus ook op dat vlak moet de persoon in kwestie zijn autonomie afgeven aan een derde die zal bepalen of euthanasie al dan niet kan worden uitgevoerd. En tenslotte zal de euthanasie eveneens door een derde worden uitgevoerd, wat ook een als een afbreuk kan worden beschouwd van de zo geroemde absolute autonomie en zelfbeschikking. Dus bij euthanasie zijn de absolute autonomie, vrijheid en zelfbeschikking eerder een mythe geworden, ondergeschikt geworden aan elementen in de persoon zelf en afgegeven aan derden die deze autonomie, vrijheid en zelfbeschikking gedeeltelijk of zelfs geheel overnemen.

Daarnaast kunnen we iets zeggen over het woordgebruik, en meer bepaald over de term “menswaardige dood”, zoals euthanasie vandaag wordt genoemd. Dit eufemistisch woordgebruik is heden ten dage volledig ingeburgerd en is erin geslaagd een op zich mensonwaardige daad helemaal om te buigen tot een hoogst menswaardige daad. Het zou hier niet meer gaan om het doden van een andere persoon, maar wel om het bevrijden van iemand uit een zogenaamde mensonwaardige levenssituatie. De act, een einde maken aan het leven, wordt hier toegedekt door de intentie: een eind stellen aan de pijn en het lijden dat dit leven met zich meebrengt. Men zou de menswaardigheid van het leven verhogen, door het leven af te nemen. Is er een grotere contradictie mogelijk? Wat men in feite zou willen verhogen en verbeteren, wordt volledig vernietigd en tot een definitief einde gebracht. Dit wordt nog versterkt door het feit dat men vandaag menswaardigheid heel gemakkelijk koppelt aan de kwaliteit van het leven. Menswaardigheid heeft in deze visie met kwaliteit van leven te maken, terwijl bij euthanasie het leven zelf wordt afgenomen, en men dus helemaal niet meer kan spreken van levenskwaliteit. Ondertussen weten we ook dat het een valkuil is om de menselijke waardigheid te verengen tot de kwaliteit dat het leven heeft. Ieder mens, ongeacht de zogenaamde kwaliteit van zijn leven, beschikt over een waardigheid die intrinsiek en ontologisch is, dus eigen aan zijn menselijke natuur, waardoor niemand of niets deze waardigheid kan afnemen.

Recente studies, o.a. van Fabian Stahle uit Zweden, spreken over een morele ontkoppeling die ontstaat bij het uitvoeren van euthanasie, zowel op het persoonlijke als op het professionele vlak. In de psychologie wordt dit een cognitieve herstructurering genoemd, waarbij normale mensen zover kunnen worden gebracht dat ze intrinsiek verkeerde handelingen uitvoeren maar deze als neutraal of zelfs als goed gaan beschouwen. Sommigen zullen hier spreken van een zekere afstomping van het geweten wanneer men bepaalde handelingen, die slecht zijn, als een routine gaat stellen in een omgeving die beweert dat deze handelingen helemaal niet slecht zijn en nu eenmaal tot het systeem behoren. In concentratiekampen voerden bewakers en beulen quasi onbewogen de meest onmenselijke handelingen uit omdat deze hen door hun oversten werden opgedragen en omdat er een hele omgeving was gecreëerd waarbij deze handelingen als normaal werden beschouwd tegenover medemensen die als minderwaardig werden omschreven. In zijn studie verwijst Stahle naar mechanismen die deze morele ontkoppeling in de hand kunnen werken: morele rechtvaardiging (het doel wettigt de middelen), het gebruik van een eufemistische woordkeuze (reeds aangehaald in ons vorig punt) en verontschuldigende of verzachtende vergelijkingen waarin kwaadaardige handelingen worden gehuld in een schijn van welwillendheid, door ze op een onjuiste wijze te toetsen aan normen die gelden voor andere situaties. Ik denk dat deze theorie inderdaad heel toepasselijk is op diegenen die vandaag euthanasie uitvoeren en dit bijna als een routinehandeling gaan beschouwen. Ze zien het als een bevrijding uit een mensonwaardig lijden, ze spreken heel spontaan over de zachte of menswaardige dood, het liefst gekaderd in een sfeer met zachte muziek en een glaasje champagne bij het afscheid nemen van de geliefde, en beschouwen uiteindelijk het toebrengen van een dodelijke injectie als een deel van hun therapeutisch handelen. Het is alsof de therapie ermee wordt afgesloten. Vooral de routine, de gewenning, zal hier een grote rol spelen. Wellicht zal bij iedere arts de uitvoering van een eerste euthanasie een psychologische shock teweegbrengen, maar in een omgeving die euthanasie als heel gewoon gaat beschouwen, zal bij voldoende herhaling ook bij de arts de psychologische weerstand vervagen, tot het een gewone routine-handeling is geworden. In een aantal Nederlandse uitzendingen, waarbij een euthanasie life werd opgenomen, zien we hoe diegene die de euthanasie uitvoerde, daarna gewoon verder overgaat tot de andere dagelijkse werkzaamheden. De morele ontkoppeling lijkt hier volledig. Euthanasie is bovendien geen medische handeling en is volledig in strijd met wat geneeskunde behoort te zijn. Is nog een grotere contradictie mogelijk?

We moeten ons de vraag stellen hoe het komt dat een handeling als euthanasie op relatief korte tijd binnen onze samenleving als iets ‘dood-gewoons’ wordt beschouwd. Eerst vindt men dat euthanasie moet mogelijk zijn in een aantal uitzonderlijke gevallen, en dus best niet meer strafbaar wordt gesteld, om daarna over te gaan tot een ruimere goedkeuring waarbij thans zelfs gestreefd wordt naar de erkenning van euthanasie als een patiëntenrecht. We zien dat steeds dezelfde strategie wordt gebruikt om zeer delicate en betwistbare handelingen maatschappelijk aanvaardbaar te maken. Vooreerst tracht men de publieke opinie te beïnvloeden via een mediagenieke manipulatie van een aantal extreme casussen en wordt de focus totaal gericht op het onmenselijke van het lijden. Daardoor probeert men bij het grote publiek verontwaardiging op te roepen en een gevoel van compassie te creëren. Tegelijk benadrukt men dat iedere daad die deze mens uit zijn uitzonderlijk lijden zou kunnen verlossen, m.n. via euthanasie, nog steeds als een misdrijf wordt bestraft. Er ontstaat in de geest van het publiek dus een innerlijke strijd, noem het een verwarring: verontwaardiging, compassie en tegelijk afkeer om een handeling die deze situatie zou kunnen verhelpen nog verder als een misdrijf te beschouwen. Dezelfde strategie is overigens ook gebruikt om abortus te depenaliseren. Eigenlijk worden deze extreme casussen misbruikt om iets heel uitzonderlijks te veralgemenen. Daardoor wordt de deur op een kier wordt gezet, en onderzoek heeft uitgewezen dat wanneer men eenmaal 10 % van een populatie van iets overtuigd heeft, de rest heel gemakkelijk volgt. Dikwijls worden ook nog valse statistieken gebruikt om te beweren dat zogenaamde wetenschappelijke steekproeven hebben uitgewezen dat een meerderheid van de bevolking gewonnen is voor het depenaliseren van euthanasie. De misleiding van het publiek is zo gerealiseerd. Wie zou het dan nog aandurven om er een andere mening op na te houden en tegen deze zogenaamde meerderheid in te gaan. We kunnen ook hier echt van een valkuil spreken.

Ik wil nog een laatste contradictie vermelden die opduikt bij het ganse proces van depenalisatie en legalisatie van euthanasie. Dikwijls hoort men de opmerking dat het beter is iets te legaliseren dan het clandestien te gedogen. Dus de stelling luidt hier dat wanneer iets clandestien wordt uitgevoerd dit uiteindelijk ook een wettelijk kader verdient. Echter, niemand zal eraan denken en aanvaarden dat stelen, dat toch wel een clandestiene daad bij uitstek is, omdat het nu eenmaal clandestien gebeurt en daarom best uit de clandestiniteit wordt gehaald, ook gelegaliseerd moet worden. Ik zou de maatschappelijke verontwaardiging die dit zou oproepen begrijpen, en terecht. Maar dezelfde verontwaardiging blijft uit wanneer het gaat over het doden van een medemens. Is doden van een medemens niet veel erger dan stelen? Een daad onder bepaalde voorwaarden depenaliseren en achteraf zelfs legaliseren moet toch steeds te maken hebben met het creëren van een betere en meer veilige samenleving voor haar burgers. Dat zou toch de eerste bekommernis van de wetgever dienen te zijn: zorgen dat via wetten een veilige omgeving wordt gecreëerd. En we weten dat veiligheid vandaag een heel actueel en gevoelig thema is. Wordt onze maatschappelijke omgeving nu echt veiliger en beter met een deur die steeds verder opengaat richting euthanasie, met recent nog het pleidooi om ook aan dementerenden die niet meer in staat zijn hun mening te uiten, hun vroegere wens voor euthanasie in te willigen? Beseffen we voldoende dat door het openen van de doos van Pandora m.b.t. zeer delicate handelingen zoals euthanasie we thans bijna bijna volledig van het hellend vlak zijn gegleden naar een angstaanjagende en onheilspellende toekomst, vooral voor de allerzwaksten in onze samenleving? We hebben voor deze nefaste evoluties in onze samenleving reeds jarenlang ernstig en publiek gewaarschuwd.

Valkuilen en contradicties genoeg om eens ernstig na te denken hoe we als samenleving aan het evolueren zijn, waarbij het depenaliseren en legaliseren van abortus en euthanasie toch wel tot echte symbolen zijn uitgegroeid van een maatschappij die steeds meer de nadruk legt op het utilitarisme, het individualisme en het hedonisme. De vraag is hoever men zal en kan gaan tot we tot een maatschappij komen of ernaar terugkeren waar finaal alleen nog het recht van de sterkste zal primeren.

Bibliografie

  • Montefusco, Cecilia, Eutanasia, chimera di libertà, certezza di morte. San Giorgio Jonico, Edizione Servi della Sofferenza, 2011, pp. 190.
  • Raymakers, Dr. Janthony, Moral disengagement – mechanismen die de euthanasiebeweging voortdrijven. Acta Medica Catholica, vol. 87, 2018, p. 70 – 73.

Br. René Stockman