Opiniestukken

Voor de hele mens en voor alle mensen

Ware ontwikkeling heeft steeds te maken met de hele mens en met de gehele mensheid.  Wat voor ons telt is de mens, iedere mens, iedere groep van mensen en de mensheid is haar geheel.  Als ontwikkeling niet de gehele mensheid en iedere mens betreft is er geen sprake van ware ontwikkeling” (nr. 16-17).  Het is met deze tekst van Paus Paulus VI uit zijn encycliek “Populorum Progressio” dat ik deze spreekbeurt wil beginnen.

Nadenken hoe we een echte bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van de mens en van de gehele mensheid, noopt ons duidelijkheid te creëren over het mensbeeld dat we hanteren en hoe we dit mensbeeld kunnen helpen realiseren doorheen onze concrete handelingen.  Het gaat steeds over een visie en een missie.

Onze visie moet vertrekken vanuit een christelijk mensbeeld dat zich vertaalt in een holistische en personalistische visie op de mens.

En het is deze visie die zich zal laten vertalen in een duidelijke missie waar de klemtoon steeds zal moeten liggen op een constante zorg hoe we de kwaliteit van het leven kunnen verbeteren en van daaruit hoe we de menselijke waardigheid van iedere mens zullen kunnen verdedigen, promoten en herstellen.

Het is deze visie en missie die ons zal oproepen tot caritas, tot solidariteit, tot een strijd voor het absoluut respect van alle leven en voor een constante en steeds groeiende aandacht voor vrede, gerechtigheid en heelheid van de Schepping.

Hiermee heb ik de samenvatting gegeven van mijn spreekbeurt en tegelijk de verschillende ingrediënten die we wat nader zullen bekijken.

      1. Onze missie vanuit een christelijke visie op de mens en de wereld.

Alles begint met een duidelijke visie op de mens en de wereld.  Het mensbeeld dat we cultiveren en willen cultiveren is onze uiteindelijke basis en tegelijk oriëntatie, en iedere handeling die we al dan niet stellen heeft met de promotie of de afbreuk van dit mensbeeld te maken. Het gaat over de vraag of het mensbeeld dat door ons handelen ontwikkeld wordt humaan is, menswaardig is en zelfs tot een hogere humaniteit leidt.  De gekende Nederlandse ethicus Sporken gebruikte hierbij de term “het humaniteitskarakter van het mensbeeld”. En filosofen als Martin Buber en Emmanuel Levinas geven de opdracht mee dat in alles wat we doen de bevordering van de menswaardigheid voorop moet staan, terwijl Paul Ricoeur het uitdrukt dat we in alles wat we doen steeds moeten streven naar een zo hoog mogelijke menswaardigheid.

In onze reflectie over de mens willen we ons laten leiden door de catechese die Paus Johannes Paulus II heeft ontwikkeld tijdens zijn wekelijkse audiënties van 5 september 1979 tot 28 november 1984 en die bekend staan als de “Theologie van het lichaam”. Ze geeft een zeer verhelderende visie op de sacraliteit, de heiligheid van het lichaam.  In de “theologie van het lichaam” is dat één van de fundamenten, dat de mens geen lichaam heeft, maar zijn lichaam is, dat de mens niet op te splitsen is in een spirituele natuur en een lichamelijke natuur, maar dat hij een menselijke natuur heeft die zowel spiritueel als lichamelijk is.

Uitgangspunt is dat de mens door God is geschapen, naar Zijn beeld en  gelijkenis, en dat hij bestemd is om in God zijn voltooiing te vinden.  De mens op deze wereld is als het ware op weg van God naar God, hij is een pelgrim op aarde: God is zijn oorsprong en God is zijn bestemming.

Het originele van de “theologie van het lichaam” zit in het feit dat Paus Johannes Paulus de mens bekijkt vanuit drie oogpunten: nl. zijn oorsprong, zijn huidige situatie en zijn uiteindelijke bestemming, met de vraag deze steeds samen te houden.

Het boek Genesis leert ons heel veel over de oorsprong van de mens en ook over de wijze zoals we de mens nu kennen, de wijze waarop we nu ons mens-zijn beleven.

Het boek Genesis geeft een antropologische reflectie over de oorsprong van de mens en hoe de mens is geëvolueerd tot op vandaag.  Paus Johannes Paulus noemt het de originele mens en de historische mens.

In origine is de mens geschapen door God naar zijn beeld en gelijkenis, en God zag dat het goed was, zegt de Schrift. Dat is een belangrijke uitdrukking, want dat zegt enerzijds dat we Gods beeld in ons dragen en anderzijds dat we als een goed zijn geschapen. De mens is geschapen om in relatie te treden met de andere mens. Hij werd als medemens geschapen, niet als individu. De mens leefde in volledige harmonie met God, met zichzelf, met de medemens en met de omwereld. Dat was het “aards paradijs”, dat was de paradijservaring. Het is van deze paradijservaring dat we allemaal dromen en waarnaar we allemaal hunkeren.

Maar deze paradijservaring is vergane glorie, want in onze vrijheid is het kwade geslopen en heeft onze originele harmonie verbroken. De menselijke vrijheid moeten we zien als een geschenk van God die ons de mogelijkheid biedt om ten volle te kunnen delen in de goddelijke liefde. Liefde kan immers nooit worden opgedrongen, alleen maar in vrijheid worden aanvaard. Dat is de reden dat God ons geschapen heeft met die unieke menselijke eigenschap: de vrijheid. Het is de vrijheid die ons doet onderscheiden van alle andere schepselen. Maar die vrijheid was essentieel voor ons mens-zijn, voor ons geschapen-zijn met als doel om te kunnen delen in Gods liefde.

In het verhaal van de schepping komt een keerpunt wanneer het kwade in de mens treedt in het beeld van de slang die de mens verleidt. De vrijheid, die de ingangspoort was van de goddelijke liefde, werd tevens de ingangspoort van het kwade, van wat juist de goddelijke liefde uitsluit, verdringt. Door in te gaan op de uitnodiging van het kwade, door verleiding niet te weerstaan zijn eigen god te willen worden, werd de harmonie in de mens verbroken. Het is het verhaal van alle tijden, ook van ons eigen leven: de verleiding onze eigen god te willen zijn, de schepping en zelfs de mens naar onze hand te willen zetten. Het is het verhaal van de gebroken harmonie: de mens die zich gaat verstoppen voor God, die mens die in conflict komt met de medemens en die uit jaloersheid de andere probeert uit te schakelen, de mens die zijn harmonie verliest met de natuur en diep in zichzelf deze gebrokenheid voelt en ervaart.

Op het moment dat het kwade de harmonie in de mens verstoorde, zodat we moeten spreken van een gebroken harmonie, heeft God in feite twee zaken gedaan, om de mens te helpen om niet volledig onder te gaan in deze gebroken harmonie.

Het eerste is de transformatie van zijn liefde in barmhartigheid: medelijden voor het lijden van de mens en vergeving voor de zonden van de mens. Medelijden en vergeving zijn twee uitdrukkingen van Gods liefde, waarbij Hij aan de mens de mogelijkheid heeft de gebroken harmonie te lijmen, om dit beeld te gebruiken, zonder ze volledig te herstellen. Want het kwade is er steeds om de gelijmde potten opnieuw te breken. Maar Gods barmhartigheid is onvermoeibaar om steeds de gebroken potten opnieuw te lijmen.

Het tweede initiatief van God is fundamenteler, meer ingrijpend. Door zelf mens te worden en zich als het ware zelf te laten grijpen door het kwade in de dood op het kruis, heeft God afgerekend met de absolute macht van het kwade door aan het leven en niet meer aan de dood het laatste woord te geven. Dat is onze verlossing: sinds de dood en de verrijzenis van Jezus zijn we als mens niet meer onderworpen aan de dood, maar staat de verrijzenis in het vizier, is onze uiteindelijke bestemming in God opnieuw verzekerd.

Ik weet dat ik met grote passen de theologie van het lichaam zoals uitgewerkt door Paus Johannes Paulus ben doorgewandeld, maar het geeft ons aanknopingspunten om een beeld te schetsen van de mens, van het christelijk mensbeeld dat we als uitgangspunt en oriëntatie van ons handelen willen nemen.

Dat mensbeeld zouden we als volgt kunnen samenvatten:

      • We zien ieder mens als een uniek wezen, geschapen door God, vanuit zijn liefde, naar zijn beeld en gelijkenis. Iedere mens is dan ook geroepen om Gods liefde te beantwoorden met zijn leven gericht op God. In iedere mens is het goddelijke gelaat aanwezig, in iedere mens ontwaren we de goddelijke origine, ook in deze mens die door de omstandigheden van het leven getekend is of die zijn mens-zijn ondermaats beleeft. In het lichaam ontdekken we dit beeld en gelijkenis van God, wat het lichaam een specifieke waarde heeft en noopt tot een onvoorwaardelijke eerbied voor iedere mens en zijn lichaam, vanaf zijn geboorte tot aan zijn natuurlijke dood. In de mens eerbiedigen we zijn Schepper.
      • Iedere mens is geroepen tot gemeenschap. Dit brengt de verantwoordelijkheid met zich mee dat iedere mens zich moet inzetten voor het welzijn van de medemens. In de liefde voor de medemens toont de mens in deze tijd zijn liefde tot God.
      • Iedere mens is verlost door Christus. Hij blijft weliswaar onderhevig aan de machten van het kwaad, maar deze macht heeft zijn absoluut karakter verloren. Iedere mens staat derhalve voor de opgave deze verlossing te beleven, door zich open te stellen voor Gods genade en met eigen inspanning het geschonden beeld van God in hem te herstellen.
      • Iedere mens is geroepen tot de verrijzenis en een leven totaal opgenomen in Gods liefde. Dat is zijn en onze eindbestemming. Dat perspectief moeten we nu reeds cultiveren en moet ons leven een bijzondere kleur geven. Vanuit dit perspectief zijn er geen hopeloze situaties meer en kunnen we in de meest uitzichtloze situaties hoop blijven geven en vinden.

We gaan nu met deze elementen verder op stap en hernemen de titel van dit referaat: “Voor de hele mens en voor alle mensen”.

Voor de “hele mens”, duidt op een holistische visie op de mens. We zouden kunnen zeggen dat de mens wordt uitgenodigd om in zijn menselijke ontwikkeling steeds de originele harmonie voor ogen te houden en te zien hoe hij deze harmonie kan herstellen, zij het nooit volledig.  Het blijft een streven naar grotere harmonie.

De mens wordt uitgenodigd in grotere harmonie te leven met zijn verschillende levensdimensies, met de verschillende levensterreinen waarin hij zich kan ontplooien en met de verschillende levensrealiteiten waarmee hij in relatie kan treden.

Wanneer we het hebben over de verschillende levensdimensies van de mens, dan hebben we het over de mens als een fysische, psychische, sociale en existentiële eenheid. De harmonische uitbouw van het leven bestaat er nu juist in dat men bewust aandacht besteedt aan deze verschillende levensdimensies, dat men geen dimensies over beklemtoont en andere negeert en dat men bewust leert omgaan met de verschillende dimensies die met elkaar interfereren. Dit zal een grote rol spelen in onze eigen ontwikkeling maar ook in de wijze dat we andere mensen begeleiden, verzorgen, met hen op weg gaan. Vandaar dat men spreekt van een holistische zorg, een holistische opvoeding. En dan wordt juist de aandacht gevraagd opdat alle dimensies van de mens zouden worden ontwikkeld, verzorgd.

Misschien moeten we vandaag heel speciaal aandacht besteden aan de existentiële dimensie bij de mens, vanuit de vaststelling dat dit dikwijls de meest verwaarloosde dimensie is. Het is de dimensie waar de zinvragen ontstaan, en waar ook het geloof en het spirituele een grote rol kunnen spelen om de diepere zin van het bestaan te ontdekken.

Iedere mens heeft de behoefte zich te ontplooien. Hij wil zichzelf realiseren, hij wil ten volle zichzelf worden. We luisteren even naar de filosoof Levinas, die stelt dat de zelfstandigheid, het zich ontplooien van de mens, steeds begint met de inwendigheid. Aan de gerichtheid naar buiten gaat een beweging naar binnen vooraf. Hij noemt het de “repli en soi”. De echte realisatie, aldus Levinas, gebeurt niet in eerste instantie in de actie, maar in de inwendigheid, het echt thuis komen bij zichzelf, waarna de beweging naar buiten kan worden gemaakt.

En dat realiseren van zichzelf, nog steeds volgens Levinas, gebeurt steeds in drie levensterreinen: het genieten, de arbeid en het wonen. Heel het leven zit vervat in deze terreinen en alles kan tot deze drie terreinen worden herleid. We zijn steeds actief in één van deze terreinen: of we genieten van iets, of we presteren via de arbeid of we zijn op zoek naar een ware thuis. En ook hier klinkt het adagium dat het belangrijk is dat we tot een zeker evenwicht komen binnen deze drie terreinen.  Iemand die er nog alleen op uit is van te genieten, zal zich heel vlug leeg voelen. Wanneer ik even de link maak met de psychiatrische zorgverlening en verwijs naar de sociotherapie, waarbij gewerkt wordt aan de rehabilitatie en de resocialisatie van psychiatrische patiënten na een langdurig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis, dan zal men juist aandacht besteden aan deze drie levensterreinen. Mensen moeten geholpen worden om opnieuw zelfstandig te kunnen wonen, en soms hebben ze tijdelijk een beschutte woonvorm nodig. Mensen moeten geholpen worden om opnieuw aan het werk te kunnen gaan, en soms hebben ze tijdelijk een beschutte werkplaats nodig. En mensen moet geholpen worden om opnieuw gezond te kunnen genieten, en ook hier hebben ze begeleiding nodig, want vele vormen van verslaving hebben juist met dit levensterrein te maken.

We leren hier vooreerst het belang van de inwendigheid die aan de beweging ad extra voorafgaat. Gunnen we onszelf nog voldoende inwendigheid, voldoende rust, tijd voor reflectie, voor gebed? Is er in onze dagorde van iedere dag daarvoor een vrije ruimte gecreëerd, of laten we eerder aan het toeval over? Misschien goed om daarover eens grondig na te denken.

En anderzijds worden we uitgenodigd om na te denken over deze drie levensterreinen die ons actieve bestaan omkaderen: zitten we hier in een goed evenwicht? Welk terrein is hier bedreigd? Iemand die werkzoekende is kan op termijn echt in de knoei raken met zichzelf omdat hij zijn leven zonder werk als echt zinloos gaat ervaren. Het is dan bijvoorbeeld een kleine stap om zich te storten in het genieten, om weg te dromen van de werkelijkheid en om uiteindelijk in de verslaving terecht te komen.  Dus allemaal zeer herkenbaar.

Er is nog een derde invalshoek die in onze holistische visie op de mens van belang is: het zijn de levensrealiteiten waarmee de mens geconfronteerd wordt en die hem van individu tot een persoon omvormt. En dan gaat het uitdrukkelijk over de relaties: de mens in relatie met zichzelf, met de medemens, met de omgeving en met God. Het is tegelijk via deze relaties dat de mens probeert zijn gebroken harmonie te herstellen. Hier wordt de mens ook getransformeerd van individu, gesloten in zichzelf tot een persoon, open  voor de realiteit om zich heen.

In de filosofie werd heel terecht het personalisme ontwikkeld als duidelijke reactie tegen het collectivisme dat de Westerse wereld in de eerste helft van de twintigste eeuw grondig tekende onder de invloed van het communisme, dat grote delen van de wereld innam.

In België was het vooral Prof. Louis Janssens die begin de jaren ’60 aan de Leuvense universiteit een personalistisch mensbeeld als maatstaf voor de ethiek ontwikkelde.  Vandaag kan dit ook beschouwd worden als een krachtig antwoord tegen het individualisme, dat steeds meer uitbreiding kent en de mens van zijn sociale dimensie losweekt.

Janssens onderscheidde in zijn personalistisch mensbeeld acht dimensies van de menselijke persoon, en u zult zien dat ze verband houden met de zojuist genoemde vier levensrealiteiten. Janssens ziet de mens als een subject, als een subject in lichamelijkheid, met een lichaam dat een deel is van de materiële wereld, de mens die wezenlijk op elkaar is gericht, de mens die nood heeft aan een leven in sociale groepen en daarvoor passende structuren nodig heeft, de mens geschapen naar Gods beeld en geroepen om God te kennen en te beminnen, de mens als historisch wezen en de stelling dat alle mensen fundamenteel gelijk zijn en tegelijk uniek.

Het is vanuit dit mensbeeld dat moraaltheologen en ethici hun eigen ethisch denkkader hebben ontwikkeld, dat we nu kennen als de personalistische ethiek. In de personalistische ethiek wordt duidelijk uitgegaan van de mens in zijn totaliteit en probeert men de verschillende dimensies van de mens in kaart te brengen. Een daad wordt er ethisch gewaardeerd in het licht van de mens in zijn totaliteit.  Voorop staat het “goede leven” en alle waarden die vervuld moeten worden om dit goede leven te bereiken en te bevorderen.

Het is hier niet de plaats in verder in te gaan op de personalistische ethiek, de kansen en de beperkingen die deze inhoudt, maar alvast mag het duidelijk zijn geworden dat het christelijk mensbeeld dat we voorhouden een holistische en tegelijk personalistische visie op de mens huldigt. Het is met en vanuit deze visie dat we nu de stap willen zetten naar onze missie, m.a.w. hoe laten we onze mensvisie onze concrete handelingen naar mensen toe en met mensen kleur en richting geven.

      1. Onze missie gericht op de zorg voor de kwaliteit van het leven en de promotie van de menselijke waardigheid.

Een visie, waar men steeds moet mee beginnen, wordt slechts vruchtbaar als ze haar vertaling vindt in een duidelijke missie, die heel concreet richting wil geven aan ons handelen.

Voor onze reflectie vandaag zou ik twee elementen heel speciaal in de verf willen zetten en die m.i. de hoofdingrediënten uitmaken van onze missie als christen in de wereld van de zorg, van de opvoeding, van iedere vorm van inzet voor het welzijn van medemensen. Het gaat of het zou steeds moeten gaan over de zorg om de kwaliteit van het leven te verbeteren en onze bekommernis om de menselijke waardigheid te verdedigen, te promoten en te herstellen.

We willen even dieper ingaan op deze twee begrippen: kwaliteit van leven en menselijke waardigheid.
Wanneer we het hebben over de kwaliteit van het leven zal het steeds te maken hebben met elementen die we hebben aangegeven als onderdelen van het mensbeeld die we willen bevorderen. We zullen ons steeds moeten afvragen of we bij een bepaalde handeling de kwaliteit van leven verbeteren. Probleem is echter dat dit moeilijk meetbaar is en dat het bepalen van het feit of er al dan niet levenskwaliteit aanwezig of afwezig is in eerste instantie toekomt aan de persoon in kwestie en dat het daarom steeds moeilijk is om de levenskwaliteit bij een ander in te schatten. Levenskwaliteit is een subjectief begrip. Tegelijk, vooral vanuit onze holistische en personalistische visie op de mens, moeten we ons de vraag stellen of levenskwaliteit als een optelsom kan worden gezien van de kwaliteit die afzonderlijk aan de verschillende dimensies en terreinen van het leven worden gegeven, of dat er iets is dat die optelsom overstijgt. Valt met andere woorden de uiteindelijke zin van het leven samen met het hebben van deze kwaliteitsvolle ervaringen, of heeft het eerder met het zijn van de mens als dusdanig te maken. En hier kunnen we dan van het existentiële als de overkoepelende zinservaring spreken: de mens die zelfs bij het heel miniem worden van de kwantificeerbare levenskwaliteit op verschillende terreinen, toch nog zin kan hebben in het leven als dusdanig. Het “zijn” als mens is steeds meer en ruimer dan het “hebben” van levenskwaliteit.

Teneinde dit wat verder uit te diepen, zou ik een onderscheid willen maken tussen wat we kunnen noemen de essentiële en de accidentele kwaliteit van het leven.

Wanneer we het hebben over de verschillende elementen die de kwaliteit van het leven uitmaken, verwijzend naar de verschillende elementen die we in ons mensbeeld probeerden te onderscheiden, dan gaat het meestal over wat we zouden kunnen noemen de accidentele kwaliteit. Het gaat dan over onderdelen die ieder op zich belangrijk zijn, op de één of andere manier te meten zijn, maar tegelijk slechts ten dele en nooit volledig de echte levenskwaliteit kunnen bepalen. Het is evenwel zeer belangrijk om werk te maken, bijvoorbeeld in de gezondheidszorg en de therapeutische begeleiding, om de kwaliteit binnen deze verschillende terreinen te verhogen. Wanneer men pijn heeft, wat zich situeert op het fysische vlak, en deze pijn is zodanig dat ze de levenskwaliteit ernstig aantast, is het van belang dat men zoekt hoe deze pijn te verminderen en te beheersen om zo de kwaliteit van het leven in zijn globaliteit, dus in zijn essentie te verhogen. Dat is ten andere één van de belangrijke elementen in de palliatieve zorg en de ervaring leert dat mensen die bij extreem lijden zelfs denken aan euthanasie bij een verbeterde pijncontrole opnieuw zin vinden in het leven. Voor hen was het hebben van pijn en het leven komen samen te vallen, en eenmaal de pijn onder controle komen ze in staat om opnieuw het onderscheid te maken. Hun vraag om verlost te worden uit het leven was eigenlijk de vraag om verlost te worden van de pijn. Het is deze “zin” in het leven die we dan de essentiële kwaliteit van het leven kunnen noemen.

De essentiële kwaliteit van het leven ziet de mens als mens in zijn totaliteit, echt holistisch en personalistisch, en ook al zijn deelelementen verstoord, is met andere woorden dat accidentele kwaliteit van het leven negatief gekleurd, de essentiële kwaliteit van het leven blijft behouden, wordt daardoor wel verstoord maar niet fundamenteel aangetast of weggenomen. Het gaat hier dan over de objectieve waarde van het leven, de levenszin die te maken heeft met de menselijke waardigheid, de eigenlijke kern van ons mens-zijn.

Het is een visie met een verstrekkend gevolg, heel actueel in de huidige discussies over het al dan niet toestaan van euthanasie, waar dikwijls gegoocheld wordt met het begrip kwaliteit van leven en vooral gebrek aan kwaliteit van leven als argument om de euthanasievraag in te willigen en de euthanasie als dusdanig dan te zien als een werk van barmhartigheid waarbij men de mens verlost uit een leven dat alle kwaliteit heeft verloren. Het onderscheid tussen de accidentele en de essentiële kwaliteit van het leven zag ik zeer duidelijk bij mijn eigen moeder die vorig jaar op hoge leeftijd overleed. Haar accidentele levenskwaliteit ging gestaag achteruit, ze moest steeds meer geholpen worden in het vervullen van haar basisbehoeften. Soms klaagde zij daarover uitdrukkelijk. Maar ondanks deze achteruitgang van haar accidentele levenskwaliteit, bleef ze positief gehecht aan het leven en vond ze nieuwe wegen om van kleine zaken te genieten. We kunnen zeggen dat haar essentiële kwaliteit van het leven overeind bleef omdat ze erin slaagde het leven als dusdanig te blijven waarderen.

Dit wordt ook zeer duidelijk beschreven door Prof. Herman De Dijn in zijn artikel “Palliatieve zorg: in dienst van meer levenskwaliteit”. Ik citeer hier een deel uit dit artikel: “Ons ethisch besef, ons geweten, vertelt ons dat elke mens een speciale waardigheid bezit waardoor hij of zij nooit gereduceerd kan worden tot een middel; de mens is ‘hors commerce’. Geen enkel leven, hoe onbenullig of miserabel ook, mag in dienst staan of opgeofferd worden voor de veiligheid of levenskwaliteit van anderen. Die elementaire waardigheid komt elke mens toe, ongeacht zijn kwaliteiten of prestaties, ongeacht wat die mens van zichzelf en van zijn leven vindt. De  menselijke waardigheid strekt zich zelfs uit tot buiten de grenzen van het menselijke leven: ze geldt ook op een of andere manier voor het ongeboren leven en de doden.  eze elementaire waardigheid kan een mens niet verliezen; ze kan wel miskend of met voeten worden getreden”.

Uit dit alles kunnen we een tweevoudig besluit trekken. Vooreerst dat de accidentele levenskwaliteit nooit de ultieme norm kan worden op basis waarvan iemand bepaalt of zijn of haar leven nog al dan niet zinvol is. Er is steeds nog iets dat die accidentele levenskwaliteit overstijgt, zowel in eigen leven als in het leven van een andere, en dit noemen wij dan de essentiële levenskwaliteit.

Anderzijds klinkt hier ook de opdracht om blijvende energie te investeren om de accidentele levenskwaliteit te verhogen, zowel bij zichzelf als bij anderen, om zo aan de essentiële levenskwaliteit meer ruimte te geven, meer substantie, meer body te geven. Wanneer immers de accidentele levenskwaliteit verhoogt, zullen mensen het gemakkelijker hebben om ook de waarde van hun leven als dusdanig te ontdekken, soms te herontdekken. En hier spelen de verschillende elementen die de kwaliteit van het leven bepalen een belangrijke mekaar aanvullende rol. Wanneer iemand bijvoorbeeld heel veel pijn heeft, de deze pijn is somatisch heel moeilijk onder controle te krijgen, kan de aanwezigheid van dierbare medemensen en liefdevolle zorgverleners een echt troost bieden en de zogenaamde uitzichtloze situatie die met de pijn is ontstaan minder uitzichtloos maken. De mens is immers nooit te reduceren tot één element, en de verschillende elementen hebben ook steeds een invloed op mekaar. De mens is meer dan de optelsom van zijn verschillende onderdelen. De mens is en blijft een holistisch wezen, een realiteit op zich, de verschillende onderdelen en dimensies van zijn mens-zijn overstijgend.

Dit onderscheid tussen de accidentele en de essentiële kwaliteit van het leven heeft ook een groot impact op de wijze we kijken naar mensen die in de wereld ogenschijnlijk niets kunnen doen, helemaal niet nuttig zijn. Denken we maar aan mensen met een zware dementie, mensen met een zware mentale handicap. Hun accidentele levenskwaliteit kan tot een minimum zijn herleid; maar ze blijven steeds mens en dat geeft hen een essentiële kwaliteit. Ze “zijn” er, met de klemtoon op “zijn”, en soms is hun enige betekenis dat ze een oproep zijn naar anderen om voor hen te zorgen. Zij worden dan de oorzaak dat bij anderen de menselijke liefde kan groeien, ja, zich kan uitzuiveren tot een naastenliefde die ontdaan is van alle wederkerigheid, van alle berekendheid. Door hun dikwijls volstrekt stilzwijgende aanwezigheid vrijwaren ze de wereld en de mensen in die wereld van alleen nog maar met zichzelf bezig te zijn. Zij zijn de veroorzakers van het zo nodige altruïsme in de mens. Ze roepen de mensen op de zogenaamde zachte waarden niet te vergeten, waarden die luisteren naar namen als dienstbaarheid, compassie, barmhartigheid, in één woord: liefde. En onze inzet voor hen maakt ons tot betere mensen: mensen die uitgroeien tot medemensen die hun ware roeping weten uit te zuiveren tot de roeping mekaar echt lief te hebben.

Wanneer mensen bij wie de accidentele levenskwaliteit bijna nihil is tot dit in staat zijn, namelijk mensen tot liefdevolle medemensen te laten groeien, dan kan hun essentiële kwaliteit van hun leven als zeer hoog worden beschreven. Maar dan moeten we wel anders kijken naar medemensen in een maatschappij die alles zet op uiterlijkheden, op nuttigheid, op genot.

Verschillende malen hebben we reeds de menselijke waardigheid aangehaald. Ik verwijs nog eens naar Paul Ricoeur die de volgende gekende woorden uitsprak: “Bij ieder ethisch handelen moeten we streven naar een zo hoog mogelijke menswaardigheid”.

We weten ondertussen dat deze zin in een heel eigen invulling van de personalistische moraal op bepaalde momenten een wig heeft gedreven tussen wat we gemeenlijk het handelingsdeontologisch model noemen, waarbij de handeling op zichzelf wordt gewaardeerd en waarbij handelingen die intrinsiek slecht zijn nooit door de intentie als goed kunnen worden beschouwd, en het personalistisch model waarbij steeds meer de nadruk kwam te liggen op de intentie, tot en met de stelling dat handelingen nooit intrinsiek goed of kwaad kunnen zijn, alleen maar pre-moraal, en dus hun moraliteit juist verkrijgen door de intentie van waaruit de handeling wordt gesteld.

Opnieuw is het hier niet de plaats om daar dieper op in te gaan, maar we zullen daar zeker nog even op terug komen als het we in het derde deel hebben over onze strijd voor het absoluut respect voor alle leven.

Momenteel volstaat het de nadruk te leggen op de dringende eis om steeds de waardigheid van de mens, van iedere mens te respecteren, te bevorderen en indien nodig te herstellen. Hoe dikwijls worden we in het dagelijkse leven niet geconfronteerd met situaties waarbij de menselijke waardigheid niet gerespecteerd wordt, zeker niet bevorderd wordt en waar we dus de ethische plicht hebben om deze menselijke waardigheid te herstellen. In zijn encycliek “Evangelium vitae” heeft Paus Johannes Paulus II het heel gevat uitgedrukt: “De gehele maatschappij met de waardigheid van iedere menselijke persoon eerbiedigen, beschermen en bevorderen, op alle ogenblikken van zijn leven, in welke toestand hij zich ook bevindt”.

We willen even stilstaan bij deze drie woorden van Paus Johannes Paulus: eerbiedigen, beschermen, bevorderen.

Vooreerst moeten we de menselijke waardigheid van iedere persoon in alle omstandigheden eerbiedigen. Dat verdraagt geen uitzondering.  Soms lijkt het erop dat men vandaag meer eerbied voor de natuur heeft, vanuit een terecht groeiend ecologisch besef, maar dat dezelfde groei voor de eerbied voor de mens uitblijft, wel integendeel. Wanneer men vandaag op straat komt voor het klimaat, en daarvoor een grote waardering toegemeten krijgt, is het wel verwonderlijk dat zij die op straat komen om de eerbied voor alle leven op te eisen onmiddellijk in een oerconservatief kamp worden geschoven. Nochtans gaat het beiden om het leven: het leven van de natuur en het leven van de mens. We zouden mogen veronderstellen dat het leven van de mens nog steeds belangrijker is dan het leven van de natuur, zonder dit laatste evenwel te onderschatten.  Ik vraag mij af of het spijbelen van studenten ook zou worden getolereerd en zelfs aangemoedigd indien het zou gaan over de “mars voor het leven”.  U hoeft me geen antwoord te geven.

Vanuit de eerbied vloeit de bescherming voort. Indien de menselijke waardigheid op de een of andere wijze wordt bedreigd, moeten we alles in het werk zetten om het te beschermen. Het is ten andere daarop waar Paus Johannes Paulus in zijn encycliek “Evangelium vitae” zo sterk de klemtoon op legt en waar we vandaag voortdurend mee geconfronteerd worden in de discussies rond abortus en euthanasie.

De absolute bescherming van het leven wordt bijzonder acuut wanneer het gaat over leven dat zichzelf niet kan beschermen en waar anderen op een vrij autonome wijze beslissingen kunnen nemen over het laten geboren worden, leven of voortleven. Bij een recent bezoek in Zuid-Afrika zag ik in Johannesburg overal advertenties voor abortus met telkens een telefoonnummer erbij.  “Safe abortion, pain free”. Eerst dacht ik dat het te maken had met één of andere verkiezingscampagne, maar naderhand vertelde men mij dat het advertenties waren van abortusklinieken die blijkbaar als paddenstoelen uit de grond rijzen en waar helemaal vrij een abortus kan worden uitgevoerd. Elk meisje of vrouw kan er ongeacht haar leeftijd abortus laten uitvoeren, gewoon op aanvraag, en dat tot en met de 12de week van de zwangerschap. Na deze periode wordt een aantal voorwaarden gesteld, maar blijft abortus nog steeds zeer toegankelijk. In een staatshospitaal is het tevens gratis, maar vanwege de lange wachtlijsten kiezen velen voor privé-instellingen, die er nu echt een nieuwe markt in hebben gevonden. Daarmee is Zuid-Afrika één van de meest progressieve landen op het vlak van abortus, maar is deze ingreep op het leven er tegelijk ook volledig gebanaliseerd. Gelukkig zijn er ook groepen die proberen tegen deze trend in te gaan en zwangere vrouwen alternatieven aanbieden om de zwangerschap toch te behouden.  In één van onze huizen is samen met de Zusters van Liefde een opvang opgericht voor zwangere vrouwen die bescherming zoeken om hun zwangerschap te voleindigen tegen de druk van hun familie in die hen zelfs met geweld tot abortus willen aanzetten. Ik was er getroffen bij mijn bezoek om jonge moeders te ontmoeten die heel onbevangen hun verhaal deden en nu met grote dankbaarheid zorgden voor hun pasgeboren kindje. Hier werd het “Evangelie van het leven” volle werkelijkheid, maar tegelijk ervaarden we hoe moeilijk het deze groepen hebben omdat ze voortdurend geconfronteerd worden met tegenwerking, vanuit de overheid maar ook vanuit andere internationale ngo’s die sterk vrije abortus propageren.

Eerbiedigen, beschermen, en dan komt bevorderen van de menswaardigheid. Het komt erop aan ons echt te bekommeren om het fragiele leven in al zijn vormen. We denken hier aan mensen met een mentale handicap, mensen met een zware dementie, chronisch geworden psychiatrische patiënten. Neen, voor de maatschappij tellen ze niet of niet meer mee. Ze zijn letterlijk uitgeteld. Het gevaar is dan ook aanwezig dat er steeds minder aandacht gaat naar deze mensen, dat financiële middelen in de zorg vooral gaan in acties die mensen terug nuttig kunnen maken in de maatschappij. In teksten over de  “kost van de zorg” gaat het overwegend over deze groepen die toch niet te genezen zijn. Wanneer men droomt van een “Down-vrije” maatschappij, is dat een teken van vooruitgang van onze beschaving, of gaan we terug naar Spartaanse praktijken waarbij kinderen met een gebrek van de berg werden gegooid? Daar zijn we terecht verontwaardigd over, ook over de nazi-praktijken waarbij mensen met een handicap en psychiatrische patiënten massaal werden vernietigd. Maar zijn we even verontwaardigd over het aanprijzen van vroegtijdige diagnose en een daaropvolgende eugenetische abortus van kinderen met het syndroom van Down. In mijn kamer heb ik een veelzeggende foto staan van een meisje met het syndroom van Down, met de vraag: “Heb ik nog het recht om te leven?”

Het leven bevorderen houdt dan ook in dat we als maatschappij een grote aandacht en zorg aan de dag moeten blijven leggen voor wat we in algemene termen de fragiele medemens kunnen noemen en die niet discrimineren wegens de zogenaamde tekorten die hij of zij bezit. In een land als België, waar vanuit de speciale zorg van de Kerk door vele kloostergemeenschappen een vooruitstrevend netwerk van zorgverlening werd uitgebouwd, heel speciaal voor deze fragiele medemensen, zou het een punt van eer moet zijn om deze traditie verder te zetten en dit als een ruim gedragen maatschappelijke verantwoordelijkheid te beschouwen.

      1. Consequent handelen vanuit onze visie en missie.

Zo kom ik aan mijn derde deel, en dit wens ik heel concreet in te vullen.  Vanuit een duidelijke visie, een goede uitgebouwde theoretisch concept, zijn we gekomen tot een even duidelijke missie en komt het er nu op aan deze missie vlees en bloed te geven.  Dus naar de praktijk!

Onze  missie brengt ons vóór alles bij de caritas. Caritas is vandaag een beladen begrip. Enerzijds kunnen we ons de vraag stellen hoeveel caritas er nog aanwezig is in onze gezondheidsinstellingen en anderzijds hoe wordt het begrip caritas ingevuld. Nog te dikwijls wordt caritas tegenover deskundigheid geplaatst, alsof er vroeger alleen maar caritas was en er nu gelukkig deskundigheid in de plaats is gekomen.

Caritas en deskundigheid hoeven helemaal niet tegenover mekaar te worden geplaatst, wel integendeel.  In echte caritas is de  deskundigheid aanwezig en vindt de caritas haar vertaling in de deskundigheid.

Drie zaken  zijn m.i. belangrijk als we spreken over caritas.

Vooreerst kan er slechts sprake zijn van caritas als we onze handelingen laten vertrekken vanuit een liefdevolle grondhouding, een grondhouding die haar inspiratie vindt in de liefde van God. Caritas is steeds een afstraling van Gods liefde. De ware bron van caritas is de Agape.  Zonder Agape geen caritas.  We moeten ons dus de vraag durven stellen of we nog bereid zijn ons open te stellen voor Gods liefde.  Is er in onze zorg nog ruimte voor de noodzakelijke spirituele voedingsbodem, of is er alles zo verzakelijkt dat daarvoor geen ruimte meer is. Toch moeten we een nuance aanbrengen, want Gods liefde kan ook werkzaam zijn zonder dat men er zich echt bewust van is. Ik verwijs hier naar de gekende passage uit het Mattheus-evangelie waar Jezus het heeft over de oordeelscriteria. Daar zegt Hij dat alles wat we doen voor één van de kleinsten en de armsten aan Hem zelf is gedaan. Dit gevleugeld woord van Jezus komt er als antwoord op de vraag dat men zich niet bewust was dat men liefde voor Jezus had betoond.  De H. Geest kan dus ook werkzaam zijn in mensen die zich niet bewust open stellen voor Gods liefde, maar er zich ook niet a priori voor afsluiten. Maar zij die geloven  kunnen eigenlijk dit excuus niet aanwenden. Dus voor gelovigen geldt echt dat men zich bewust moet openstellen voor Gods liefde om zo doordrongen te worden door zijn liefde en echte caritas-mensen te worden.

Caritas zie ik als een beweging van liefde, compassie, concrete actie en dat op een deskundige wijze. Alles begint inderdaad bij de liefdevolle grondhouding. Dat maakt juist het verschil met de filantropie, waar het uitsluitend gaat over hulpverlening. Bij caritas gaat het over liefde en het is vanuit deze liefde dat men hulp zal verlenen. Vanuit de liefdevolle grondhouding zal men zich openstellen voor het lijden van de medemens en compassie met hem of haar ontwikkelen. Men voelt als het ware het lijden van de andere, men treedt met gans zijn bestaan in het lijden van de andere. Compassie is een emotionele beweging, een affectieve act die zich verder moet vertalen in concrete, effectieve hulpverlening. Bij caritas komt de hulpverlening dus slechts op de derde plaats, na de liefde en de compassie. En men zal deze hulpverlening goed willen doen, zo goed mogelijk, dus op een deskundige  wijze. Caritas zal dus altijd eindigen in deskundige hulpverlening. Wanneer de deskundigheid wordt afgesneden van de caritas, dan schiet er slechts koude techniciteit over. En dat is wat we vandaag soms meemaken in onze gezondheidsinstellingen wanneer het hart van de caritas eruit verdwenen is. Mensen worden er objecten waarop technieken worden uitgevoerd en verliezen hun statuut van subjecten waarmee op een deskundige wijze wordt omgegaan.

Als derde element bij de caritas wens ik opnieuw te verwijzen naar Mattheus 25 waar Jezus zegt dat alles wat men aan de medemens doet aan Hem is besteed. Door de caritas gaan we Jezus zelf zien, ontmoeten en beminnen in de medemens. De medemens wordt de vindplaats van Jezus. Hier komt er als het ware een versmelting van de caritas en gebed. Zowel gebed als caritas worden ontmoetingen met de levende Heer. Dat is wat Vincentius zo gevat uitdrukte wanneer hij het had over het verlaten van God om God te vinden. Het was dan het gebed verlaten om een medemens te helpen, en in feite in het helpen van de medemens het gebed ook verderzetten.

Vanuit deze drie bedenkingen over de caritas is het onze dringende opdracht vandaag onze  handelingen in onze zorgverlening te durven spiegelen aan dit grote ideaal. Caritas op deze wijze ingevuld kan alleen maar een meerwaarde geven aan onze zorg.

Als tweede element zou ik de solidariteit willen aangeven. Onze visie en missie roept ons op om echt solidair te worden met allen die op onze levensweg passeren. We zouden het opnieuw met Levinas kunnen zeggen: “Het gelaat van de andere stelt me voor een ethisch imperatief”. Iedere ontmoeting met de andere, in gelijk welke situatie hij of zij zich bevindt, is een uitnodiging om met die andere rekening te houden, om hem of haar te vragen hoe we hem of haar van dienst kunnen zijn. Het is de concretisatie van de parabel van de barmhartige Samaritaan. Gewoon de aanwezigheid van de andere roept hem op om zijn comfortzone te verlaten en medemens te worden van diegene  die in nood is.

Die parabel blijft m.i. razend actueel. Hoe dikwijls zijn we er niet met allerlei excuses, dat we toch niet alles kunnen doen, dat we er de middelen niet toe hebben, dat er toch andere instanties zijn die hun verantwoordelijkheid moeten opnemen, dat het een taak is van de politiek om daarvoor meer substantiële  oplossingen voor uit te werken.

Solidariteit roept ons op om inderdaad vragen om hulp die op ons afkomen meer structureel aan te pakken, maar tegelijk de onmiddellijke hulp niet uit de weg te gaan. Het is goed dat er armoederapporten worden opgesteld, waar op een heel wetenschappelijke manier het armoedeprobleem in kaart wordt gebracht. Maar we mogen het bij deze rapporten niet laten.  In een tijd van steeds groter wordende bureaucratie en verzakelijking is het gevaar groot dat we problemen gaan inpakken in dossiers en wetenschappelijk onderzoek, in statistieken en sociologische studies, maar dat we de handen niet meer uitsteken om concreet de medemens in nood te helpen. Bureaucratie werkt dikwijls verlammend. Procedures moeten er zijn, maar soms zijn ze een echte belemmering om vlug en adequaat te reageren bij een acute noodsituatie.   We hebben al meegemaakt dat iemand als te ziek wordt beschreven om opgenomen te kunnen worden in een psychiatrisch ziekenhuis.

Subsidiëring van de zorgverlening is een goede zaak en is een teken dat het solidariteitsprincipe ook op het hoogste niveau van de maatschappij is doorgedrongen. Maar wanneer subsidiëring van de overheid een steeds zwaardere reglementering veroorzaakt zodat men uiteindelijk niet meer de mensen kan opnemen waarvoor men initieel het werk is begonnen, dan schort er iets met deze vorm van solidariteit.  Ik denk dat we dit heel sterk aanvoelen in de ganse problematiek van de vluchtelingen. De controlesystemen worden zo groot dat het uiteindelijk moeilijk wordt om het gelaat van de andere nog echt te zien, laat staan om hem de vraag te stellen wat we echt kunnen doen om hem te helpen.

Daarom strijd ik al heel mijn leven tegen de bureaucratie en de verzakelijking, maar u moogt weten dat het een harde en moeilijke strijd is, en ik heb de indruk dat ik er vandaag zeker niet als overwinnaar uitkom. Bureaucratie en verzakelijking fnuiken zowel de caritas als de solidariteit, omdat ze voor caritas en solidariteit geen ruimte meer geven.

Als derde element in ons vertaalwerk van onze missie zou ik de aandacht willen vestigen op de strijd om het absoluut respect van alle leven te handhaven en ook te bevorderen.  Ik denk dat we hier voor een enorme uitdaging staan, vooral hier in onze Westerse wereld waar de absolute zelfbeschikking, absolute autonomie en de absolute vrijheid de absoluutheid van het respect voor alle leven grondig aantast en zelf helemaal verdrukt.

Vanuit ons christelijk mensbeeld, waarbij we de mens beschouwen als geschapen door God naar zijn beeld en gelijkenis, verlost door Christus en geroepen om eenmaal in te treden in de eeuwigheid van Gods liefde, kunnen we niet anders dan een absoluut respect voor alle leven te verdedigen.

Het gevaar is vandaag dat we alles plaatsen onder de intentiemoraal, en de moraliteit van iedere daad afhankelijk gaan maken van de intentie van waaruit deze daad is gesteld. Ik ben niet tegen de intentiemoraal en een ethiek waar wel degelijk rekening wordt gehouden met de intentie, maar er zijn nu eenmaal daden die intrinsiek kwaad zijn, daden die juist de integriteit van het leven aantasten. We zitten hier in de volle realiteit wanneer we het hebben over euthanasie. Hier raken we het leven als dusdanig en wordt een daad gesteld die intrinsiek slecht is. Het doden van een medemens kan nooit door de intentie waarmee de daad wordt gesteld als minder kwaad en zelfs als een goed worden beschouwd.  Euthanasie kan nooit als een vijftiende werk van barmhartigheid worden beschouwd.

Als Broeders van Liefde worden we met deze vragen geconfronteerd bij psychiatrische patiënten die zwaar psychisch lijden en die hun lijden als uitzichtloos en ondragelijk gaan beschouwen. We mogen onszelf niet afsluiten van deze realiteit, maar euthanasie als antwoord aanbieden bij deze patiënten is m.i.  een grove vergissing en getuigt van een falen van onze psychiatrische zorg, want het gevoel van uitzichtloosheid is juist dikwijls kenmerkend  bij een psychiatrische aandoening. Het is dan aan de hulpverleners om alles in het werk te stellen om deze patiënten nabij te zijn en nabij te blijven en hen nooit het gevoel te geven dat ze zogezegd uitbehandeld zijn.

Maar ook in onze zorg voor mensen met een zware mentale handicap, met een zwaar dementerend proces worden we met deze vragen geconfronteerd. In plaats van ons te begeven op sacrale grond en de sacraliteit van het leven aan te tasten, moeten we daarentegen alles in het werk stellen om deze mensen te blijven verzorgen met het beste dat we hen kunnen geven. Ik huiver wanneer we zouden moeten zeggen dat euthanasie voortaan bij ons behandelingspakket zal worden gevoegd.

Het is niet om trendy over de komen dat we als laatste element van onze concretisatie van onze missie het trio vrede, gerechtigheid en heelheid van de Schepping aangeven. Het is de sociale zijde van de evangelische boodschap die we hier gestalte willen geven. Het gaat dan vooral over de wijze dat we met mekaar omgaan op de werkvloer, in de werksituatie. Ook dit moet de evangelische toets doorstaan. Het gaat over de relatie met de medemens en met de omgeving. Plaatsen waar mensen worden verzorgd en begeleid, plaatsen waar mensen in moeilijkheden terecht kunnen en armen worden opgevangen, moeten inderdaad goed georganiseerd worden, maar het moet met een heel speciale vorm van management gebeuren. Deze plaatsen moeten mensgericht blijven naar diegenen die er om hulp vragen als naar diegenen die er de hulp verlenen. Het moeten menselijke organisaties blijven.

In onze westerse maatschappij zal het vooral gaan over het behoud van dat menselijke gelaat, zelfs in  groter wordende organisaties. Als een organisatie er niet is om te dienen, dient ze tot niets. Wat heeft het laatste woord in de besluitvorming: de financiële balans of de mens die er verzorgd en gediend wordt? Wat zijn de thema’s die op de Raad van Bestuur verschijnen: heeft men het er nog over de mens die men er verzorgt, en heeft men het er nog over de medewerkers, of zijn dat allemaal effectieven geworden binnen het zakencijfer?

Wanneer ik naar Afrika ga, die word ik er geconfronteerd met zware vormen van corruptie. Dan komt het erop aan om als voorziening te weerstaan om gewoon maar mee te doen met deze corruptieve praktijken. We worden er geconfronteerd met etnische spanningen die soms heel moeilijk te overkomen zijn. Zijn onze voorzieningen daar plaatsen waar men inspanningen doet om vredevol met mekaar samen te leven en samen te werken?

Vandaag is er een grotere gevoeligheid voor het klimaat, voor onze ecologische voetafdruk. Dat moet ons als christen ook bezig houden; de zorg voor de schepping is onrechtstreekse zorg voor de mens, voor zijn voortbestaan en voor zijn toekomst. De schepping is ons in handen gegeven om haar te cultiveren en niet om haar te verwoesten. Ook dat mag geen theoretische overweging blijven, maar moet zich heel concreet vertalen in ecologische maatregelen waar we echt onze verantwoordelijkheid kunnen voor nemen. Het gaat dan over energieverbruik, over de voedselverspilling, over het gebruik van water.

We kunnen iets leren van abdijen die soms heel consequent maatregelen nemen die een groot positief ecologisch effect hebben.

      1.  Voor de hele mens en voor alle mensen …

Het bracht ons tot een wandeling vanuit onze visie, over onze missie naar hoe we dit concreet proberen te vertalen. Het concrete blijft de verantwoordelijkheid van eenieder van ons en zal verschillende invulling krijgen hier in België en in Afrika of Azië.

Vanuit ons eigen charisma als Broeders van Liefde,  dat ons handelen toch heel concreet blijft tekenen, blijven we een eigen invulling te geven aan deze opgave om ontwikkeling steeds te zien voor de hele mens en voor alle mensen. We zeggen daarbij niet dat we het allemaal op een ideale manier verwezenlijken. Spanningen en zelfs meningsverschillen zijn ons niet vreemd, maar steeds worden we opgeroepen om bij concrete spanningsvelden terug te keren naar onze missie en uiteindelijke naar onze visie die de grote oriëntatie moet blijven waarvan we niet kunnen afwijken.

 

Br. René Stockman

Juni 2019

Bidden en strijden blijf ik, wat zij mij ook doen

In zijn tweede brief aan de Tessalonicenzen spreekt Paulus over de wederkomst en haar voortekens. Sommigen verwijzen graag naar deze tekst en beweren dan dat de huidige tekenen van de tijd het einde der tijden inluiden. We geloven dat er een einde der tijden zal komen, het moment dat God alles in Christus zal herstellen, zoals het zo mooi werd uitgedrukt door de heilige Paus Pius X: “Instaurare omnia in Christo”. Maar Paulus spreekt vooral over de tijd die dit grote moment in de geschiedenis zal voorafgaan, en in feite leven we reeds in deze tijd vanaf de komst van Christus op aarde. Het is de tijd tussen de verrijzenis en de hemelvaart van Christus en het moment dat Christus zal terugkomen om allen te oordelen. Het is de voorbereidingstijd op het moment dat we ten volle zullen worden opgenomen in Gods heerlijkheid. Ten tijde van Paulus dachten velen dat de Heer Jezus heel vlug zou terugkomen, en daarom vonden ze het niet meer de moeite zich hier op aarde nog in te zetten. Paulus’ brief is als waarschuwing heel speciaal geschreven aan deze mensen die, zoals hij het zo mooi uitdrukt, “werkeloos rondhangen, alle moeite schuwen, maar wel zich met alles bemoeien” (2 Tess. 3, 11). Aan dezen geeft hij de volgende oproep: “Wij moeten u echter verzoeken, broeders, in verband met de komst van onze Heer Jezus Christus en onze hereniging met Hem, niet zo gauw uw bezinning te verliezen en u niet te laten opschrikken door profetieën of uitspraken of een brief die van ons afkomstig zou zijn, en die beweren dat de dag van de Heer is aangebroken. Laat u door niemand iets wijsmaken!” (2 Tess. 2, 1-3). We kennen inderdaad die profeten die niet ophouden het einde van de wereld te voorspellen. En steeds hebben ze een excuus waarom het ditmaal opnieuw niet is gelukt. Eigenaardig hoe sommigen daarin blijven trappen. Paulus zegt het ons uitdrukkelijk: “Laat u door niemand iets wijsmaken”.

Maar daarna gaat hij in op de zogenaamde tussentijd, de voorbereidingstijd op de definitieve terugkomst van Christus, dus onze huidige tijd, en deze woorden kunnen ons niet onbewogen laten. “Eerst moet de grote afvalligheid van het geloof komen en de goddeloze Mens zich openbaren, de Zoon des verderfs, de Tegenstander, die zich verheft boven al wat God heet of verering ontvangt, zo zelfs dat hij zich neerzet in Gods tempel en zich voor God uitgeeft” (2 Tess. 2, 3-4).
Niemand minder dan Augustinus heeft deze tekst van Paulus aangewend om grondig na te denken in zijn werk “De civitate Dei”, waarin hij twee rijken tegenover mekaar zet: de “Civitas Dei” en de “Civitas diaboli”. En hij verwijst uitdrukkelijk naar een volgende vers van de brief van Paulus: “Het geheim der goddeloosheid doet zijn werking al gevoelen; alleen moet degene die hem nu tegenhoudt nog worden uitgeschuitgeschakeld” (2 Tess. 2, 7). En opnieuw is het goed om het vervolg van Paulus ook te lezen: “De komst van de Goddeloze zal steunen op de kracht van de satan, en vergezeld gaan van allerlei wonderen, tekenen en goochelkunsten, en van alle mogelijke misdadige verleiding, bestemd voor hen die verloren gaan, omdat zij zich hebben afgesloten voor de liefde tot de waarheid, die hen had kunnen redden. En daarom zendt God hun een geest van dwaling, zodat zij geloof hechten aan de leugen, en allen veroordeeld worden die de waarheid geweigerd hebben en de ongerechtigheid gekozen” (2 Tess. 2, 9-12).
Paulus eindigt zijn tekst met een aanmoediging, die we ook als tot ons gericht mogen beluisteren. “Dus, broeders, staat vast en houdt u aan de overleveringen waarin gij door ons, hetzij mondeling hetzij schriftelijk, zijt onderwezen. Moge de Heer Jezus Christus zelf, moge God, onze Vader, die ons zijn liefde heeft betoond en ons in zijn genade eeuwige troost en blijde hoop heeft geschonken, uw harten bemoedigen en sterken met alle goeds in woord en daad” (2 Tess. 2, 15-17).

We kunnen iets leren van deze brief van Paulus en ook de toepassing die Augustinus maakte in zijn boek “De stad van God”. Daarin plaatst hij twee liefdes tegenover elkaar: de eigenliefde, zoals deze zich in de aardse stad uitdrukt en God minacht en ruimte schept voor de duivel, en de liefde tot God, zoals deze zich in Gods stad uitdrukt en oproept om zichzelf te verloochenen om alle ruimte aan God te geven. God en Satan worden hier duidelijk tegenover mekaar gezet. Het is vandaag moeilijk spreken over Satan, over de duivel, over het kwade. Maar het is wel opvallend hoe ook Paulus uitdrukkelijk spreekt over de “Goddeloze”, en “Tegenstander”, en hoe hij deze zelfs met een hoofdletter schrijft. Neen, het kwade is voor hem geen onpersoonlijk gegeven, maar wel degelijk een persoon, een werkelijkheid, die de macht heeft zich tegenover God te plaatsen en zich als tegenstrever van God op te werken. Paus Franciscus plaatst zich zeker in de lijn met Paulus wanneer ook hij de aanwezigheid en de werking van Satan zeker niet verdoezelt en daar zo dikwijls op terugkomt in zijn catechese.
We kunnen nog verder gaan. Wanneer we spreken over het Rijk der hemelen, waar God heerst, kunnen we eveneens spreken over het Rijk van Satan. In de “civitas diaboli”, aldus Augustinus, heerst de “corpus diaboli”, waarin Satan en zijn volgelingen aanwezig zijn, en die proberen hun eigen moraal in de wereld te verspreiden.
De tactiek van Satan is wel heel speciaal en dubbel: enerzijds probeert hij het Rijk der hemelen te verduisteren, en anderzijds probeert hij de mens te overtuigen dat hij niet bestaat. Daarmee stort hij de mens in een leegte, waarin het ontbreekt aan enige oriëntatie, maar waarbij ook de weerstand tegen het kwade verdwijnt. Men verliest het zicht op het Rijk der hemelen, op God, en tegelijk ontbreekt het de mens aan weerstand om zich tegen de duivel te verzetten, want waarom zou men zich moeten verzetten tegen iets dat toch niet bestaat?

Is dat geen treffend beeld van wat we momenteel meemaken in onze westerse samenleving? God is als horizon in het leven van vele mensen verdwenen. De duivel heeft de mens kunnen overtuigen dat God een illusie is, en dat de mens God helemaal niet nodig heeft om gelukkig te zijn, wel integendeel. Door de geboden en de kerkelijke moraal als een zware last voor te stellen, die alleen maar tot doel hebben het geluk van de mens te onderdrukken en hem te belemmeren om zich als mens volledig te ontplooien, werd als het ware een nieuwe religie gelanceerd: deze van het ideaal van het individualisme en de absolute zelfbeschikking, autonomie en vrijheid. De mens heeft aan geen enkele instantie over zijn daden verantwoording af te leggen. Maar de duivel heeft de mens ook de illusie gegeven dat hijzelf niet bestaat, dat dus ook het kwade niet bestaat, dat alles toegelaten is. Dat is wat Augustinus juist de “Civitas diaboli” noemt, waar uitsluitend de eigenliefde regeert en waar God wordt geminacht.

Bij een bezoek aan de Dom van Firenze met een groep familieleden, werd onze aandacht getrokken op fresco’s die de hel met duivels erin voorstelden. Er ontspon zich een geanimeerd gesprek over het bestaan van de hel en over het bestaan van duivels. Dat was inderdaad goed voor de middeleeuwse kunstenaars die probeerden hun toenmalige theologische denkbeelden visueel uit te drukken, maar daar zouden we vandaag toch geen boodschap meer aan hebben. Het deed me denken aan het merkwaardig boekje van mijn vriend Valeer Neckebrouck “Naar de hel met de hel”, die juist het bestaan van Satan en de hel probeert te bewijzen met zovele uitspraken van Jezus zelf. Het is alsof we dit deel van de boodschap van Jezus bewust aan het vergeten zijn. Het blijft natuurlijk gissen wie Satan en zijn trawanten juist zijn en hoe ze zijn ontstaan. Meestal probeer ik hun bestaan aan te tonen door te verwijzen naar de gespletenheid die we in onszelf voelen, de bekoringen die we doorstaan, onze neiging door het kwade te worden aangetrokken en de zichtbare werking van het kwade in en rondom ons. Kunnen we Satan en zijn trawanten zelf niet zien, we kunnen hen wel voelen in het diepste van onszelf en hen ook ontwaren in het vele kwaad dat in de wereld heerst en er dikwijls zelfs lijkt te overheersen. Wanneer onlangs een terroristische aanslag werd gepleegd door extremistische moslims op christenen in Sri Lanka, werd herhaaldelijk naar het kwade verwezen. “Dat is het werk van de duivel”, becommentarieerde Kardinaal Ranjith het pijnlijke gebeuren.
Misschien kunnen we het ontstaan van Satan en zijn trawanten het best situeren op het moment dat God de engelen schiep tezamen met het licht. Toen God het licht van de duisternis scheidde, zonderde zich een groep engelen van dit licht af, dat God is, omdat ze hun eigen god wilden zijn en zo werden ze de machten van de nacht, van de duisternis. Het is met dezelfde begeerte dat ze ook de mens proberen te verleiden: hun eigen god te worden, zo treffend reeds omschreven in het scheppingsverhaal waar de slang tot de vrouw zegt: “God weet dat je ogen open zullen gaan als je van die boom eet, en dat je dan gelijk zult worden aan God, door de kennis van goed en kwaad” (Gen. 3, 5). Het is het verhaal van alle tijden en ook in ons voelen we de bekoring onze eigen god te willen zijn. Maar ook al heerst er nu in deze tijd een strijd tussen het licht dat God is en de duisternis die de Satan is, we weten dat het licht eenmaal zal zegevieren. Met Johannes kunnen we zeggen: “God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis” (1 Joh. 1, 5). Tot daar dit tussendoortje over het ontstaan en het bestaan van de duivel, van Satan en zijn trawanten.

Door de zonde, het werk van de Satan, werd onze menselijke natuur, die in oorsprong goed was – want geschapen door God naar zijn beeld en gelijkenis – verwond, maar niet volledig verwoest. De zonde, dus de Satan, is de oorzaak van onze morele wanorde welke aanleiding geeft tot de zonde, maar ook van onze fysische wanorde die uiteindelijk tot de dood leidt. Dood, ziekte, lijden, angst, twijfel, conflicten,… het zijn allemaal resultaten van de zonde, het werk van de Satan.

Maar Satan werkt niet alleen op het individuele vlak, in het persoonlijke leven van iedere mens, maar ook op een gestructureerde wijze, en meer bepaald in de wereld en in de Kerk, als mystiek Lichaam van Christus, met het doel zowel de Kerk als de wereldorde te verstoren.

Zoals reeds aangegeven zien we het werk van de boze in de vele terroristische aanslagen, het leed dat mensen mekaar aandoen, ook het lijden dat mensen heel persoonlijk treft. Daarnaast probeert de boze op een meer gestructureerde wijze de orde in de wereld om te vormen en er echt een wereld van de Satan van te maken. De ganse beweging, die begon met de Verlichting, waarbij God geleidelijk aan uit het wereldbeeld werd verdrongen, en die daarna verschillende hoogtepunten kende – bijvoorbeeld bij de Franse Revolutie, bij de vestiging van het communisme in verschillende delen van de wereld, en het steeds verder oprukkende secularisme – mag beschouwd worden als een gestructureerde manipulatie van de boze in de wereld. Het wordt een wereld zonder God, waar God ook effectief wordt bestreden en waar de boze zelf uiteindelijk het voor het zeggen heeft. We zien het vandaag op een heel speciale wijze in het opdringen van een nieuwe wereldorde, waar het verschil tussen man en vrouw wordt opgeheven door de zogenaamde gender-ideologie en waarbij uiteindelijk iedereen het recht verkrijgt te kiezen tot welk geslacht hij of zij behoort; waar het huwelijk als instituut een volledige nieuwe invulling krijgt en waarbij het klassieke patroon van een man-vrouwrelatie wordt verlaten; waar de procreatie uit de seksualiteit wordt geweerd en waarbij alléén nog het genot wordt nagestreefd; waar de absolute eerbied voor het leven wordt vervangen door het promoveren van de absolute zelfbeschikking en waarbij abortus en euthanasie tot een individueel recht worden verheven. Het is verrassend hoe vlug deze fundamenteel gewijzigde visies over mens en wereld door de massa worden aanvaard en zelfs gepromoot en hoe marginaal men wordt wanneer men het nog aandurft bepaalde van deze strekkingen en verschuivingen in vraag te stellen. Het gaat hier om een efficiënt geleide, gestructureerde en georkestreerde hersenspoeling die haar echte oorsprong vindt in de actie van Satan en zijn trawanten, en die daarvoor mensen en organisaties als gedweeë instrumenten gebruiken om deze nieuwe ideeën op te dringen, door hen de illusie te geven dat ze zo meewerken aan de realisatie van een betere wereld, waar de grote principes van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid worden gehuldigd, maar wel op een heel eigenzinnige antichristelijke wijze worden ingevuld.

Maar de Satan en zijn trawanten richten hun pijlen bovendien ook op de Kerk, en misschien wel bijzonder op de Kerk. Hier kunnen we onmiddellijk een band leggen met de misbruikschandalen die de Kerk blijven teisteren, en waar leden van de Kerk door hun seksueel wangedrag ernstige schade aanbrachten aan de Kerk. Maar subtieler zijn de verwarringen die ook reeds lange tijd door sommige priesters en bisschoppen op het vlak van de kerkelijke doctrine en moraal gezaaid worden. De Kerk moet tegelijk “Mater et Magistra” zijn, maar het “Mater”-zijn mag niet in tegenspraak zijn met het “Magistra”-zijn. Het is terecht dat de Kerk een grote pastorale bekommernis aan de dag legt naar de gelovigen toe en een belangrijke plaats geeft aan de barmhartigheid en de vergeving, maar daarom hoeft ze haar doctrine niet af te zwakken. Het blijft de opdracht om opnieuw in de geest van Augustinus “de zonde te verafschuwen, maar de zondaar lief te hebben”. We hebben de zondaar niet lief door de zonde te vergoelijken. Daar bewijzen we niemand een dienst mee, behalve aan het kwade zelf. Het kwade wordt niet bestreden door er compromissen mee te sluiten: daarmee wordt het kwade in stand gehouden, bevestigd en zelfs versterkt.
Het zaaien van verwarring, wat we reeds geruime tijd binnen de Kerk meemaken, is duidelijk het werk van de boze, en waar verwarring heerst, groeit ongenoegen en worden tegenstellingen uitvergroot en aangewakkerd. Wanneer Satan en zijn trawanten er alles aan doen om niet enkel in de burgerlijke samenleving, maar ook in de Kerk op een subtiele wijze verwarring te zaaien, zijn de negatieve gevolgen voor het geestelijk heil van de mens en de wereld nog groter en destructiever. Want de Kerk is het mystieke Lichaam van Christus, en via de Kerk probeert Satan een rechtstreekse strijd te voeren en verder te zetten met Christus, en dus met God. Het bekoringsverhaal van de woestijn wordt verdergezet, en telkens opnieuw worden kerkmensen verleid om neer te knielen voor de passie van de macht, het genot en het geld. Hun enig antwoord zou moeten zijn wat Jezus zelf antwoordde: “Weg, Satan; de Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen” (Mt. 4, 10). En we lezen er graag de woorden van de evangelist bij: “Nu liet de duivel Hem met rust en er kwamen engelen om Hem hun diensten te bewijzen” (Mt. 4, 11).

Het is precies deze laatste zin die ons hoopvol moet stemmen. Want ook al kan onze strijd met de Satan hevig en zwaar zijn, en worden we geconfronteerd met steeds nieuwe en ongeziene wijzen waarmee hij de mensen, de wereld en de Kerk wil inpalmen en hen doen neerknielen voor zijn heerschappij, God laat ons in deze strijd nooit alleen. Hij blijft ons nabij met zijn genade, op voorwaarde dat wij er ons voor openstellen. Dat heeft Hij op een bijzondere wijze getoond door ons zijn Zoon te zenden om ons van de absolute macht van het kwade, van de dood te verlossen. Het is opvallend dat Maria bij haar verschijningen op zovele plaatsen steeds terugkomt op bekering, versterving en gebed om de verleiding van de boze te weerstaan en om de wereld te redden, om van de wereld echt de “Civitas Dei” te maken. Daarom moeten wij het geloof bewaren, het geloof zoals het ons door Christus is voorgeleefd en verkondigd en zoals het ons volgens de eeuwenoude traditie binnen de Kerk wordt voorgehouden. We moeten aan de verleiding weerstaan om van het ware geloof een zelf geconstrueerde religie, leer of ideologie te maken, er onze eigen interpretatie aan te geven of er een religie naast vele andere religies van te maken. We moeten het woord van Jezus eerbiedigen die ons in alle duidelijkheid heeft gezegd: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven” (Joh. 14, 6). Hij heeft niet gezegd dat Hij een weg, een waarheid en een leven is. Alleen wie door de deur die Christus is de schaapstal binnengaat (cf. Joh. 10, 1-21), zal worden gered.

Dit geloof zal ons hoop geven. Het is de hoop die ons in de last en de zwaarte van de strijd het perspectief op de redding open houdt. Ik las ergens dat er in de Bijbel 365 keren de zin: “Vrees niet” wordt uitgesproken alsof ons voor iedere dag van het jaar een hoopvol perspectief wordt aangeboden. Dat geeft ons ook de moed om het nooit op te geven, en zoals ik in de titel aangaf, te blijven bidden en strijden, hoe het kwade ons ook tracht te treffen, zelfs via mensen van wie we dit het minst zouden verwachten. Niemand is immers immuun voor de verleiding van Satan. Maar laat het altijd een strijd zijn voor de ware en enige “Civitas Dei” en niet onze eigen “civitas”, die heel vlug een “Civitas diaboli” kan worden.

Br. dr. René Stockman

mei 2019

Een wolf in schapenvacht

Blijkbaar zijn we met het “euthanasiedebat” in een nieuwe episode getreden.  Juist voor de verkiezingen lanceert Dr. Distelmans een petitie waarin hij oproept om de euthanasiewet aan te passen en te verruimen voor mensen met dementie en andere vormen van onomkeerbare, verworven wilsonbekwaamheid die een eerdere wilsbeschikking in die zin opgesteld hebben.

Met zijn pleidooi raakt hij natuurlijk een gevoelige snaar en wanneer men de tekst leest wordt men meegesleurd met zowel een gevoel van compassie als verontwaardiging.  Wie is niet getroffen door het lijden van mensen met dementie, die de controle over hun eigen leven stilaan maar zeker zien wegkwijnen  om te eindigen in een totaal beneveld bestaan? En door de onmacht die dit veroorzaakt bij de omringende familieleden?  Niemand kan noch zal ontkennen dat dementie een zwaar lijden is, en volgens de tekst zouden er in de toekomst, tegen 2035, de helft meer mensen met dementie bijkomen.  Dus het wordt hoogtijd om actie te ondernemen.  En welke actie wordt voorgesteld?  Het antwoord dat in de petitie wordt aangereikt is dubbel maar tegelijk dubbelzinnig: er moeten enerzijds meer en betere voorzieningen komen om mensen met dementie passend op te vangen maar anderzijds een wettelijke regeling om hen via een spuit uit dit lijden te verlossen.  Wordt daarmee niet gesuggereerd dat het laatste een veel comfortabeler en goedkopere oplossing is?  Wanneer mensen met beginnende dementie en hun familieleden dit lezen kan het bijna niet anders dat ze schuldgevoelens moeten krijgen wanneer ze niet aan euthanasie zouden denken om zo de last van de gemeenschap die hun toestand zal veroorzaken weg te nemen.  Euthanasie wordt hier verheven tot het summum van filantropie en dit vanuit tweevoudig standpunt: de persoon in kwestie wil geen last zijn voor de gemeenschap en de gemeenschap verlost de persoon met dementie uit een zwaar lijden.  Is er een beter alternatief voorhanden?

Zoals dikwijls zit het venijn ook hier in de staart.  Daar wordt gegoocheld met statistieken als zou 83 % van de bevolking, door de auteur een verpletterende meerderheid genoemd, voorstander zijn om de wet aan te passen.  Het zijn wel voorlopige resultaten van een “stemtest” in de media.  Wat is de wetenschappelijke waarde van deze enquête en met welke a priori informatie op de achtergrond hebben mensen deze test ingevuld?  Het is nu eenmaal al jaren de tactiek van bepaalde groepen om juist via het creëren van compassie en verontwaardiging de visie van mensen te beïnvloeden.  Argumenten doen het vandaag nog amper, maar wel emoties.  Eenmaal de emotionele snaar betokkeld is er nog weinig ruimte om naar argumenten te luisteren.  En dat wordt ook hier gretig uitgespeeld.  Met het aangeven van deze cijfers wordt aan hen die er anders over denken nog maar eens een extra schuldgevoel aangesmeerd.  Hoe asociaal moet men toch zijn om tot die 17 % te behoren die niet gewonnen is om de euthanasiewetgeving uit te breiden?  Niet alleen asociaal maar ook zeer onbarmhartig.  Weigeren van euthanasie wordt hier omschreven als het bewust en gewild in stand houden van mensonterende situaties.  Dat kan toch niemand aanvaarden.  Met de bijkomende video’s die aan de petitie zijn gekoppeld wordt de emotie totaal.  Men moet zijn hand tegenhouden om niet onmiddellijk de petitie te ondertekenen.  Van een geslaagde marketing gesproken.

Onlangs woonde ik een optreden bij van een koor van bejaarden met een zware dementie.  Een prachtig initiatief van een Vlaams rust- en verzorgingstehuis dat creatief op zoek ging om mensen met dementie iets van hun menswaardigheid terug te geven.  Misschien hadden enige van deze bejaarden voor dat de dementie hen wilsonbekwaam maakte om euthanasie gevraagd.  Nu zagen we hen liederen uit de oude doos zingen, met de lach op het gezicht en familieleden die hun emoties amper konden bedwingen.  Maar het waren emoties van dankbaarheid, van herwonnen en gekoesterde menswaardigheid in een heel beperkt bestaan.  Hier toonde de gemeenschap zich op haar best, met haar meest humaan gelaat, in de zorg voor hen die deze zorg het meest nodig hebben. Naar zo een maatschappij moeten we verder evolueren, en niet afglijden naar een maatschappij waar de spuit van de euthanasie als ultieme therapie wordt verheven en aangeprezen. Een pleidooi houden voor  palliatieve zorg en tegelijk de spuit in de hand nemen is meer dan hypocriet.  Dat is de taal van de wolf in schapenvacht die zijn schapen misleidt.

Mogen we toch nog even de andere snaar betokkelen en tegelijk aan de alarmbel trekken en vooruitkijken welke weg wordt ingeslagen wanneer deze wetsaanpassing zou worden goedgekeurd.  Daarmee wordt de weg geopend om ook andere wilsonbekwamen met de genadige spuit van dienst te zijn.  Ik denk dan aan mensen met een zware mentale handicap die reeds vanaf hun geboorte wilsonbekwaam zijn en dus nooit de gelegenheid hebben gehad om euthanasie te vragen.  Zouden wij dat niet in hun plaats kunnen doen om hen zo uit hun vreselijk lijden te verlossen? En daarmee de maatschappij ook een dienst te bewijzen, want hun zorg is toch een grote financiële last voor de gemeenschap?  Wanneer deze gemanipuleerde logica op een voldoende emotionele wijze zal worden aangebracht, zullen er nog weinig zijn die zich daartegen durven verzetten.  Opnieuw een stap voorwaarts in het creëren van een maatschappij waar de sterken het voor het zeggen hebben.  Waar zal dit eindigen?

Ik neem ook het recht om te spreken vanuit mijn christelijke overtuiging.  Daar mag toch ook nog ruimte voor zijn in ons democratisch en pluralistisch bestel?  Of zullen de wolven in schapenvacht ons ook hier het zwijgen opleggen, in naam van een verwrongen pluralisme?  Als christen blijven we getuigen dat het leven, ieder leven, absolute beschermwaardigheid verdient en dat we ons niet mogen laten meeslepen met een mentaliteit waar zelfbeschikking en autonomie tot nieuwe absolute waarden zijn verheven. De verabsolutering van de persoonlijke vrijheid die zich dan manifesteert in een absolute zelfbeschikking is niet compatibel met ons christelijk mensbeeld.  Daarmee spreken we geen oordeel uit over mensen die om euthanasie verzoeken vanuit een ander mensbeeld dat ze hanteren, maar tegelijk vragen we eerbied en ook bescherming voor hen die niet willen raken aan wat hen en ons door God is gegeven.  Het leven is ons geschonken, vanaf de conceptie tot de natuurlijke dood, en daar willen we eerbiedig en zorgzaam mee omgaan. Daaraan raken is als een doorbreken van een taboe.  Er zijn terreinen waar we als mens moeten afblijven, omdat ze ons gegeven zijn om er als goede beheerders mee om te gaan en er niet als onterechte eigenaars naar willekeur mee te handelen. Mogen we hier andere christenen oproepen om zich niet zomaar te laten meeslepen met emoties en daarmee ieder dieper nadenken over het leven, over de zin van het leven, over de plaats van het lijden en de dood in het leven het zwijgen op te leggen.  Laat ons de moed hebben om hier tegendraads te denken en te handelen, tegen de stroom in te varen en vooral mekaar aan te moedigen in deze strijd met ongelijke wapens.  Niet om ons eigen gelijk te halen, maar om het leven, alle leven te eerbiedigen, omdat het heilig is.

Br. dr. René Stockman

mei 2019

De afglijding gaat verder en wel in een versneld tempo!

Neen, het waren geen wrede beelden zoals we de laatste tijd verschillende malen moesten aanschouwen bij de bloedige aanslagen in Sri Lanka en andere plaatsen, maar juist een zeer vredevol tafereel dat ons totaal onthutste. Ditmaal was het een kranige tachtiger die besloot om euthanasie te vragen omdat ze het overlijden van haar dochter niet kon verwerken. De laatste morgen van deze dame werd gefilmd en we zagen hoe ze nog een smakelijk ontbijt nam, daarna naar haar fysiotherapie ging en dan met een vriendin de dokter afwachtte die haar het dodelijke drankje zou brengen. De dokter hanteerde de term “ondraagelijk psychisch lijden” om de euthanasie te verantwoorden. Maar de evaluatiecommissie had daar vragen bij en stelde dat de voorgeschreven procedure niet werd gevolgd. Op zich was dit reeds een historisch moment, want het was de eerste maal dat de evaluatiecommissie een dossier doorstuurde naar het parket. Had men de film niet internationaal verspreid zou de commissie misschien wel het subjectieve stilzwijgen gehanteerd hebben, zoals ze tot nu toe steeds deed.
Maar nu was het de raadkamer zelf die voor een oplossing zorgde: men vond dat hier geen sprake was van euthanasie, maar hulp bij zelfdoding, en daar worden artsen wanneer ze beslissen daaraan mee te helpen niet voor vervolgd. Daarmee zijn we in een nieuwe episode getreden en werd een precedent gecreëerd waar nog gretig gebruik zal worden van gemaakt.

Het beeld van de vrouw die het drankje uitdrinkt die de geneesheer haar aanreikt en na vijf minuten dood is kunnen we niet zomaar van ons netvlies halen. Ik heb het reeds met verschillende groepen bekeken, en steeds is de reactie dezelfde: verontwaardiging, ongeloof en de pijnlijke verzuchting: “Dat kan toch niet…”. Het kan voortaan in België wel en alle voorwaarden en zorgvuldigheidsregels waarmee men zogezegd wil garanderen dat de euthanasie volgens het boekje verloopt kunnen nu gewoon opzij worden geschoven. Het is nu deskundige hulp bij zelfdoding geworden, en dit dank zij de rechtbank en niet omwille van de evaluatiecommissie. Deze commissie, in het leven geroepen niet om patiënten maar wel om artsen te beschermen die euthanasie uitvoeren, is in het licht van de nieuwe rechtspraak gewoon zinloos op de wijze dat ze nu werkt.

Het zegt natuurlijk ook veel over onze rechtspraak en hoe deze steeds meer wordt beïnvloed door sentimenten en steeds minder rekening houdt met argumenten. Het is gekend dat het vandaag nog moeilijk spreken is over euthanasie zonder onmiddellijk de sentimentele toer op te gaan en het woord barmhartigheid te horen vallen. Maar dit is nu ook ingeslopen in de rechtspraak die het toch niet kon maken om een onsympathiek besluit te nemen tegen de geneesheer die zichzelf tot barmhartige Samaritaan had verklaard. Het is misschien daarom dat het wellicht onmogelijk wordt om ooit nog de “Rechtvaardige Rechters” van Van Eyck terug te vinden.

Hoe dikwijls is het reeds gezegd dat men zich op glad ijs begeeft wanneer men euthanasie gaat toepassen bij ondraaglijk psychisch lijden. Een terecht verdriet, dat tijd vraagt om te helen, werd na drie maanden bestempeld als ondraaglijk psychisch lijden en de enige therapie die werd aangeboden was het dodelijk drankje. Kunnen we hier nog spreken van geneeskunde? Het was gewoon choquerend de geneesheer na de ingreep te horen zeggen dat zijn patiënte, of moeten we eerder zeggen zijn slachtoffer, nu gelukkig was. Blijkbaar beschikte hij zelfs over paranormale gaven om dit te kunnen bepalen. Zijn dodelijk drankje werd dus een gelukselixir. Hij heeft nu de wettelijke dekking gekregen om dit verder voor te schrijven en nog andere mensen gelukkig te maken. Hoever zullen we nog verder afglijden?

Br. René Stockman

mei 2019

Spijbelen voor het leven?

Scholieren die spijbelen voor het klimaat. Het is de laatste tijd een gekend verschijnsel geworden. Alvast een unieke vondst om zo de aandacht te trekken van een ganse gemeenschap, politici incluis, op een meer dan gevoelig thema waarover het laatste woord nog niet is gezegd. En dan zal dit woord laveren tussen doemdenken en relativeren. De waarheid zal zoals steeds wel ergens in het midden liggen.

Of spijbelen nu de gepaste wijze is om te protesteren, ook daarover lopen de meningen uiteen. Objectief blijft spijbelen toch steeds onwettig afwezig zijn tijdens de schooluren, tenzij een wettige reden kan worden aangegeven, maar dan is het geen spijbelen meer. Wordt er een gevaarlijk precedent geschapen door dit spijbelen voor het klimaat goed te keuren en zelfs aan te moedigen? Wat met de scholieren die kiezen om niet deel te nemen aan deze manifestatie? Zullen ze door hun medeleerlingen en zelfs door sommige leerkrachten nu met een scheef oog bekeken worden en als asociaal bestempeld worden, gevoelloos voor de grote maatschappelijke problemen? Het belang van de aandacht voor het klimaat mag echter niet geminimaliseerd worden. Maar zijn er nu echt geen andere wegen om enerzijds de leerlingen op een adequate wijze méér milieubewust te maken en hen anderzijds de ruimte te bieden om ook in dit debat hun stem te laten horen?

We moeten bovendien opletten dat het uiteindelijk niet uitdraait op veel emotie en weinig solide argumenten. We leven weliswaar in een tijd waar emoties het vaak halen op goed geargumenteerde analyses en oplossingen. We zien dit ook in vele andere dossiers waar mensen zich emotioneel laten overspoelen en daardoor niet meer in staat of zelfs niet meer bereid zijn om nog naar argumenten te luisteren, zeker wanneer die ook andere aspecten van de problematiek belichten of een ander geluid laten horen.

Spijbelen voor het klimaat krijgt vandaag blijkbaar een ruim draagvlak en wordt beschouwd als een positieve evolutie in het bewustwordingsproces bij jongeren. Het is een hoopvol teken dat jongeren opnieuw blijk geven van hun betrokkenheid bij grote maatschappelijke problemen, hetgeen we de laatste decennia inderdaad wel wat misten. De vraag kan echter worden gesteld of de sympathie van de opiniemakers voor de spijbelende jongeren ook zou gelden wanneer deze jongeren op straat zouden komen voor andere thema’s dan het klimaat. Thema’s uit onze microkosmos bijvoorbeeld. Zou men hen met evenveel journalistieke sympathie bejegenen als ze een ander levensthema zouden aansnijden? Wat bijvoorbeeld indien jongeren massaal zouden deelnemen aan de “Mars voor het leven”, een actie tegen abortus, en daarvoor zouden spijbelen? Zouden ze op evenveel media-sympathie kunnen rekenen, of zouden ze daarentegen eerder worden bekritiseerd en gemarginaliseerd? In mei zal ik opnieuw deelnemen aan de “Mars voor het leven” hier in Rome, en het verheugt me telkens zeer vele jongeren te zien in deze manifestatie op een zaterdagnamiddag. Nee, hier in Rome spijbelen ze daarvoor niet op een schooldag, maar ze zijn er wel in hun vrije uren.

Is het niet wat eenzijdig om enerzijds te manifesteren tegen de bedreigingen van onze macrokosmos (het klimaat, de natuur,…), maar anderzijds de bedreigingen van onze microkosmos te negeren? Absolute zelfbeschikking, autonomie en vrijheid brengen ook immers méér en méér het leven zelf in gevaar en vaak dat van de meest kwetsbaren het eerst. En het is goed dat we ook op dat vlak eens wakker worden geschud, ook door jongeren.

Ze roepen ons immers op om een rem te zetten op onze onbeperkte zelfbeschikking, autonomie en vrijheid en ze doen ons beseffen dat niet alles wat we persoonlijk en onmiddellijk wensen ook goed is voor het individu en de samenleving op langere termijn. Ze roepen ons op om meer bewust te gaan leven, een rem te zetten op ons blind individualisme en louter eigenbelang met respect en eerbied voor het eigen leven en lichaam en dat van anderen.

Vandaag lijkt er echter op de eerste plaats méér aandacht te gaan naar de oorzaken die ons klimaat schaden dan naar de specifieke oorzaken die het menselijk leven schaden en die we zelf méér in de hand en onder controle zouden kunnen houden.
Het zou de geloofwaardigheid van de klimaatactivisten ten goede komen en tot eer strekken indien ze even radicaal zouden opkomen voor het klimaat in zijn globaliteit als voor de beschermwaardigheid van ieder leven, ook het ongeboren leven in het bijzonder.

Zou het een goed idee zijn om dit eens voor te leggen aan de schooldirecties die nu het spijbelen voor het klimaat tolereren en zelfs aanmoedigen, en hen te vragen of ze even tolerant en toegevend zouden zijn indien hun leerlingen zouden spijbelen om deel te nemen aan een “Mars voor het leven”? Ik ben alvast nieuwsgierig naar hun antwoord.

Br. René Stockman

april 2019

Moeten we geloven om goede werken te doen?

Onlangs stelde iemand mij de vraag of hij moest geloven om goede werken te doen.  Of  met andere woorden het doen van goede werken het privilege zou zijn van de gelovigen, en meer bepaald de christenen.  Hij verwees natuurlijk onmiddellijk naar de vele ngo’s die vandaag wereldwijd opereren om op zowel acute als meer structurele noden een adequaat antwoord te geven.  En vele van deze ngo’s hebben geen enkele band met enige vorm van religie noch met enige kerkelijke instantie.

We mogen ons verheugen dat er vandaag vanuit diverse hoeken initiatieven worden genomen om noden te lenigen.  We zien tegelijk dat deze filantropische activiteiten op een hoog professioneel niveau worden ontwikkeld en dat ze kunnen rekenen op een goede financiële ondersteuning vanuit de ruimere gemeenschap.  We mogen ons tevens verheugen dat in vele landen de overheden zelf ernstige inspanningen doen om aan zieken, mensen met een beperking en mensen in diverse noodsituaties een goede zorg, begeleiding en opvang te verschaffen.
De geest van solidariteit die aan de basis ligt van deze ontwikkelingen vindt natuurlijk mede haar wortels in de gelovige humus waarop de samenleving is gebouwd.  Dit negeren zou onrecht doen aan de geschiedenis.  Wanneer we bijvoorbeeld kijken naar Europa dan kunnen we niet anders dan bevestigen dat de samenleving er gefundeerd is op een eeuwenlange beschaving die haar wortels vindt in de Griekse, Romeinse en Christelijke cultuur.
Daarmee is gesteld dat vele vormen van filantropie die noch in hun oorsprong noch in hun werking iets te maken hebben met een gelovige traditie en er ook niet uit gegroeid zijn, toch in hun verre wortels banden hebben met de christelijke traditie.  Zonder het christendom en we mogen hier ook andere religies aan toevoegen, zou de solidariteit er anders hebben uitgezien en zou er wellicht heel wat minder solidariteit en ook minder filantropie zijn geweest.  De zorg voor de medemens in nood is nu eenmaal een belangrijk aandachtspunt in alle religies en in het christendom in het bijzonder.

Het doen van goede werken kan dus nooit als volledig neutraal worden beschouwd vanuit het oogpunt van de culturele achtergrond van  waaruit het is gegroeid.  Mensen die zich niet gelovig beschouwen zullen dus onwillekeurig in zich deze culturele achtergrond meedragen, een culturele achtergrond die ook door de religie is gekleurd.  Maar daarmee hoeven we natuurlijk niet te stellen dat het doen van goede werken een gelovige grondhouding veronderstelt.  Het woord “filantropie” immers zelf duidt op hulpverlening die in zich geen religieuze connotatie inhoudt en ook solidariteit kan als een algemene waarde worden beschouwd die ook zonder een gelovige basis bij mensen aanwezig kan zijn.  Maar het zou tegelijk  verkeerd zijn om solidariteit en de daaruit voortvloeiende filantropie volledig los te weken van hun culturele grondvesten.  Het vraagt dus een genuanceerde aanpak.

Wanneer we als gelovigen naar de vele goede werken kijken die vandaag wereldwijd worden verricht, dan kunnen we daarin, vanuit onze gelovige vooringenomenheid, het werk zien van de H. Geest die met zijn gaven en werken ook werkzaam is in het hart van de velen die zich helemaal  niet gelovig of zeker niet bewust gelovig opstellen.  Wij geloven dat de H. Geest zowel gelovigen als niet-gelovigen gebruikt om het goede in de mens te laten geschieden.  Het verschil zit hem vooral in het bewustzijn ervan.  Sommigen zullen bewust goede werken verrichten vanuit een welbepaalde religieuze inspiratie, terwijl anderen dit eerder onbewust doen.  In het Mattheus-evangelie wordt dit haarscherp aangegeven, in de passage waar Jezus het heeft over de oordeelscriteria.  Hij beschrijft er hoe mensen bij het eindoordeel zullen geoordeeld worden over de wijze dat ze goed hebben gedaan aan Hem.  Maar op de opmerking dat ze helemaal niet beseffen dat ze iets voor Hem hebben gedaan, waarmee ze eigenlijk toegeven dat ze helemaal niet de intentie hebben om aan christelijke naastenliefde te doen, antwoordt Jezus: “Alles wat ge gedaan hebt aan één van de geringsten van mijn broeders, hebt ge aan Mij gedaan” (Mt. 25, 40).  Hiermee geeft Jezus aan dat men niet steeds moet beseffen dat men bij het verrichten van een goede daad aan een medemens eigenlijk deze goede daad aan Jezus zelf verricht.  De goede daad zelf brengt ons in de juiste houding opdat Gods liefde doorheen ons zou vloeien en werkzaam en aanwezig zou komen in de goede werken die we naar anderen toe verrichten. En misschien wordt deze goede daad juist de ingangspoort opdat iemand zich meer bewust zou worden dat zijn motivatie eigenlijk diepere gronden heeft, dat hij door iets dieper dan loutere filantropie wordt gedreven om het goede te doen. Dat hij, om het opnieuw vanuit de gelovige invalshoek te benoemen, gedreven wordt door de werking van de Heilige Geest, ook al zal hij dit in eerste instantie niet zo onder woorden weten te brengen.  En dat zal dan ook de reden zijn dat mensen die zich helemaal niet gelovig voelen, toch heel ver kunnen gaan in het helpen van medemensen, tot het met het inzetten van hun eigen leven.  Wat zij als een bijzondere kracht zullen omschrijven, ingegeven vanuit een doorgedreven compassie met medemensen in nood, kunnen wij als gelovigen gerust beschouwen als het werk van de H. Geest in hen.

We komen nu aan de vraag of het bewust beleefde geloof dan nog wel iets extra weet aan te brengen bij het verrichten van goede werken.  Is er met andere woorden nog een verschil tussen wat wij enerzijds filantropie noemen en anderzijds christelijke naastenliefde of caritas?
Wanneer we in filantropie vanuit gelovig standpunt ook een geïnspireerde actie kunnen ontwaren, zonder dat diegene die de daad stelt zich bewust of gewild openstelt voor de werking van de H. Geest, zullen we bij de christelijke naastenliefde of de caritas juist wel deze actieve medewerking zien met de H. Geest, en dit zal dan ook het verschil uitmaken tussen beiden.

Een gelovige doet goede werken vanuit een duidelijk bewustzijn dat hij gedreven wordt door de goddelijke liefde, en wil deze liefde zichtbaar en tastbaar maken in zijn concrete handelingen.  Zijn helpen vloeit voort uit de liefde, terwijl bij de filantropie het helpen als dusdanig voorop staat en de liefde eerder op de achtergrond aanwezig is.  Ook bij filantropie kan liefde aanwezig zijn, zoals reeds aangegeven, maar bij caritas is de liefde heel bewust de basis, de grondhouding, de motivatie, met een liefde die haar inspiratie vindt in de goddelijke liefde.  Dit maakt dat de uitgangspunten bij filantropie en caritas verschillend zijn.  Bij filantropie is de hulpvraag de eerste en uiteindelijke motivatie, bij caritas is dat de liefde voor de concrete persoon en zal men vanuit en met deze liefde gevoelig worden voor de hulpvraag en op die hulpvraag een antwoord proberen te geven.
Dat maakt dat de gelovige ook kracht put uit deze goddelijke liefde om zijn goede werken te verrichten.  Hij haalt juist daaruit de inspiratie om goede werken te doen en zijn acties zullen door de liefde gekleurd worden.  Terwijl men bij filantropie zijn kracht moeten zoeken en vinden vanuit menselijke motivatie, die zoals opnieuw reeds aangegeven onbewust door de werking van de H. Geest kan worden aangewakkerd, zal dit bij caritas heel bewust gebeuren, en zal de eigenlijke motivatie van elders komen, een goddelijke kracht, die we Gods genade noemen.  Dat is een enorm surplus dat bij de filantropie afwezig is.  Om deze reden zal bij een goed werk bewust geïnspireerd door de goddelijke liefde een andere grondhouding zichtbaar en voelbaar zijn.  Het is de liefde die de ganse handeling zal kleuren.  Vanuit deze liefdevolle grondhouding zal men een diep medelijden ontwikkelen naar diegene die in nood is en dan zoeken hoe men hem het best kan helpen.  Medelijden of compassie wordt dan het hart van de caritas: het is openkomen voor het lijden van de medemens en vanuit een empathische houding als het ware in dit lijden treden,  meevoelen wat de andere lijdt.  Het wordt echt “mede”-lijden.

In filantropie zal men sterk de nadruk leggen op een professionele hulpverlening.  Ook bij caritas is dat essentieel, en zal de professionaliteit vloeien uit dat diepe medelijden en de behoefte diegene in nood zo goed als mogelijk te helpen, dus op een deskundige wijze.  Het is een verkeerde stelling dat er in caritas geen deskundigheid zou aanwezig zijn of dat dit slechts op de tweede plaats zou komen.  Er is helemaal geen tegenspraak tussen caritas en deskundigheid, wel integendeel.  Een correct beleefde caritas zal de weg voor een deskundige hulpverlening juist openen.  De deskundigheid kan gezien worden als een logische vertaling van de caritas, een normaal uitvloeisel van de caritas.  De caritas in zijn totaliteit wordt dan een beweging van liefde, medelijden en concrete inzet vanuit een heel eigen professionaliteit.  Wanneer de liefde de grondhouding is die vanuit het algemeen liefdesgebod wordt gestimuleerd, en het medelijden er het subjectieve-affectieve antwoord op is, zal de concrete deskundige inzet er het effectieve antwoord op zijn. We kunnen hier spreken over een affectieve liefde die zich vertaalt in een effectieve liefde.  En deze inzet om de andere effectief te helpen, zal steeds op een deskundige wijze moeten gebeuren.  Wanneer de deskundigheid van de liefde en het medelijden wordt afgesneden, zal deze verschralen in pure techniciteit.  Men zal de andere nog wel technisch goed omkaderen, maar de warmte van het hart zal er ontbreken.  Bij caritas is het juist de warmte van het hart die kleur geeft aan de zorg en de inzet voor de andere in nood, ook in de wijze dat deze professioneel wordt benaderd.  Wanneer caritas zou eindigen zonder deskundigheid, zouden we van een geamputeerde caritas kunnen spreken.  En wanneer deskundigheid niet gebeurt vanuit een liefdevolle grondhouding, dan blijft er alleen nog koude techniciteit over.  Terecht heeft Paus Benedictus in zijn encycliek “Deus caritas est” de klemtoon gelegd op deze vorming van het hart, wat een bijzondere kleur, noem het de warmte zal geven aan de deskundigheid.  “Daarom hebben deze naast en bij de professionele vorming bovenal de vorming van het hart nodig.  Ze moeten worden gebracht tot de ontmoeting met God in Christus, die de liefde in hen wekt en hun hart voor de naaste opent, zodat naastenliefde voor hen niet meer om zo te zeggen een van buitenaf opgelegd gebod is, maar het gevolg van hun geloof, dat zich uit in de liefde” (nr. 31 in “Deus caritas est”).

Caritas onderscheidt zich ook van filantropie door de bewuste ontmoeting met Jezus.  Caritas nodigt uit om in diegene die men helpt Jezus zelf te zien, te ontmoeten en te beminnen.  We verwijzen hier terug naar het Mattheus-evangelie waar Jezus uitdrukkelijk aangeeft dat alles wat men doet voor de medemens in feite aan Hem zelf is gedaan.  Dat klinkt vandaag in een geseculariseerde omgeving wellicht moeilijk en zal ook moeilijk kunnen worden overgedragen in onze pastoraal en catechese.  Maar toch blijft dit een zeer essentiële eigenschap van de caritas die niet te ontkennen noch te ontkrachten is.  De heilige Vincentius a Paulo heeft dit zeer goed begrepen en beschouwde de medemens, de arme als de icoon van Christus.  De filosoof Emmanuel Levinas, zelf een jood,  zag in het gelaat van de medemens  het beeld en de gelijkenis met God dat we zelf in ons dragen.  Daarom kunnen we niet anders dan iedere andere die op onze weg passeert als medemens respecteren en liefhebben.  We hebben geen andere keuze vanuit onze medemenselijkheid en onze band die we hebben als kinderen van dezelfde Vader.  Ieder menselijk gelaat vertoont dus goddelijke trekken.  En niemand meer dan Jezus Christus heeft deze goddelijke trekken als mens in zich gedragen.  Zo kunnen we als christen begrijpen dat we Jezus blijvend kunnen zien, ontmoeten en beminnen in iedere medemens, omdat hij dezelfde goddelijke trekken als Jezus in zich draagt.  Hier rijst ook de hele theologie van Johannes op die de liefde tot de naaste op hetzelfde niveau plaatst als de liefde tot God, en de naaste als de plaatsvervanger van God beschouwt.  “Wij hebben lief, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad.  Maar als iemand zegt dat hij God liefheeft, terwijl hij zijn broeder haat, is hij een leugenaar.  Want als hij zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, kan hij God niet liefhebben die hij nooit heeft gezien.  Dit gebod hebben wij dan ook van Hem gekregen: wie God liefheeft moet ook zijn broeder liefhebben” (1 Joh. 4, 19-21).  We moeten met andere woorden God op een plaatsvervangende wijze liefhebben in onze liefde voor de medemens.

We moeten niet geloven om goede werken te doen.  Dat werd hopelijk ondertussen meer duidelijk.  Maar als we geloven kunnen we aan onze goede werken een extra diepgang geven die we niet zullen vinden in de filantropie, of althans niet zo uitgesproken.  En dan gaat het juist over de liefdevolle grondhouding van waaruit de goede werken worden verricht, de ontmoeting met Jezus in de persoon die we helpen en de bijzondere kleur die aan de deskundigheid wordt gegeven vanuit de warmte van ons hart.

Br. René Stockman

maart 2019

Euthanasie bij ondraaglijk psychisch lijden:
een reflectie.

In een interview met het tijdschrift Tertio, gepubliceerd op 31 oktober 2018, gaat Prof. dr. Dominique Jacquemin – priester, verpleegkundige en jarenlang ziekenhuisaalmoezenier en nadien docent aan de Faculteit Geneeskunde, hoogleraar Theologische ethiek aan de Université Catholique de Louvain (UCL) en verantwoordelijk voor de opleiding Palliatieve zorg –   in op de vraag of hij euthanasie bij ondraaglijk psychisch lijden verantwoord vindt.  Hij geeft hier m.i. een zeer diepgaand antwoord dat ons uitnodigt om nog maar eens te reflecteren op dit zeer controversiële thema.  De vraagsteller zelf noemt het een “heikel” thema, wat we volledig kunnen onderschrijven.

Ik citeer het antwoord om er daarna enige kanttekeningen bij te plaatsen.

Ik heb het enorm moeilijk met die druk, zeker als dat gebeurt in naam van de vrijheid van het  individu. Is iemand die drager is van een zware psychiatrische pathologie echt wel het individu dat hij is wanneer hij zegt dat zijn  leven geen zin meer heeft?  Als  je euthanasie in dat soort situaties toelaat, duiken conceptueel enorm veel moeilijkheden op die grote gevolgen hebben.  In zekere zin bekrachtig je de therapeutische impasse, veeleer dan te antwoorden op de levensvragen.  Grote psychiatrische problemen zijn niet om te lachen, maar sluit je patiënten dan niet op in de eigen voorstelling van hun gevoelens van onbehagen?  Zo dood je ze al symbolisch voordat je ze doodt.  Maar ook het klinisch probleem is aanzienlijk: hoe evalueren we de voortdurende en onomkeerbare dimensie van iemands psychische lijden?  Daar bestaat geen consensus over.  En eens we euthanasie bij  psychisch lijden gegeneraliseerd hebben, wat betekent dat dan voor andere categorieën?  Welke boodschap geven we over mensen die hun vrije wil niet meer kenbaar kunnen maken?  Wat doen we met hen?  Een antwoord op die vragen heb ik niet echt.  In de ene welbepaalde situatie evalueer je een beslissing anders dan in een andere.  Maar de grote moeilijkheid is wel dat men ondertussen een sociale voorstelling opbouwt”.

De wet van  2002 over de patiëntenrechten heeft de autonomie van de patiënt geformaliseerd.  Dat is op zich natuurlijk niet af te keuren, en het is goed dat de patiënt een grotere mondigheid en inspraak heeft gekregen in de ziekte waarmee hij of zij geconfronteerd wordt en de therapie die daarvoor wordt aangeboden.  Tot voorheen was de geneeskunde nogal ingebed in een paternalistisch keurslijf en was de inspraak van de patiënt quasi nihil.

Maar nu lijkt de slinger wel sterk over te slaan naar de andere richting, en wordt geclaimd dat de patiënt over een absolute autonomie beschikt die zich dan vertaalt in een even absolute zelfbeschikking, waarmee voortdurend wordt geschermd wanneer men het onder andere heeft over euthanasie.  Alle andere waarden – en de waarde bij uitstek, de enige die het predicaat “absoluut” kan en mag opeisen nl. de eerbied voor het leven – moeten daarvoor wijken en worden daaraan ondergeschikt.  Het wordt vandaag moeilijk, ja, quasi onmogelijk om die verabsolutering van de zelfbeschikking nog in vraag te stellen.

Het hele discours over de zelfbeschikking krijgt echter een ander accent in het geval van zwaar psychisch lijden.  Jacquemin zegt het heel terecht: “Is iemand die drager is van een zware psychiatrische pathologie echt wel het individu dat hij is wanneer hij zegt dat zijn leven geen zin meer heeft?”  De zelfbeschikking – zelfs indien men zou beweren dat deze absoluut zou kunnen zijn-  verliest zeker aan draagkracht bij zwaar psychisch lijden, omdat juist de mogelijkheid om correct te oordelen over situaties, ook over zichzelf, sterk beperkt, vervormd, belemmerd tot zelfs afwezig is.  Het argument van de zogenaamde absolute zelfbeschikking geldt dus niet of slechts in heel beperkte mate bij zwaar psychisch lijden.  Het is dan ook totaal onterecht en volledig onlogisch, zoals we vandaag in sommige documenten kunnen lezen, dat men ook bij zwaar psychisch lijden de zorgrelatie en de autonomie van de patiënt gewoon op dezelfde hoogte plaatst, als waarden die tegenover mekaar moeten afgewogen worden.  Hier kunnen we niet anders dan stellen dat de zorg hier opgeofferd wordt op het altaar van de  ideologie  van  de autonomie, de vrijheid en de zelfbeschikking en dat de zorg zich daarmee compromitteert en laat degraderen tot een speelbal van een  uit de hand gelopen ideologie.

Jacquemin spreekt eveneens over een therapeutische impasse waarin men verzeild geraakt wanneer men bij zwaar psychisch lijden de weg naar euthanasie opent.   Wanneer  we zouden kunnen stellen dat bij een somatische aandoening de  “medisch uitzichtloze toestand  van aanhoudend en ondraaglijk fysiek lijden dat niet gelenigd kan worden “ nog min of meer te verifiëren is, is dit helemaal anders bij psychisch lijden.  Over het voortdurend en onomkeerbare van iemands psychisch lijden bestaat immers geenszins een consensus.  Specialisten geven terecht aan dat binnen de psychiatrische zorgpraktijk soms onvoorspelbare en totaal onverwachte veranderingen in de ziektetoestand van de patiënt kunnen optreden,  die nieuwe perspectieven binnen de behandeling openen.  Het is dan ook uiterst moeilijk en delicaat om als zorgverlener hier zelf op een totaal subjectieve wijze de criteria te bepalen op basis waarvan men zou kunnen concluderen dat het psychisch lijden onomkeerbaar is en de patiënt is uitbehandeld.  Wanneer men als zorgverlener formeel verklaart dat iemand uitbehandeld is, sluit men, zoals Jacquemin zo gevat formuleert, “patiënten op in de eigen voorstelling van hun gevoelens van onbehagen”.  Ze  worden  als het ware bevestigd in het negatieve van hun ziektebeeld in plaats dat ze geholpen worden om eruit los te komen of tot een aanvaarding te komen van hun situatie.

Een derde element dat Jacquemin terecht aangeeft is de boodschap die men geeft naar andere groepen, de tekenwaarde en de  consequentie die het uitvoeren van euthanasie bij zwaar psychisch lijden heeft of kan hebben op andere personen die hun vrije wil niet meer kenbaar kunnen  maken.  Hier wordt opnieuw een deur geopend en op een kier gezet: een nieuwe doos van Pandora wordt geopend. Wanneer men moet vaststellen  dat bij psychiatrische patiënten die door hun ziektetoestand getroffen zijn in hun wilsbekwaamheid, toch wordt ingegaan op de vraag naar euthanasie, kunnen we ons vragen stellen hoe men zal reageren t.a.v. hen die omwille van handicap, zware dementie of andere ziekte eveneens getroffen zijn in hun wilsbekwaamheid.   Vandaag wordt de discussie gevoerd in welke mate men al dan niet rekening  kan houden met een wilsverklaring, genomen in een nog luciede periode, bij gevallen van zware dementie, waarbij niet  meer kan worden nagegaan of de wens naar euthanasie nog effectief aanwezig is.  Het wordt een kleine stap om de eindbeslissing uitsluitend in  handen  te leggen van derden, waar reeds lang om gevreesd wordt als we de verschuiving zien die zich binnen de euthanasiepraktijk voordoet.   In Nederland  wordt nu gediscussieerd of het moreel correct is op voorhand een slaapmiddel toe te dienen  bij uitvoering van euthanasie bij een  persoon met dementie.  Hierbij wordt immers iedere mogelijkheid uitgesloten om voor het inbrengen van de injectie de finale vraag nog te kunnen stellen  of de persoon in kwestie al dan niet akkoord gaat met de levensbeëindiging.

Iemand zei me ooit dat wanneer we beginnen “prutsen” aan het leven, we dan voor onvoorspelbare dillema’s komen te staan.  We lijken in deze situatie te zijn beland. Ethici wringen zich in allerlei bochten om zogenaamd ethisch verantwoorde oplossingen aan te reiken.  In welke mate zijn deze niet bezig om eigenlijk voorbij te gaan aan de basisfundamenten waarop hun ethische reflectie moet worden gebouwd en deze fundamenten bovendien  naar hun hand te zetten om zo te kunnen voldoen aan de maatschappelijke verwachting.  Is dat de taak van een ethicus, of heeft deze niet eerst en vooral de opdracht om mensen steeds opnieuw te wijzen op waar het fundamenteel over gaat in het leven: het ware leven, gebaseerd op een duidelijk mensbeeld, en niet een leven dat men zomaar kan gaan manipuleren. Velen echter omzeilen gewoonweg deze dillema’s en doen de ogen beaat dicht, en sluiten zich letterlijk op in de ideologie van de absolute zelfbeschikking, en indien deze ideologie het laat afweten – wat eigenlijk gebeurt bij patiënten met een sterk verminderende wilsbekwaamheid – gebruikt men een emotioneel discours  en gaat men zich beroepen op de barmhartigheid waarbij euthanasie dan geïnterpreteerd wordt als een verlossingsdaad bij uitstek uit een onmenselijk lijden.  Indien men tegen een dergelijke nefaste relativistische mentaliteit reageert -om op de eerste plaats de meest kwetsbaren in onze samenleving te beschermen-  wordt men als paternalistisch en onbarmhartig beschouwd  en  het zwijgen opgelegd.  Ondertussen breiden de dillema’s zich uit en worden steeds meer compromissen gesloten om toch maar niet tegen het relativisme, waaraan onze huidige maatschappij lijdt,  hoeven in te gaan. Het is méér dan ooit urgent dat onze cultuur van de dood terug een cultuur van het leven wordt. Alleen zo worden mens en samenleving echt gediend.

Br. René Stockman

januari 2019

Valkuilen en contradicties rond euthanasie

De hele problematiek rond euthanasie is een gelegenheid om eens kritisch enkele valkuilen en contradicties te benoemen die men ontmoet maar waarvoor velen bewust of onbewust de ogen sluiten. Wellicht bij velen onbewust, omdat men er gewoon niet bij stilstaat. Men laat zich zo gemakkelijk meesleuren door wat de massa denkt en zegt en ieder argument wordt door een emotionele reactie ontkracht. Vandaag denken velen niet meer vanuit argumenten, maar meer en meer en bijna uitsluitend vanuit emoties. Maar wellicht ook bij velen bewust, omdat men het niet aandurft tegen een maatschappelijke stroom in te varen. Tegen een stroom in varen is inderdaad lastig en meestal een zeer eenzame tocht. In sommige gevallen zelfs een gevaarlijke onderneming met onverwachte hinderlagen die kunnen opduiken. Sommigen zullen deze valkuilen en contradicties echter gewoon negeren, bestrijden en ze als contraproductief of zelfs pervers omschrijven, omdat ze overtuigd zijn dat tegen het uitvoeren van euthanasie geen enkele oppositie meer kan worden getolereerd. Het is tot een verworven mensenrecht uitgegroeid waarbij men van oordeel is dat de mensheid echt wordt gediend en bevrijd is geworden van iedere beperking op het zo geroemde zelfbeschikkingsrecht. Het recht op euthanasie kan volgens deze strekking niet anders worden gezien dan een nieuwe verworvenheid in een voortschrijdende beschaving.

Nochtans zijn er in deze laatste visie een aantal valkuilen en contradicties die onmiddellijk opvallen en die niemand kan ontkennen, alleen maar negeren of ridiculiseren.

Vooreerst zijn er de zogenaamde absolute autonomie, vrijheid en zelfbeschikking die verheven zijn boven alle andere menselijke waarden. Daaraan mag geenszins meer worden geraakt. Neen, we zijn niet tegen autonomie, vrijheid en zelfbeschikking, en in de geschiedenis zijn er echt bevrijdende momenten geweest waardoor de mens aan autonomie, vrijheid en zelfbeschikking heeft gewonnen. Daar kan niemand tegen zijn, dat kan niemand ontkennen en daar kunnen we alleen maar verheugd om zijn. We maken hier geen filosofische noch theologische beschouwingen, waarbij we ons kunnen afvragen of de mens zichzelf volledig kan losmaken van de medemens en zijn omgeving en zich daarom als een absoluut autonoom en vrij individu kan kwalificeren. We kijken gewoon naar het ogenblik waarop iemand in een bepaalde situatie besluit om euthanasie te vragen. Is de betrokken persoon nog volledig autonoom en vrij, in de veronderstelling dat hij of zij het voordien was, en kan hij of zij gebruik maken van de absolute zelfbeschikking, wanneer niet meer de vrije wil, maar de pijn en het lijden regeren en de mens als het ware in de greep hebben en dan ook sterk het beslissingsvermogen gaan bepalen? Zou deze mens hetzelfde besluit nemen indien de pijn en het lijden er niet waren, of indien er goede alternatieven zouden worden aangeboden waardoor deze pijn en dat lijden gemilderd kunnen worden? De huidige wet voorziet dat het de geneesheer is die moet bepalen of aan de voorwaarden om euthanasie uit te voeren is voldaan. Hij moet bepalen of het lijden inderdaad uitzichtloos en onomkeerbaar is en dat de zieke uitbehandeld is. Dus ook op dat vlak moet de persoon in kwestie zijn autonomie afgeven aan een derde die zal bepalen of euthanasie al dan niet kan worden uitgevoerd. En tenslotte zal de euthanasie eveneens door een derde worden uitgevoerd, wat ook een als een afbreuk kan worden beschouwd van de zo geroemde absolute autonomie en zelfbeschikking. Dus bij euthanasie zijn de absolute autonomie, vrijheid en zelfbeschikking eerder een mythe geworden, ondergeschikt geworden aan elementen in de persoon zelf en afgegeven aan derden die deze autonomie, vrijheid en zelfbeschikking gedeeltelijk of zelfs geheel overnemen.

Daarnaast kunnen we iets zeggen over het woordgebruik, en meer bepaald over de term “menswaardige dood”, zoals euthanasie vandaag wordt genoemd. Dit eufemistisch woordgebruik is heden ten dage volledig ingeburgerd en is erin geslaagd een op zich mensonwaardige daad helemaal om te buigen tot een hoogst menswaardige daad. Het zou hier niet meer gaan om het doden van een andere persoon, maar wel om het bevrijden van iemand uit een zogenaamde mensonwaardige levenssituatie. De act, een einde maken aan het leven, wordt hier toegedekt door de intentie: een eind stellen aan de pijn en het lijden dat dit leven met zich meebrengt. Men zou de menswaardigheid van het leven verhogen, door het leven af te nemen. Is er een grotere contradictie mogelijk? Wat men in feite zou willen verhogen en verbeteren, wordt volledig vernietigd en tot een definitief einde gebracht. Dit wordt nog versterkt door het feit dat men vandaag menswaardigheid heel gemakkelijk koppelt aan de kwaliteit van het leven. Menswaardigheid heeft in deze visie met kwaliteit van leven te maken, terwijl bij euthanasie het leven zelf wordt afgenomen, en men dus helemaal niet meer kan spreken van levenskwaliteit. Ondertussen weten we ook dat het een valkuil is om de menselijke waardigheid te verengen tot de kwaliteit dat het leven heeft. Ieder mens, ongeacht de zogenaamde kwaliteit van zijn leven, beschikt over een waardigheid die intrinsiek en ontologisch is, dus eigen aan zijn menselijke natuur, waardoor niemand of niets deze waardigheid kan afnemen.

Recente studies, o.a. van Fabian Stahle uit Zweden, spreken over een morele ontkoppeling die ontstaat bij het uitvoeren van euthanasie, zowel op het persoonlijke als op het professionele vlak. In de psychologie wordt dit een cognitieve herstructurering genoemd, waarbij normale mensen zover kunnen worden gebracht dat ze intrinsiek verkeerde handelingen uitvoeren maar deze als neutraal of zelfs als goed gaan beschouwen. Sommigen zullen hier spreken van een zekere afstomping van het geweten wanneer men bepaalde handelingen, die slecht zijn, als een routine gaat stellen in een omgeving die beweert dat deze handelingen helemaal niet slecht zijn en nu eenmaal tot het systeem behoren. In concentratiekampen voerden bewakers en beulen quasi onbewogen de meest onmenselijke handelingen uit omdat deze hen door hun oversten werden opgedragen en omdat er een hele omgeving was gecreëerd waarbij deze handelingen als normaal werden beschouwd tegenover medemensen die als minderwaardig werden omschreven. In zijn studie verwijst Stahle naar mechanismen die deze morele ontkoppeling in de hand kunnen werken: morele rechtvaardiging (het doel wettigt de middelen), het gebruik van een eufemistische woordkeuze (reeds aangehaald in ons vorig punt) en verontschuldigende of verzachtende vergelijkingen waarin kwaadaardige handelingen worden gehuld in een schijn van welwillendheid, door ze op een onjuiste wijze te toetsen aan normen die gelden voor andere situaties. Ik denk dat deze theorie inderdaad heel toepasselijk is op diegenen die vandaag euthanasie uitvoeren en dit bijna als een routinehandeling gaan beschouwen. Ze zien het als een bevrijding uit een mensonwaardig lijden, ze spreken heel spontaan over de zachte of menswaardige dood, het liefst gekaderd in een sfeer met zachte muziek en een glaasje champagne bij het afscheid nemen van de geliefde, en beschouwen uiteindelijk het toebrengen van een dodelijke injectie als een deel van hun therapeutisch handelen. Het is alsof de therapie ermee wordt afgesloten. Vooral de routine, de gewenning, zal hier een grote rol spelen. Wellicht zal bij iedere arts de uitvoering van een eerste euthanasie een psychologische shock teweegbrengen, maar in een omgeving die euthanasie als heel gewoon gaat beschouwen, zal bij voldoende herhaling ook bij de arts de psychologische weerstand vervagen, tot het een gewone routine-handeling is geworden. In een aantal Nederlandse uitzendingen, waarbij een euthanasie life werd opgenomen, zien we hoe diegene die de euthanasie uitvoerde, daarna gewoon verder overgaat tot de andere dagelijkse werkzaamheden. De morele ontkoppeling lijkt hier volledig. Euthanasie is bovendien geen medische handeling en is volledig in strijd met wat geneeskunde behoort te zijn. Is nog een grotere contradictie mogelijk?

We moeten ons de vraag stellen hoe het komt dat een handeling als euthanasie op relatief korte tijd binnen onze samenleving als iets ‘dood-gewoons’ wordt beschouwd. Eerst vindt men dat euthanasie moet mogelijk zijn in een aantal uitzonderlijke gevallen, en dus best niet meer strafbaar wordt gesteld, om daarna over te gaan tot een ruimere goedkeuring waarbij thans zelfs gestreefd wordt naar de erkenning van euthanasie als een patiëntenrecht. We zien dat steeds dezelfde strategie wordt gebruikt om zeer delicate en betwistbare handelingen maatschappelijk aanvaardbaar te maken. Vooreerst tracht men de publieke opinie te beïnvloeden via een mediagenieke manipulatie van een aantal extreme casussen en wordt de focus totaal gericht op het onmenselijke van het lijden. Daardoor probeert men bij het grote publiek verontwaardiging op te roepen en een gevoel van compassie te creëren. Tegelijk benadrukt men dat iedere daad die deze mens uit zijn uitzonderlijk lijden zou kunnen verlossen, m.n. via euthanasie, nog steeds als een misdrijf wordt bestraft. Er ontstaat in de geest van het publiek dus een innerlijke strijd, noem het een verwarring: verontwaardiging, compassie en tegelijk afkeer om een handeling die deze situatie zou kunnen verhelpen nog verder als een misdrijf te beschouwen. Dezelfde strategie is overigens ook gebruikt om abortus te depenaliseren. Eigenlijk worden deze extreme casussen misbruikt om iets heel uitzonderlijks te veralgemenen. Daardoor wordt de deur op een kier wordt gezet, en onderzoek heeft uitgewezen dat wanneer men eenmaal 10 % van een populatie van iets overtuigd heeft, de rest heel gemakkelijk volgt. Dikwijls worden ook nog valse statistieken gebruikt om te beweren dat zogenaamde wetenschappelijke steekproeven hebben uitgewezen dat een meerderheid van de bevolking gewonnen is voor het depenaliseren van euthanasie. De misleiding van het publiek is zo gerealiseerd. Wie zou het dan nog aandurven om er een andere mening op na te houden en tegen deze zogenaamde meerderheid in te gaan. We kunnen ook hier echt van een valkuil spreken.

Ik wil nog een laatste contradictie vermelden die opduikt bij het ganse proces van depenalisatie en legalisatie van euthanasie. Dikwijls hoort men de opmerking dat het beter is iets te legaliseren dan het clandestien te gedogen. Dus de stelling luidt hier dat wanneer iets clandestien wordt uitgevoerd dit uiteindelijk ook een wettelijk kader verdient. Echter, niemand zal eraan denken en aanvaarden dat stelen, dat toch wel een clandestiene daad bij uitstek is, omdat het nu eenmaal clandestien gebeurt en daarom best uit de clandestiniteit wordt gehaald, ook gelegaliseerd moet worden. Ik zou de maatschappelijke verontwaardiging die dit zou oproepen begrijpen, en terecht. Maar dezelfde verontwaardiging blijft uit wanneer het gaat over het doden van een medemens. Is doden van een medemens niet veel erger dan stelen? Een daad onder bepaalde voorwaarden depenaliseren en achteraf zelfs legaliseren moet toch steeds te maken hebben met het creëren van een betere en meer veilige samenleving voor haar burgers. Dat zou toch de eerste bekommernis van de wetgever dienen te zijn: zorgen dat via wetten een veilige omgeving wordt gecreëerd. En we weten dat veiligheid vandaag een heel actueel en gevoelig thema is. Wordt onze maatschappelijke omgeving nu echt veiliger en beter met een deur die steeds verder opengaat richting euthanasie, met recent nog het pleidooi om ook aan dementerenden die niet meer in staat zijn hun mening te uiten, hun vroegere wens voor euthanasie in te willigen? Beseffen we voldoende dat door het openen van de doos van Pandora m.b.t. zeer delicate handelingen zoals euthanasie we thans bijna bijna volledig van het hellend vlak zijn gegleden naar een angstaanjagende en onheilspellende toekomst, vooral voor de allerzwaksten in onze samenleving? We hebben voor deze nefaste evoluties in onze samenleving reeds jarenlang ernstig en publiek gewaarschuwd.

Valkuilen en contradicties genoeg om eens ernstig na te denken hoe we als samenleving aan het evolueren zijn, waarbij het depenaliseren en legaliseren van abortus en euthanasie toch wel tot echte symbolen zijn uitgegroeid van een maatschappij die steeds meer de nadruk legt op het utilitarisme, het individualisme en het hedonisme. De vraag is hoever men zal en kan gaan tot we tot een maatschappij komen of ernaar terugkeren waar finaal alleen nog het recht van de sterkste zal primeren.

Bibliografie

  • Montefusco, Cecilia, Eutanasia, chimera di libertà, certezza di morte. San Giorgio Jonico, Edizione Servi della Sofferenza, 2011, pp. 190.
  • Raymakers, Dr. Janthony, Moral disengagement – mechanismen die de euthanasiebeweging voortdrijven. Acta Medica Catholica, vol. 87, 2018, p. 70 – 73.

Br. René Stockman