Opiniestukken

Op zoek naar het ware gelaat van Jezus

Onderstaande tekst werd gepubliceerd in het tijdschrift van Pro Petri Sede, Ten dienste van de Paus, Au service du Pape, 2021-2, p. 14-23.

De Abruzzen in Italië is een eerder minder gekende toeristische streek in Italië ten oosten van Rome die zich uitstrekt tot aan de Adriatische zee. Het vormt het centraal gebergte in Italië, vroeger zeer moeilijk bereikbaar omwille van het gebrek aan wegen. Vandaag zijn het vooral skiërs die er tijdens de winterperiode de Gran Sasso en de Majella bezoeken. Minder gekend, maar zeker niet minder te waarderen omwille van zijn ongerepte natuur en de vele verrassingen die men er kan opdoen en die niet onmiddellijk in de toeristische gidsen terug te vinden zijn.

Deze streek kwam even in het nieuws bij de zware aardbeving in 2009 toen de stad Aquila aan de rand van de Majella grotendeels werd verwoest. Tot op vandaag werkt men er nog steeds aan de heropbouw van deze toch wel zeer historische stad. Het brengt ons bij Paus Celestinus V die er begraven ligt en wiens graf niet werd verwoest door de aardbeving. Heel betekenisvol was het bezoek van Paus Benedictus XVI in mei 2009 aan de verwoeste stad en het feit dat hij zijn pallium legde op het graf van zijn voorganger. Dit alles werd nog betekenisvoller toen Paus Benedictus enige jaren later als paus aftrad waardoor zijn band met Paus Celestinus nog extra kleur kreeg. Want ook Paus Celestinus was na een paar maanden pausschap in 1294 vrijwillig afgetreden en had de rest van zijn leven in een cel doorgebracht. Had Benedictus toen reeds in gedachten ooit zelf dit eerder unieke voorbeeld van Celestinus te volgen?

Paus Celestinus brengt ons dan bij een ander belangrijk element van de Abruzzen. Omwille van het quasi ontoegankelijk berglandschap en de vele grotten in het gebergte werd het in de middeleeuwen een geliefde plaats voor kluizenaars, en ook Celestinus, in de wereld Pietro del Morrone, was – vooraleer hij tot zijn eigen verbazing tot paus werd gekozen – een reeds bejaarde kluizenaar in de Abruzzen. Dat is dan ook de reden waarom hij niet in Rome, maar wel in Aquila werd begraven waar hij ook als paus werd geïntroniseerd en het einde van zijn leven opnieuw doorbracht in een kluis.

Het was in 2005 toen ik voor de eerste maal de Abruzzen bezocht, beginnende met Aquila dat toen nog in volle schoonheid kon worden bewonderd. Het bezoek aan de benedictijnerkerk Santa Maria di Collomaggio met daarin het graf van Paus Celestinus V was één van de hoogtepunten van ons bezoek. Het was toen dat ik ook het verhaal van de kluizenaars leerde kennen evenals de wondere geschiedenis van deze heilige paus. Het werd een reis zonder veel voorbereiding, waarbij we eerder een zoektocht deden naar ongekende plaatsen die ons zowel de natuur als de cultuur steeds opnieuw deden bewonderen. Na het bezoek aan het stadje Chieti, reeds op de terugweg naar Rome, zagen we langs de weg een kleine wegwijzer naar Manoppello met de vermelding: “Il Volto santo”. We vroegen ons af wat dit mocht betekenen. Op ons reisschema van die dag stond eigenlijk het plaatsje Bucchianico, de geboorteplaats van de heilige Camillus, de patroonheilige van de verpleegkundigen en de beschermheilige van de zieken. Maar het woord “Il Volto santo” intrigeerde ons en we zouden een kleine omweg in ons reisschema inlassen. Neen, het was niet in het dorp zelf dat we moesten zijn, maar een heel eind erbuiten en bergop. We dachten zelfs op een bepaald moment maar gewoon terug te keren, want Italië kent zovele plaatsen die iets met het heilige te maken hebben. We dachten natuurlijk spontaan aan Turijn, waar de lijkwade werd bewaard en waarvan we het heilige gelaat kennen, het gelaat met gesloten ogen van de dode Jezus, ingeprent in de lijkwade waarin hij was gewikkeld na zijn dood. Misschien had men hier een bijzondere kopie van deze afbeelding.
Na vele bochten, zo typisch in dit berglandschap, zagen we een gevel verschijnen van een kerk in de typische stijl zoals ook de Collomaggio in Aquila was gebouwd, met een kunstvolle afwisseling van gele en roze stenen. We vernamen dat het een monasterium was van de Paters Kapucijnen. Om binnen te kunnen gaan, moesten we nog even wachten, want in de vroege namiddag heeft men in Italië de “slechte” gewoonte alle kerken te sluiten en heel stipt met het openen op het aangegeven uur is men nu ook niet. Maar na een kwartier hadden we geluk en werden de kerkdeuren geopend. Het leek wel een heiligdom dat betere tijden had gekend, met een grote parking die er volledig verlaten bijlag en een gastenkwartier dat dringend aan vernieuwing toe was. Het leek vergane glorie. We lazen op een document tegen de muur dat in dit monasterium sinds 1712 “il Volto Santo” werd vereerd. En boven het hoofdaltaar zagen we in een reliekkast een grote monstrans met daarin een afbeelding van – wat men beweerde – het ware gelaat van Jezus . Na even van de stilte en de koelte in deze kerk genoten te hebben, traden we naar voren, helemaal alleen, zonder veel enthousiasme en eerder met een sceptische ingesteldheid wat deze afbeelding boven het altaar wel kon zijn. Want we hadden noch van Manoppello, noch van het “Volto Santo” ooit gehoord. We waren op dat ogenblik zowat als de ongelovige Thomas.

Eenmaal boven – want men kan via een trap achter het altaar tot bij de monstrans – stonden we letterlijk oog in oog met een afbeelding van een man die ons strak in de ogen keek. Met de mond halfgeopend was het alsof hij ons wilde vermanen omwille van ons ongeloof. Ik voelde de woorden “Mijn Heer en mijn God” in mij opkomen en alle ongeloof vloeide totaal uit mij weg. Ik wist niet wat me overkwam bij het aanschouwen van deze doorzichtige doek waarop het gelaat is afgebeeld van een man die ons zo innemend en tegelijk opvorderend aankijkt. Zo totaal anders dan het gelaat dat we kenden van de lijkwade van Turijn. Zo bijzonder was ook dat we dit gelaat zomaar konden bekijken, zonder enige vorm van bewaking, terwijl de lijkwade van Turijn slechts bij momenten te bewonderen is en dan nog met strikte veiligheidsmaatregelen. Kon de afbeelding hier in het kerkje echt zijn, of was het één van de vele kopieën die men hier en daar ook kon vinden van de zogenaamde zweetdoek van Veronica? En vanuit de exegese had ik al geleerd dat het verhaal van Veronica weinig historische gronden had, maar juist rond de zweetdoek was gevormd die men “vera eikon” of “ware icoon” noemde, vandaar de naam “Veronica”. Het was hier wel een “vera eikon” die totaal verschilde van de gekende afbeeldingen, waarop we Jezus meestal zien met gesloten ogen , zoals op de lijkwade van Turijn. Vandaar dat velen beweerden dat de afbeeldingen van de zweetdoek hun origine vonden in de lijkwade van Turijn. Maar met alle gedachten en redeneringen die door mijn hoofd flitsten, bleef ik toch staren naar dat wondere gelaat op dit doorschijnend doek. Het maakte al het overige ondergeschikt, en wanneer we uiteindelijk de trap weer afdaalden, duurde het even vooraleer we opnieuw onze woorden vonden. We waren nog steeds alleen in de kerk en we besloten nog even te blijven om te bidden. Dat korte, onverwachte en ongeplande bezoek aan Manoppello zou weldra het hoogtepunt worden van ons bezoek aan de Abruzzen, en vooral een plaats waar ik graag terugkom.

Eenmaal thuis startte ik toch wat opzoekingswerk rond die fameuze “Volto Santo” van Manoppello. Het bleek dat een Duitse historicus juist een boek had gepubliceerd over deze zweetdoek en net zoals ik ook eerder toevallig in Manoppello was gepasseerd en gefascineerd geraakte in het doek. We wisten toen niet dat amper één jaar later, op 1 september 2006 niemand minder dan Paus Benedictus XVI zelf “Il Volto Santo” zou bezoeken en er verklaren dat het hier ging om één van de belangrijkste relikwieën van de Kerk. Hij kwam er op bedevaart om zijn boek over Jezus van Nazareth voor te bereiden. Sinds dit historisch bezoek is Manoppello een stuk uit de vergetelheid gehaald en zien we heden ten dage opnieuw een gastenkwartier dat mooi gerestaureerd is en zijn we quasi nooit meer alleen bij een bezoek aan het heiligdom. Er is zelfs een tentoonstelling die op een zeer degelijke wijze uitleg probeert te geven over het ontstaan van de “Volto Santo” en ook de band met de meer gekende lijkwade van Turijn. Echt verhelderend.

Maar laten we nu zelf even een wandeling maken naar de origine van deze doek en de wijze waarop het tenslotte in het godvergeten Manoppello terechtkwam. Want dit laatste lijkt nog het meest verwonderlijke. We zouden “Il Volto Santo” toch eerder in Rome verwachten? De geschiedenis leert ons dat in de Sint-Pietersbasiliek reeds van oudsher een speciale verering was voor de zogenaamde “zweetdoek” van Veronica. Ze staat immers met haar zweetdoek afgebeeld links van het pauselijk hoofdaltaar met aan de andere kant de heilige Helena met het kruis, de andere belangrijke relikwie.

Het verhaal van Manoppello

Wat leren ons de opzoekingen die we deden rond “Il Volto Santo”? Volgens de traditie zou in 1506 een pelgrim in Manoppello zijn gearriveerd met een pakje onder de arm dat hij kwam afgeven aan een zekere Leonelli Giacomantonio, een welstellende burger en geneesheer van Manoppello. De identiteit van de pelgrim is volledig onbekend en ook de reden waarom hij dit pakje kwam afgeven aan deze geneesheer in Manoppello. Voor meer dan honderd jaar werd het doek met grote eerbied bewaard in de familie van de dokter, tot deze in onenigheid kwam en het doek om onbekende reden in 1608 in de handen kwam van een zekere Pancrazio Petrucci, eveneens uit Manoppello. Maar we zijn reeds honderd jaar later! De echtgenote van Petrucci verkocht het doek in 1618 aan de apotheker Donatantonio De Fabritiis om met het geld haar man vrij te kopen uit de gevangenis. Deze zou dan in 1638 het doek geschonken hebben aan de Kapucijnen die sinds 1620 een convent hadden gebouwd in Manoppello. Dit verhaal werd neergeschreven door Fra. Donato of Bomba en in 1646 op een plechtige wijze bevestigd met de vermelding dat voortaan de Kapucijnen verantwoordelijk waren voor het bewaren van “Il Volto Santo”. In 1686 werd een aparte kapel gebouwd om het doek te bewaren en in 1690 startte men met de openbare verering op het feest van de Transfiguratie op 6 augustus. Vanaf 1703 startten de bedevaarten met processie op de derde zondag van de maand mei en in 1718 gaf Paus Clemens XI een volle aflaat aan hen die het heiligdom bezochten.

Bij deze korte kroniek blijven twee vragen pertinent: van waar kwam die pelgrim en is het verhaal van 1506 een geschiedkundig feit of eerder een legende, en nog méér belangrijk: wat is de oorsprong van het doek?

Het zijn bij deze twee vragen dat we willen stilstaan en ons geschiedkundig onderzoek voortzetten en dat aan de hand van de hand van de werken van Pater Heinrich Pfeiffer s.J. die een deel van zijn leven heeft gewijd aan de studie van “Il Volto Santo”, Paul Badde, de reeds vernoemde Duitse historicus en journalist en Zuster Blandina Pashalis Schlömer die via haar iconografische studie een wonderbaarlijke gelijkenis vond tussen “Il Volto Santo” en de lijkwade van Turijn.

Onze eerste vraag die we hier trachten te beantwoorden is wat de oorsprong kan zijn van dit doek.

In de zesde eeuw wordt voor het eerst gesproken over het doek als de “acheiropoietos”, niet door mensenhanden gemaakt. In 574 wordt dit doek van Camuliana (in Cappadocië, niet ver van Edessa) naar het toenmalige kerkelijke centrum van het Oosten gebracht: naar Constantinopel. Welke legenden waren toen aanwezig rond het doek? Een eerste spreekt over een heidense vrouw, Hyptia, die zich wou bekeren, maar verlangde eerst het ware gelaat van Christus te mogen zien. Ze vond een doek in de bron van haar park met erop het gelaat van Christus. Het doek werd onmiddellijk droog en na enige tijd werden er kopieën gemaakt van dit doek, maar het originele werd bewaard in Camuliana, en zou dus later worden overgebracht naar Constantinopel.
Een andere legende gaat terug tot Maria die na de hemelvaart van God zelf een doek zou hebben ontvangen met de beeltenis van haar Zoon. Telkens als ze wou bidden zou ze dit doek hebben bovengehaald en ook toen ze stierf, werd het doek voor haar geplaatst, zodat ze Jezus al stervende kon zien.
Mooie legenden, maar met een totale afwezigheid van historische gronden.

Het staat historisch wel vast dat – zoals reeds eerder vermeld – in 574 het doek, dat men ondertussen de “mandylion” of “kleed van Edessa” noemde, samen met fragmenten van het heilig Kruis naar Constantinopel werden gebracht waar het bewaard en vereerd werd in de Patriarchenkapel. Waarom het “mandylion” wordt genoemd en daarmee de band met Edessa zullen we hierna nog aangeven.

In de achtste eeuw zou het doek worden weggehaald uit Constantinopel om het te beschermen tegen de beeldenhaters. De ene bron spreekt van 787, maar reeds in 753 is er sprake van de aanwezigheid van de mandylion in Rome, op het moment dat Paus Stefanus II de mandylion in processie door de stad draagt om de dreiging van de Longobarden af te weren. In Rome zelf spreekt men van 705 als het tijdstip waarop de mandylion aankwam, maar uit vrees dat Constantinopel het na een zekere tijd zou terugeisen werd het de eerste jaren volstrekt stilgehouden. Nog een legende geeft aan dat Keizer Leo III de mandylion in een kist op de zee zou hebben gezet en dat het zo in Rome terechtkwam. Geschiedenis en legenden doorkruisen hier mekaar, maar feit is dat op het einde van de achtste eeuw de mandylion zeker in Rome aanwezig was. In de oude Sint-Pietersdom werd een speciale Mariakapel gebouwd waar de sudarium of kortweg de “Veronica” werd bewaard. U ziet ook de naamsverandering: men spreekt niet meer van “mandylion”, maar van “zweetdoek of sudarium” gekoppeld aan de figuur van Veronica.

We maken een sprong van vele jaren en zelfs eeuwen tot in 1204 waarop het de gewoonte werd dat op de tweede zondag na Driekoningen de “sudarium” werd getoond en in processie van Sint-Pieters naar het nabijgelegen Santo Spirito in Sassio werd gedragen. Het Santo Spirito in Sassio bestaat nog steeds als vroegere kerk van het gelijknamige hospitaal Santo Spirito, één van de oudste hospitalen in Europa. Vanaf dat moment werd de Sint-Pietersdom vooral een bedevaartskerk met de “Sudarium van Veronica”, of de “Veronica” genoemd als voornaamste vereerde relikwie die voortaan ieder jaar plechtig aan de gelovigen werd getoond. Deze traditie zal lopen tot 1600, het ogenblik waarop men plannen maakt om een nieuwe Sint-Pietersbasiliek te bouwen.

Het is juist in 1608 dat de oude Veronicakapel moet worden afgebroken en dat ook de sudarium op een onverklaarbare wijze verdwijnt. In de schatkamer van Sint-Pieters heeft men nog de oude kader waarin de sudarium zich bevond maar waarop duidelijk te zien is dat deze gebroken is. Deze verdwijning wordt echter geheim gehouden, en later zal men in de nieuwe Sint-Pietersbasiliek in de daartoe gebouwde Veronica-zuil een geschilderde afbeelding, kopie van het originele, bewaren en deze dan ook opnieuw tonen. Op vraag van Paus Gregorius XI werd in 1621 een tweede kopie gemaakt bestemd voor Koningin Constantina van Polen. Dit is echter een Jezus-gelaat met gesloten ogen en bevindt zich nu in de Gesu-kerk in Rome (de hoofdkerk van de Jezuïeten). In de Sint-Bartolomeuskerk van de Armeniërs in Genova, nu bediend door de Barnabieten, zou zich een derde kopie bevinden. De afbeelding in Genova gelijkt zeer goed op de “Volto Santo” van Manoppello en lijkt er een integrale kopie van te zijn. Het is duidelijk dat de drie bestaande kopieën eenzelfde origine hebben. Is het de “Volto Santo” van Manoppello die er aan de oorsprong van ligt? Dit is de stelling die steeds meer plausibel klinkt.

De vraag blijft natuurlijk wat er gebeurde bij de nieuwbouw van de Sint-Pietersbasiliek en de verdwijning op dat moment van de “sudarium”. We herinneren ons de datum 1608 ook van het verhaal van Manoppello waarbij een zekere Pancrazio Petrucci in het bezit kwam van het doek. Kan er een verband bestaan tussen de verdwijning in Sint-Pieters en deze Pancrazio Petrucci, afkomstig uit Manoppello? Sommige onderzoekers verwijzen naar het feit dat deze Petrucci als bouwvakker wellicht meehielp aan de bouw van Sint-Pieters. Waarom kwam hij in de gevangenis en moest zijn vrouw het doek verkopen aan de apotheker tien jaar later om haar man vrij te kopen uit de gevangenis ? Is hij de dief van het doek en is het verhaal van de pelgrim die het honderd jaar eerder naar Manoppello bracht een verzinsel om de diefstal te verzwijgen en toe te dekken en om zo te voorkomen dat men zich verplicht voelde om het doek terug naar Rome te brengen? Het lijkt alvast een plausibele veronderstelling die een totaal nieuw licht werpt op zowel de oorsprong van de “Volto Santo” als op de wijze waarop deze uiteindelijk in Manoppello terechtkwam.

In Genova – om nog even terug te keren naar de derde kopie die daar bewaard wordt en die een treffende gelijkenis vertoont met de “Volto Santo” van Manoppello – hoorden we een ander verhaal over de origine van de sudarium. Daar verwijst men naar het evangelie van Johannes waar we kunnen lezen dat op een dag Grieken bij de apostel Filippus kwamen met het verzoek om Jezus te zien (Joh. 12). Deze Grieken zouden afgezanten zijn geweest van Koning Abgar V van Edessa. In Edessa sprak men ook Aramees en lag slechts 600 km van Jeruzalem. Volgens het verhaal is Koning Abgar ziek en vraagt hij Jezus om genezing. De gezant Ananias probeert Jezus te schilderen maar slaagt daar niet in. Daarop wast Jezus zijn gezicht en droogt zich met een doek waarin de afbeelding van zijn gezicht verschijnt. Dit doek wordt naar Edessa meegenomen en aan Abgar getoond, waarop deze geneest. Dit verklaart dat men ook spreekt van “mandylion” of “kleed van Edessa”. Het verhaal gaat dan verder dat deze afbeelding op een houten kader wordt gekleefd en zodra het wordt getoond de heidense goden van hun sokkel vallen. Later wordt de afbeelding opgeborgen en is men het uit het oog verloren, tot het in 544 door een bisschop wordt teruggevonden. Het is historicus Evagrius Scholasticus die erover schrijft als de beeltenis van God, niet door mensenhanden geschapen, vandaar de term “acheiropoietos”. Daarmee ontdekken we opnieuw een aantal lijnen in ons verhaal dat het geheel verduidelijkt. Nog steeds volgens het verhaal van Genova zou de afbeelding in 944 per schip naar Constantinopel zijn overgebracht om later dan in Rome te verzeilen. Hier is echter wel een groot verschil van data met het moment waarop men voor een eerste maal spreekt over de mandylion in Rome. Maar het geeft wel interessante achtergrondinformatie over de verschillende benamingen die werden gebruikt.

En de lijkwade van Turijn?

We kunnen ons verhaal over de “Volto Santo” van Manoppello niet verderzetten zonder eerst iets te vertellen over de lijkwade van Turijn. Want onwillekeurig worden we geconfronteerd met de vraag of er enig verband bestaat tussen de twee, of de “Volto Santo” eventueel niet een afbeelding is van het gelaat van Christus dat we op de lijkwade van Turijn terugvinden. Het is wel treffend dat ook hier het verhaal van Edessa en Koning Abgar niet afwezig is. Maar deze hypothese is wellicht minder plausibel, aangezien het hier gaat om een afbeelding van een gans lichaam en niet alleen van een gelaat.

Historisch staat vast dat de lijkwade zich vanaf 1578 bevindt in de kathedraal van Turijn waar in 1694 een speciale kapel werd gebouwd om deze erin te bewaren.
De lijkwade van Turijn is een lang wit laken, nu ivoorkleurig, met erop een licht zichtbare afdruk van een lichaam, zowel de voorzijde als de achterzijde, bekomen door het doek over een dood lichaam te plooien, voor- en achterzijde.
Klare informatie over de lijkwade is er vanaf 1453 wanneer het in het bezit komt van de adellijke familie van Savoie en meer bepaald in het kasteel van Charny nabij Troyes in Frankrijk. Maar reeds in 1356 zijn er documenten bewaard die spreken over de lijkwade.

Edessa is de plaats waar zowel over de lijkwade als de sudarium wordt gesproken, meestal zelfs alsof het over hetzelfde doek zou gaan, het doek dat Jezus had meegegeven en Koning Abgar genas. In 494 zou dit doek zijn verplaatst van een kerk naar de stadsmuren in een speciale nis om het extra te kunnen beschermen. Het was speciaal gevouwen, hetgeen in feite nog te zien is op de lijkwade, waarbij alleen het gelaat (?) zichtbaar was. Zou dit de oorsprong zijn van de verwarring die in Edessa haar oorsprong vindt, als zouden de zweetdoek en de lijkwade hetzelfde doek zijn?
Maar eerst ons verhaal verder: Edesssa werd veroverd door de Islam en in 679 werd deze stad geteisterd door een ernstige aardbeving met brand, waarbij de lijkwade voor een eerste maal werd beschadigd, hetgeen nog te zien is aan de kleine gaatjes door het vuur veroorzaakt en toen niet hersteld.
Wellicht werd de lijkwade rond 944 overgebracht naar Constantinopel in de kapel van het grote paleis nabij de Hagia Sophia, de zogenaamde “Pharos-kapel”, waar ook relieken van het heilig Kruis werden vereerd.
Vanaf 1204 is de lijkwade niet meer in Constantinopel en werd ze wellicht meegenomen door de kruisvaarders om deze belangrijke reliek te beschermen tegen de Islam. En zo kwam ze met andere relieken in Frankrijk terecht, waar bijvoorbeeld een deel van de doornenkroon in de Notre-Dame van Parijs wordt bewaard en bij de recente brand van deze kathedraal werd gered.
Het verhaal gaat verder dat de lijkwade een tijd in handen zou zijn geweest van de Tempeliers die echter in 1314 veroordeeld werden en ontbonden. Via hen kwam het in de handen van de familie de Charny, nog steeds in Frankrijk. In 1353 wordt een speciale kerk gebouwd in Lirey om de lijkwade er onder te brengen. Het is dan in 1453 dat het uiteindelijk in de handen kwam van de koninklijke familie de Savoie, die eigenlijk tot in 1983 officieel de eigenaar was van de lijkwade en het was Koning Umberto II die het dan officieel aan Paus Johannes Paulus II schonk.

We weten dat vanaf 1471 de lijkwade op verschillende plaatsen werd getoond, want telkens zijn er verslagen en afbeeldingen bewaard van het gebeuren waarbij de plaatselijke bisschop de lijkwade toont. Daarom weten we dat de lijkwade een tijd verbleef in Vercelli en later in Chambéry. In 1506 gaf Paus Julius II die ook de Sixtijnse kapel liet beschilderen door Michelangelo de opdracht om de kapel in Chambéry voortaan de kapel van de lijkwade te noemen.

In de nacht van 4 december 1532 werd deze kapel door brand geteisterd en kon de lijkwade op het nippertje worden gered, maar was wel fel beschadigd met brandgaten en waterschade. De plaatselijke Arme Klaren kregen de opdracht om de lijkwade te herstellen, en zoals men weet, werd dit niet zo nauwkeurig uitgevoerd.

Vanaf 1578 werd de lijkwade definitief overgebracht naar Turijn op vraag van Kardinaal Carolus Borromeus en in 1694 werd een speciale kapel gebouwd waar de lijkwade tot op vandaag is ondergebracht en slechts bij bepaalde gelegenheden aan de gelovigen wordt getoond.
We dienen nog te vermelden dat ook in 1997 brand uitbrak in de kathedraal van Turijn, maar dat de lijkwade opnieuw op het nippertje kon worden gered.

Rond de lijkwade bleven heel wat vragen leven, vooral over de originaliteit ervan. Bij een eerste fotografie in 1898 werd eenieder verrast door de negatieve afdruk waarbij duidelijker dan op de lijkwade zelf het gelaat van een dode verscheen. Het werd wereldwijd verspreid als het gelaat van Christus.
Met de vooruitgang van de technische mogelijkheden werden ook herhaaldelijk stalen genomen om de juiste datum en de materie van de tekening te onderzoeken. Een onderzoek in 1979 wees uit dat de lijkwade zeker niet geschilderd was maar echt menselijk bloed bevatte van de AB-groep. In 1988 werd voor de eerste maal een radio-carbon onderzoek uitgevoerd, met het onthutsende nieuws dat de lijkwade dateerde uit de late middeleeuwen en niet van de tijd van Christus kon zijn. Maar men had verkeerdelijk, wellicht moedwillig, een deel van het opgenaaide stuk genomen dat door de Arme Klaren in 1532 was aangebracht.
Later onderzoek bewees evenwel dat er sporen van planten uit Jeruzalem te vinden zijn en steeds meer is men van de originaliteit overtuigd: het gaat inderdaad over een overleden man die de kruisdood stierf in dezelfde tijd en op dezelfde plaats van Christus. Wetenschappers kunnen uiteraard niet formeel verklaren dat het inderdaad over Christus gaat. Dat is een geloofskwestie. Maar met de huidige wetenschappelijke bevindingen mogen we dat laatste gerust aannemen.

We laten de vraag rond het verband tussen de “Volto Santo” en de lijkwade van Turijn nog even rusten en gaan eerst terug naar Manoppello om nog wat bij te leren over de “Volto Santo”.

Terug naar Manoppello

De “Volto Santo” van Manoppello is geen dodenmasker zoals we zien op de lijkwade van Turijn. Het is een afbeelding van een man die met open ogen naar ons kijkt, die weliswaar een aantal duidelijke verwondingen vertoont op het hoofd. Zo zien we een wonde ter hoogte van de neus, op het voorhoofd en aan de mondhoeken. Heel typisch zijn de pupillen met wit onderaan, een lange neus, een eerder smalle mond, een lichte snor en baard en een haarlok vooraan. Ook hier wees onderzoek uit dat het onmogelijk kon geschilderd zijn maar het duidelijk gaat over een inprenting volgens een totaal ongekende techniek.

De “Volto Santo” valt op door zijn doorzichtigheid en is ook langs beide kanten identiek, waarbij het duidelijk opvalt hoe de afbeelding echt in het doek is ingeprent. Verder onderzoek wees uit dat het hier gaat om mosselzijde die werd vervaardigd uit de witte vezeltjes van de mosselschelpen. Het kan ook uit byssus of weefsel van parelmoerdraden zijn vervaardigd. Steeds ging het om zeer fijne zijde die in de vroege tijden werd vervaardigd en als sluier door de vrouwen werd gebruikt. Het was ook de gewoonte een sluier op het gelaat van een dode te leggen. Zou Maria Magdalena haar sluier hebben gebruikt om deze als zweetdoek op het gelaat van de dode Jezus te leggen, vragen sommigen zich af?

De hypothese luidt dan ook dat de “Volto Santo” de zweetdoek is die op het gelaat van Jezus lag in het graf, en in het evangelie klinkt het inderdaad dat er twee doeken in het lege graf werden aangetroffen: de lijkwade en de zweetdoek die apart lag en mooi was geplooid.

Het is dus heel aannemelijk dat naast de lijkwade in Turijn, waarvan de originaliteit steeds meer vaststaat, ook de “Volto Santo” zijn ware oorsprong vindt in het graf van Jezus, namelijk als zweetdoek waarmee men volgens de gebruiken van die tijd het gelaat van een dode bedekte.

Maar wat blijkt nog meer? Bij verder onderzoek kwam men tot de vaststelling dat het gelaat van de lijkwade van Turijn en deze van de “Volto Santo” van Manoppello identiek zijn. Het is vooral Zuster Blandina die daarover baanbrekend werk heeft verricht. In haar onderzoek ging ze nog verder en zocht in de iconografie hoe de afbeelding van de “Volto Santo”, wellicht reeds gekend in de vroegste tijden na Christus, de schilderkunst en speciaal de afbeelding van Jezus in de iconografie grondig heeft beïnvloed.
Bij de vroegste afbeeldingen van Christus vinden we steeds dezelfde gelaatstrekken, zo gelijkend op deze van de “Volto Santo”. Wellicht werd in de vroege iconografie de opdracht gegeven om Christus af te beelden naar het model van de afbeelding van de toen reeds gekende zweetdoek. Met de huidige technieken is het zelfs mogelijk om op iedere reproductie de afbeelding van de “Volto Santo” te projecteren. Heinrich Pfeiffer geeft hierbij een overzicht en verwijst naar de bekende icoon van de Christo Pantocrator van de Sinaï uit de zesde eeuw, de Cristo il Misericorsioso in het museum van Berlijn uit de twaalfde eeuw, de Santo Volto van Novgrorod in Moscou eveneens uit de twaalfde eeuw, de “Il Risorto” op het altaarstuk in Praag uit 1350 en de Pantocrator uit Recklinghausen uit de zestiende eeuw om er slechts een aantal te noemen. Maar ook de vroege afbeeldingen van Christus op de mozaïeken in Ravenna uit 520 en de Cristo Pantocrator in de Chiesa Pudenziana, één van de oudste kerken in Rome uit de vierde eeuw vertonen grote gelijkenissen met de “Volto Santo” uit Manoppello. Ook Dürer en de Meester van Flémalle schilderden op dezelfde wijze.

Opvallend en uniek op de “Volto Santo” zijn natuurlijk de open ogen die iedere bezoeker zo indringend aankijken. Hoe is dit te verklaren? Bij de verrijzenis heeft Jezus de ogen geopend en is er een levengevende kracht in zijn lichaam gekomen. Er ontstonden daarbij chemische processen die altijd ongekend zullen blijven, want de verrijzenis van Christus is en blijft uniek. Wellicht zijn het deze chemische processen die zo een indringend beeld hebben nagelaten in de zweetdoek die op zijn gelaat lag en een zo nauwkeurig beeld hebben gegeven van het ware gelaat van Jezus.

Wanneer we nu alles samenvatten wat we geleerd hebben van de legenden, de historische feiten en het wetenschappelijk onderzoek kunnen we tot het besluit komen dat beide doeken bij elkaar horen: de “Volto Santo” als de originele zweetdoek die het gelaat van Christus bedekte en de lijkwade van Turijn als de echte lijkwade waarin het lichaam van Christus was gewikkeld. Kunnen we het niet als een wonder beschouwen dat deze twee relikwieën tot op vandaag werden bewaard en dat ondanks alle wederwaardigheden die ze beiden hebben meegemaakt. Het verhaal van beide doeken kennende doet ons thans nog met grotere eerbied kijken naar en vooral contempleren bij deze beide gezegende afbeeldingen.

Blijf in Mij, dan blijf Ik in u

Bij de hemelvaart stonden de apostelen naar de hemel te staren en ontvingen de opdracht om naar huis te gaan en Jezus daar te ontmoeten. Jezus heeft op drie wijzen gezorgd dat Hij bij ons bleef.

Er is natuurlijk vóór alles de Eucharistie waarbij Jezus aanwezig komt in een stukje brood dat we tot ons kunnen nemen en dat we kunnen aanbidden. Het is en blijft de belangrijkste en meest intense wijze dat Jezus ook vandaag bij ons aanwezig is en blijft en geestelijke voedsel voor de mens wil zijn.

Daarnaast heeft Hij gezegd: “Alles wat ge doet voor de minsten, doet ge aan Mij” (Mt. 25, 40). Hier klinkt een heel sterke uitnodiging om Jezus ook effectief te ontmoeten in de medemens. We horen hier het gekende gezegde van zowel de H. Camillus als Vincentius: “De arme is de icoon van Christus die we moeten dienen met respect en liefde”.

Maar Christus heeft gekozen om nog op een derde wijze bij ons te blijven, en dat is via de afbeelding van zijn gelaat van Hemzelf op zowel de lijkwade van Turijn als de “Volto Santo” van Manoppello.
Op de lijkwade van Turijn zien we het gelaat van de dode Christus, op de “Volto Santo” het gelaat van de verrezen Christus. Het lijden en de dood én de verrijzenis zijn wezenlijk bij de verlossing.
Vooral het contempleren van het gelaat van Christus op de “Volto Santo” brengt ons bij Christus zelf en dat op een heel intense wijze. Het is alsof we anticiperen op wat Johannes zegt, nl. dat we God zullen zien van aangezicht tot aangezicht, en dat dit voldoende zal zijn (1 Joh. 3, 2). Kijken naar de “Volto Santo” is dan ook als een voorbereiding op deze ultieme ontmoeting met Jezus in het hiernamaals.
We herdenken en beleven hier ook de incarnatie van het Woord dat vlees is geworden en onder ons heeft gewoond. Gods aanschijn is inderdaad in Jezus in de wereld gekomen. In het gelaat van Jezus zien we de Vader.
Bij de communie kijk ik graag naar een afbeelding van de “Volto Santo”, als beleving van dat grote mysterie dat we Jezus niet alleen via onze ogen of onze gedachten, maar ook via ons lichaam tot ons kunnen nemen.
En ten slotte brengt de contemplatie van de “Volto Santo” ons tot de herkenning van Jezus’ gelaat in het gelaat van de medemens: de zieke, de arme, van diegene waarbij het zelfs moeilijk is om in hem of haar het gelaat van Jezus te herkennen. Want ook het gelaat van Jezus zoals we het leren kennen in de “Volto Santo” is een gekwetst gelaat, nog met de sporen van de geleden pijn.

Het is mijn ultiem gebed bij het aanschouwen van Jezus’ gelaat: “Heer, laat uw gelaat over ons schijnen…”

 

Bibliografie

– Badde, Paul, Het gezicht van God. Een avontuurlijke zoektocht naar het ware gelaat van Jezus. Tielt, Lannoo, 2007, pp. 256.
– Badde, Paul, The true Icon. San Francisco, Ignatius Press, 2010, pp. 160.
– Di Giamberardino, Eugenio, The holy Face of Manoppello: tradition, history, science and devotion. Manoppello, 2010, pp. 60.
– Pfeiffer, Heinrich, Il Volto Santo. Pescara, Ed. Carsa, 2000, pp. 110.
– Wilson, Ian, The shroud; the 2000 year old mystery solved. London, Bantam, 2010, pp. 369.

Br. René Stockman

Oktober 2021

Een meer dan dubbele moraal

Onderstaande tekst werd eveneens ingekort gepubliceerd in De Standaard op 13 oktober 2021.

Ik begrijp volledig de verontwaardiging die sommigen uiten naar aanleiding van de aankondiging van de tv-reeks ‘Ik wil een kind’. Een kind op bestelling tussen twee ‘wensouders’ via een werkwijze die een zogezegd stevig kader krijgt via een aantal zakelijke afspraken. Een duurzame relatie waarbinnen een kind in liefde kan worden verwekt en er in de warmte van een gezin kan opgroeien wenst men niet, omdat men voor andere samen(?)-levingsvormen kiest. Men kiest voor een surrogaatoplossing waarbij de ene de andere gebruikt om toch maar aan die kinderwens te kunnen voldoen. En om de zogenaamde rechten van het kind te garanderen wordt een soort contract afgesloten. Hoever verwijdert men zich hier van een stevig gewortelde traditie die doorheen alle tijden en in de meeste culturen als ‘normaal’ wordt bestempeld en ook zo wordt beleefd, op enkele uitzonderingen na. Het lijkt wel op een belangrijke dominosteen die bewust wordt omgeduwd waardoor men hoopt om met een ongehoorde snelheid ook andere dominostenen van de fundamenten van onze samenleving tegen de vlakte te krijgen. Het lijkt een weg van “nooit genoeg” en “alles moet kunnen”. Wordt daarbij echter geen cruciale grens overschreden en het fundament waarop onze menselijke beschaving is opgebouwd, onderuit gehaald? En we weten dat – eenmaal men een grens heeft overschreden – er geen grenzen meer zijn… Dan wordt alles grenzeloos. Het doet me onwillekeurig denken aan de beelden over de IS die met hamers, boren en bulldozers waardevol cultureel erfgoed te lijf gingen, of aan de Taliban die onder andere de elementaire rechten van meisjes en vrouwen schenden.

Het verwondert mij steeds opnieuw hoe bepaalde praktijken die oorspronkelijk op geen enkele maatschappelijke steun konden rekenen en veel verontwaardiging opriepen, geleidelijk aan via allerlei drukkingsgroepen en media vlug ‘mainstream’ worden en als een onaantastbare nieuwe verworvenheid lijken te worden voorgesteld. Eenmaal in deze fase beland, richt zich een niets ontziende verontwaardiging op diegenen die bij deze nieuwe verworvenheden nog kritische kanttekeningen durven te plaatsen. We wachten af hoe de maatschappelijke stemming rond “Ik wil een kind” zal evolueren. Ik vrees dat ook op dit vlak de omslag vlugger zal gebeuren dan velen thans nog voor mogelijk houden. Het bespelen en manipuleren van emoties – louter om de grenzen van het redelijk aanvaardbare – te kunnen verleggen, hebben reeds veel onheil aangericht. Het evenwicht tussen emoties en rede in ethische debatten is volledig zoek.

Het valt me bovendien op hoe ‘selectief’ emoties en opinies kunnen zijn. Waar is bijvoorbeeld nog de verontwaardiging over het feit dat er dagelijks zoveel kinderen in de moederschoot worden gedood? Het is een debat dat momenteel in alle hevigheid in de Verenigde Staten wordt gevoerd en dat het land in twee kampen lijkt te verdelen: ‘pro-choice’ versus ‘pro-life’. Zelfs binnen de katholieke Kerk heeft men het moeilijk om in een dergelijke gepolariseerde situatie een duidelijke stelling in te nemen rond het al dan niet toedienen van de communie aan politici die bewust het kamp ‘pro-choice’ verkiezen en dit ook openlijk verdedigen. Nochtans blijft men in diezelfde katholieke Kerk duidelijk bij het standpunt dat abortus steeds moord is en het leven een aanvang neemt vanaf de conceptie. De ongeboren wezens zijn volledig overgeleverd aan de beslissing ven een derde die van nature diegene is met wie de band het innigst is: de moeder in wie hun leven een aanvang nam. Diegene die van nature geroepen is om dit leven in al zijn weekheid te beschermen en te koesteren wordt hier diegene die het – al dan niet onder externe druk – afbreekt en bijgevolg doodt. Abortus wordt hoe langer hoe meer als een recht van de vrouw beschouwd en gereduceerd tot de slogan ‘baas in eigen buik’. Kennelijk kan de vader van het ongeboren leven hier geen enkel recht doen gelden.

De voorbije dertig jaar hebben we dus een enorme verschuiving meegemaakt in het morele denken over praktijken die rechtstreeks met het leven te maken hebben. Een verschuiving die het overgrote deel van de burgers dertig jaar geleden als onwenselijk of waanzinnig beschouwde.

Met het langzaam wegduwen van het absolute karakter van de beschermwaardigheid van alle leven en de niets ontziende promotie van de absolute zelfbeschikking, autonomie en vrijheid, vallen steeds meer dominostenen van onze traditionele samenleving met een snelheid die niet meer tegen te houden lijkt.

Deze morele aardverschuiving wordt thans beschouwd als een teken van humane vooruitgang en als het toppunt en de hoogmis van een autonome menselijke ethiek.

De cruciale vraag stelt zich of we in de goede richting evolueren om een betere samenleving op te bouwen waar mensen gelukkiger worden? Met het opeisen van zelfbeschikking als een absolute waarde en een recht wordt tegelijk de solidariteit en verbondenheid tussen personen aangetast en worden mensen steeds meer op zichzelf teruggeworpen. Daarmee wordt aan het cement van de samen-leving zelf geraakt die op medemenselijkheid en solidariteit is gebouwd. Het aantal schipbreukelingen van deze nieuwe ethiek neemt alsmaar toe in alle generaties en in alle sociale lagen van de bevolking.

Politici moeten bij de wetten die ze stemmen oog hebben voor de gevolgen ervan op maatschappelijk en persoonlijk vlak. Ze moeten oog hebben voor iedere persoon en voor alle personen, ook voor hen die nog niet hun stem kunnen verheffen of die niet meer hun stem kunnen verheffen of die economisch niet meer nuttig zijn voor de samenleving. De aandacht van de politici mag niet enkel gaan naar de happy few die met veel financiële middelen en lobbywerk uiteindelijk kunnen verkrijgen waarvan zij dromen. Want zijn die dromen niet vaak zelfgenoegzame dromen?

Het blijft een gulden regel dat het humaniteitsgehalte van een samenleving wordt weerspiegeld in de aandacht en de zorg die ze heeft voor haar meest zwakke leden. Vandaag lijken in deze categorie diegenen die zich om de één of andere reden gediscrimineerd voelen – en zich goed weten te organiseren via allerhande goed gefinancierde lobbygroepen – de eersten te zijn om – vaak terecht – beschermd te worden. Maar vele andere zwakkeren – zonder goed gefinancierde lobbygroepen – dreigen steeds meer uit de maatschappelijke boot te vallen. Wie neemt het concreet voor hen op en welke verzuchtingen en discriminaties van deze weinig gefortuneerde personen komen op de politieke agenda terecht met positief gevolg?

Br. René Stockman

Oktober 2021

Het voltooide leven

Onderstaande tekst werd eveneens gepubliceerd in het tijdschrift Geroepen (editie september-oktober 2021).

Het wordt bon ton te zeggen wanneer op een bepaalde leeftijd het leven meer last dan genot met zich meebrengt, dat we het leven als voltooid mogen beschouwen. En we kennen natuurlijk de volgende logische stap. Want als iets voltooid is, hoeft het niet meer verder te duren.

Maar welk recht heb ik te zeggen dat mijn leven voltooid is? Ligt zowel de aanvang als de voltooiing van mijn leven nu niet juist buiten mijn eigen bereik? Net zoals ik zelf niet kon bepalen wanneer mijn leven een aanvang nam, zo kan ik evenmin bepalen wanneer het voltooid zal zijn. Het leven voltooit zichzelf.

Dat we geen rechtstreekse impact hebben op de aanvang van ons leven staat natuurlijk buiten kijf. We kunnen immers niet teruggaan in de tijd en we weten hoe we op een wonderbaarlijke wijze gevormd werden vanuit een onooglijk zaadcelletje dat zich verenigde met een eicel, een gebeuren dat zelfs amper geprogrammeerd kan worden. We kunnen er alleen maar met verwondering over nadenken.

De enige illusie die we kunnen koesteren, is greep te krijgen op die andere kant van ons leven en dat tot voorheen in een bijna even mysterieuze atmosfeer was gevangen. Wanneer we aanwezig zijn bij een sterven van een medemens is ook dit een moment dat ons lijkt te overstijgen. Die laatste zucht die de mens naar de overkant van het leven brengt, om het in zijn meest neutrale wijze uit te drukken: ooit zullen we allen deze laatste zucht uitademen en dan zal ons leven inderdaad voltooid zijn.

In het huidige discours rond het levenseinde horen we nochtans over het voltooide leven spreken in een totaal andere context dan deze van de zojuist vernoemde laatste adem. Met het steeds maar verbreden van de criteria om iemand op een legale wijze euthanasie toe te dienen, en waarbij sommigen gaan spreken over een recht op euthanasie, lijkt de bepaling “ondraaglijk en uitzichtloos lijden” al lang niet meer de lading te dekken. Na de uitbreiding van het lichamelijk lijden naar het psychisch lijden, waarbij nu ook de dementie als criterium werd toegevoegd, dringt een nieuwe uitbreiding zich op voor hen die vinden dat ze lang genoeg geleefd hebben. En daar hebben ze dan een mooie verpakking voor gevonden met de term “voltooid leven”.

We ontkennen hier niet dat mensen op een bepaalde leeftijd en in bepaalde levenssituaties het zeer moeilijk kunnen hebben en vragen gaan stellen over de zin van hun leven. Wat hebben ze nog te verwachten wanneer hun geliefde partner is weggevallen, wanneer ze verplicht hun woning moeten verlaten, wanneer ze geleidelijk hun vriendenkring zien inkrimpen en wanneer de lichamelijke beperkingen van dien aard worden dat ze steeds meer moeten inleveren en finaal aan hun zetel en misschien zelfs aan hun bed zullen gekluisterd worden? “Wat is nog de zin van mijn leven, wat hebben we nog van het leven te verwachten?”, klinkt dan als een zucht. En aangezien de mens een holistisch wezen is, zullen beperkingen in de ene levensdimensie zich eveneens laten voelen in de andere levensdimensies zodat het uiteindelijk een existentiële vraag wordt naar de zin van het leven. Neen, hier is geen sprake van een ondraaglijk en uitzichtloos lichamelijk of psychisch lijden en er is ook geen dementie in het spel, maar we kunnen alleen spreken van een zekere levensmoeheid. Maar deze levensmoeheid hoeft zich niet alleen te situeren als een typisch gegeven bij het ouder worden. Ook op andere momenten in het leven, wanneer men met tegenslagen wordt geconfronteerd, kan de vraag naar de zin van het leven als een dwingende vraag opkomen en kan men er zelfs aan denken om er een einde aan te maken. En sommigen doen het ook. Maar tegelijk zullen bij velen deze ervaringen juist louterend werken en hen vaardig maken om andere en gelijksoortige momenten in het leven te overstijgen en er zelfs sterker uit te komen. Veel zal hier afhangen van de steun die ze mogen ondervinden van hun omgeving, van de soms noodzakelijke professionele ondersteuning die hen wordt geboden en natuurlijk ook van het psychologisch en spiritueel draagvlak dat ze in hun leven hebben opgebouwd. Onwillekeurig noemen we hier de drie andere dimensies die zowel door de lichamelijke dimensie kunnen worden beïnvloed, maar die op hun beurt ook de lichamelijke dimensie kunnen beïnvloeden.

Ik heb veel geleerd van mijn moeder die de laatste jaren van haar leven heel veel heeft moeten inleveren. Van het zelfstandig wonen volgde na het overlijden van mijn vader een serviceflat, om uiteindelijk in een kamer van een rust- en verzorgingstehuis terecht te komen. De wandelstok werd een rollator, om uiteindelijk een rolstoel te worden. Soms hoorde ik haar klagen dat ze moe was en eigenlijk gereed om te sterven. Maar dan sprak ze over haar buren met wie ze dagelijks een paar uren doorbracht en keek ze door het raam waar ze een panoramazicht had op haar dorp waar ze quasi heel haar leven had doorgebracht. En ze keek naar die kerktoren die voor haar altijd als een ankerpunt in haar leven was geweest. Wanneer ik vertrok, keek ze reeds uit naar mijn volgende bezoek, ook al moest ze volgens haar aanvoelen daar te lang naar wachten. Maar ze had opnieuw iets om naar uit te kijken en ik kon opmerken dat met het kleiner worden van haar leefwereld ook deze aandachtspunten zich meer concentreerden op wat er zich in en rond haar kamer afspeelde, maar dat deed geenszins de intensiteit van het meeleven van wat rondom haar gebeurde, afnemen. Iedere keer dat ze opnieuw iets moest inleveren was dit voor haar een psychologische strijd, maar deze strijd werd niet alleen gestreden en ze haalde kracht uit haar doorheen het leven opgebouwde spiritualiteit. Belangrijk bij haar was het perspectief dat ze bleef koesteren en dat zich zou voltrekken aan de overkant, na die laatste zucht, wanneer haar leven zich zou voltooien. Daar keek ze soms verlangend naar uit, maar tegelijk bleef ze van het leven houden, hoe inperkend het de laatste jaren en maanden ook werd.

Wanneer mensen zogezegd levensmoe zijn en dit uitdrukken door te zeggen dat hun leven voltooid is, is het de opgave ons niet te fixeren op die moeheid, maar te zien hoe we hen beter kunnen omkaderen en dat via alle dimensies van het leven. Wanneer we in andere levensfasen toch grote inspanningen leveren om mensen uit hun occasionele maar soms zeer zware levensmoeheid te halen, waarom zouden we dit nalaten wanneer ze eenzelfde levensmoeheid meemaken bij het ouder-worden? Wanneer we toegeven aan de vraag om hun leven te beëindigen, houdt dit geen verborgen boodschap in dat ook wij als hulpverleners en nabestaanden hen hebben opgegeven? Dat ook voor ons hun leven niet veel meer waard is? Wanneer mensen daarentegen mogen voelen dat ze toch nog belangrijk zijn in het leven van anderen, dat anderen echt met hen begaan zijn en van hen houden en hen helemaal niet als een last beschouwen – zoals vandaag wel eens blijkt – kan voor hen een nieuw perspectief opengaan. In een leefwereld die heel kleine proporties heeft aangenomen, zal het dan ook dikwijls gaan over kleine tekenen van genegenheid en aandacht die deze leefwereld opnieuw een hoopgevende kleur geven en blijven geven, om zo op een serene wijze naar de echte voltooiing te kunnen uitzien. Misschien kunnen we hier veel leren van de kleine goedheid zoals Levinas dit uitdrukt, waardoor we met eenvoudige maar welgemeende uitingen van meeleven, van hulpvaardigheid, van genegenheid lichtpuntjes laten schijnen in de eentonigheid van het leven, dat anders in zijn routine dreigt vast te lopen.

Br. René Stockman

September 2021

Toch naar een 'down-vrije' wereld?

Onderstaande tekst werd eveneens gepubliceerd in het Katholiek Nieuwsblad online op 8 juli 2021.

De cijfers liegen er niet om. In 2020 werden er alleen in Engeland en Wales 3.083 abortussen uitgevoerd omwille van vermoedelijke handicap bij het te verwachten kind. 693 van deze abortussen werden uitgevoerd omdat men bij het prenataal onderzoek vaststelde dat het kind het syndroom van Down vertoonde.

Velen in onze samenleving gaan er a priori van uit dat een leven met een beperking sowieso een mislukt leven is, een leven dat negatief getekend is, in eerste instantie voor de persoon in kwestie maar ook voor zijn omgeving. Ze beschouwen abortus in dat geval als de enig mogelijke weldaad voor zowel de persoon die reeds bij voorbaat wordt verlost van een moeilijk te dragen last en natuurlijk ook voor hen die voor hem of haar zullen moeten zorgen. In een wereld waar de focus steeds meer ligt op het utilitarisme en het hedonisme is dit een meer dan logische redenering.

Er zit echter een angel in deze redenering. De vraag luidt wat de perceptie is die we hebben over de waarde en de zin van het leven. Is het leven slechts waardevol en als gelukt te bestempelen als het zogezegd volmaakt is, zonder gebreken, en vormt ieder gebrek of afwijking daarop een degradatie van de waarde en de zin ervan? Maar wie kan van zichzelf zeggen dat hij of zij totaal volmaakt is en niet aan één of ander gebrek lijdt? En wat met de aftakeling die ieder die het zogenaamde geluk heeft om oud te worden, ongevraagd en ongewild moet doormaken? Tast dit de waarde en de zin van zijn of haar leven aan?

Maar laat ons ook eens kijken naar zij die inderdaad vanaf de geboorte met een beperking moeten leven, zoals deze kinderen met het syndroom van Down. Zijn dit waardeloze schepsels, kinderen die gedoemd zijn met een zwaar ongeluk door het leven te moeten gaan en alleen maar tot last zijn van hun ouders en van hen die voor hen moeten zorgen? Op mijn schrijftafel ligt een kleine foto van Dr. Jérôme Lejeune, de Franse geneesheer die de aanwezigheid van het trisomie 21 in de chromosomen ontdekte als veroorzaker van het syndroom van Down. Hij hoopte door verder onderzoek ook tot een oorzakelijke therapie te kunnen komen. Tegelijk startte hij met de begeleiding van deze kinderen en hun ouders en werd hij steeds meer getroffen door de eenvoudige blijheid die deze kinderen uitstraalden en ook de liefde die bij vele van hun ouders aanwezig was. Neen, hier was geen sprake van waardeloos of ongelukkig leven, maar wel van een leven dat iets miste van de complexiteit waarmee we vandaag te maken hebben en waarin de zachte waarden van tederheid, van gehechtheid en van dankbaarheid ongehinderd tot uitbloei konden komen. Maar tegelijk moest Dr. Lejeune tot zijn ontsteltenis vaststellen hoe zijn ontdekking heel vlug werd misbruikt om abortus toe te passen wanneer een afwijking in de chromosomen kon worden ontdekt. Door zijn hardnekkig verzet tegen deze evolutie en zijn gedurfd openbaar optreden werd de eenmaal zo hoog geprezen vorser verguisd, misliep hij de Nobelprijs en geraakte zelfs de noodzakelijke subsidies kwijt om zijn wetenschappelijk onderzoek te kunnen verderzetten.

Het doet me ook verwijlen bij Thomas Vander Woude die in Virginia in de Verenigde Staten op 8 september 2008 zijn twintigjarige zoon Josie, een jongen met het syndroom van Down, redde toen deze in een septische tank viel. Onmiddellijk sprong Thomas zijn zoon achterna en probeerde hem boven het verstikkende afvalwater te houden tot na een kwartier hulp kwam en de jongen kon bevrijd worden. Voor de vader kwam de hulp echter te laat en hij overleed ter plaatse. De jongen herstelde als bij wonder van de zware vergiftiging die ook hij had opgelopen. Wat een schril contrast met de steeds verder uitdijende gewoonte om deze kinderen vóór hun geboorte reeds te doden en hun het leven te ontzeggen. Hier was het een vader die zijn leven opofferde om zijn zoon met een syndroom van Down verder leven te geven omdat hij reeds twintig jaar had mogen ervaren hoe waardevol en zinvol dit leven wel was.

Neen, we gaan beperkingen, ziekten en aftakeling niet ophemelen, en het blijft onze opdracht zoveel mogelijk lijden uit de wereld te helpen en dit vooral te verzachten. Maar tegelijk willen noch kunnen we aanvaarden dat zij die met één of andere beperking door het leven moeten gaan als minderwaardig bestempeld worden en dat in hun beperking een vermeende legitimiteit wordt gevonden om hen het leven te ontnemen.

Heb de moed om in de ogen van deze kinderen te kijken en te ontdekken hoeveel levensvreugde ze uitstralen. En neem ook de tijd om naar de verhalen van ouders te luisteren die diepe zin vonden en vinden en nog meer liefde om voor deze kinderen op een bijzondere wijze te mogen zorgen. Wordt de diepste liefde niet juist geboren op die plaatsen waar mensen voor mekaar mogen zorgen en de broosheid van het leven mogen koesteren? Misschien is dat wel de meest verborgen levensroeping van mensen met een beperking: dat ze anderen oproepen om zorgzame medemensen te worden door een stop te zetten aan het dodend individualisme waarbij men nog alleen om zichzelf bekommerd is. Dit alles veronderstelt echter in heel wat gevallen ook een professionele en financiële ondersteuning van deze personen met een beperking.

Zal de samenleving er echt beter aan toe zijn als er minder kinderen met het syndroom van Down worden geboren, zoals sommigen beweren en zoals de trend zich nu ook verder aan het ontwikkelen is hier in het Westen? Getuigt het daarentegen niet van een egoïstische hoogmoed te bepalen wie wel of niet het recht heeft geboren te worden en te mogen leven? En hoe ver zijn we nog verwijderd van een nieuwe dictatuur die we in het recente verleden zo verafschuwden, maar nu blijkbaar opnieuw aan het creëren zijn met het stemmen van allerlei wetten die het doden van bepaalde categorieën van mensen moet legitimeren en zelfs bevorderen?

Is onze samenleving vergeten dat de menselijkheid van een samenleving bepaald wordt door het respect die ze heeft voor zwakkeren, waaronder ook heel wat mensen met een beperking? Politici moeten zich hiervan terdege bewust blijven en ervoor zorgen dat er voldoende middelen worden vrijgemaakt om ook voor mensen met een beperking een menswaardig bestaan mogelijk te maken. Niet over 10 of 15 jaar, maar nu! Het is een kwestie van prioriteiten.

Br. René Stockman

Juli 2021

'Dierbare gelovigen'

Onderstaande tekst werd eveneens gepubliceerd in Tertio op 30 juni 2021.

Bij het lezen van het boek van Kardinaal Jozef De Kesel: ‘Geloof en godsdienst in een seculiere samenleving’, dat een scherpe analyse maakt van de plaats van de Kerk vandaag in een seculiere omgeving, blijven de vier besluiten genomen door de auteur naklinken. “De Kerk wordt meer en meer een bescheiden Kerk. De Kerk zal ook kleiner zijn. Ik verwacht van de Kerk in de toekomst ook dat ze meer belijdend zal zijn. En de Kerk moet een open Kerk blijven.”

Bescheiden, kleiner, belijdend en open. Vier woorden die enerzijds een realiteit weergeven, maar ook een verwachting inhouden. De twee eerste woorden zijn vooral een realiteit die we allemaal kunnen observeren, en de twee laatste woorden eerder een verwachting en de weg om relevant te blijven in de samenleving. Want de Kerk en de godsdienst kunnen en moeten dienstbaar zijn en blijven binnen de samenleving, omdat ze iets aan te bieden hebben dat de samenleving kan helpen als samenleving. Neen, bescheidener en kleiner wil niet zeggen dat men zich in zijn schelp moet terugtrekken. Het doet me denken aan het gedicht van Guido Gezelle, die na een zware teleurstelling die hij had opgelopen zich als een slak beveiligd wou terugtrekken in zijn slakkenhuisje: “Wacharme! En ik ben uitgekropen! Ik keer weerom, ik ga zoo rap, van hier naar mijnen keldertrap, en ‘k mets mij in. Dan, reppe of roere ‘t nog zo stuur, mijn deurke en doe ‘k voor niemand open, en ‘k sluit mij, en ’t geluk, weer in mijn slekkenbuur.”

 In een bescheidener en kleiner wordende Kerk is het belangrijk dat de gelovigen zich echt gesteund voelen in hun religieuze overtuiging, zodat ze enerzijds vervulling mogen blijven vinden in hun religieuze levenswijze en anderzijds ook dit geloof positief blijven uitstralen in hun omgeving. Want dan zullen ze echt belijdend en open kunnen zijn en blijven en op een terechte wijze Christus en zijn Evangelische boodschap blijven verkondigen in de wereld, ja, ook in een geseculariseerde omgeving. Want dat blijft hun en onze opdracht om Christus en zijn boodschap aan allen te verkondigen; niet op te dringen maar blij aan te bieden.

Hoe kunnen we als “dierbare gelovigen” die blijheid van onze christelijke levenswijze getuigend blijven uitstralen? Hoe kunnen herders in de Kerk hun dierbaren bemoedigen om zich ten volle kerk-betrokken te blijven voelen en zich niet te laten ontmoedigen door steriele polemieken? Daarmee willen we niet zeggen dat problemen moeten toegedekt worden en het daglicht moeten schuwen, maar is het goed dat ze de oorzaak worden van verzuring in de Kerk? Kunnen we niet meer leren om echt gelovig om te gaan met de mogelijke spanningsvelden die er wel altijd zullen zijn, want de Kerk, ook al is ze sacrament van Gods aanwezigheid in de wereld, is en blijft tegelijk een organisatie geleid en bestuurd door mensen. Gelovig omgaan betekent dat we vrijmoedig mogen zijn in het formuleren van onze mening, open en met eerbied voor de mening van de andere, maar steeds vanuit en met liefde voor de Kerk, in trouw aan het leergezag van de Kerk en met het behoud van onze innerlijke vrede. Vooral dat laatste mogen we nooit verliezen! Misschien is het wel eens moeilijk om deze vijf houdingen op één lijn te houden, maar laten we toch mekaar daarin helpen en ondersteunen en laten de herders ons daarin voorgaan. Wat we als gelovigen levend en werkend in een verregaande geseculariseerde omgeving nodig hebben, is de moed om ons niet zomaar te laten meesleuren met sociologische veranderingen die zich opdringen, maar de juiste gelovige basis om op een correcte wijze weerwerk te geven en juist daarmee te getuigen van de Blijde Boodschap, niet met emoties maar met duidelijke argumenten. Dat is de heilzame bijdrage die we als gelovigen aan de maatschappij kunnen en moeten aanbieden. Neen, dat maakt ons niet tot extremisten of fundamentalisten, maar wel wat we als christen in de wereld moeten zijn en blijven: zout dat smaak geeft en licht dat niet onder de tafel wordt gezet. “Want als het zout zijn kracht verliest, waarmee zal men dan zouten?” (Mt. 5, 13). Neen, dat maakt ons niet tot conservatieven of progressisten – categorieën waarin we mensen zo graag tegenover mekaar plaatsen – maar open voor het goede dat moet bewaard worden en tegelijk open voor wat moet veranderd worden, met als enige referentie steeds die Evangelische Boodschap, en begrijpend dat hierin verschillende snelheden kunnen worden genomen.

Wie Jezus volgt, zal niet moeten verwachten steeds te worden toegejuicht in de wereld. Vergeten we niet dat Jezus ons het kruis heeft beloofd. Voor ons, christenen, is het dragen van het kruis echter niet doodlopend, maar juist de unieke weg naar de verrijzenis. Het is dat perspectief dat we in de wereld levend willen houden en waarvan we ook als christenen willen leven! “Dierbare gelovigen”, er is hoop!

Br. René Stockman

Juni 2021

Is er nog ruimte voor de objectiviteit van de moraal?

Onderstaande tekst werd eveneens gepubliceerd in het Katholiek Nieuwsblad online op 17 mei 2021.

We beleven vandaag een nieuwe paradox. Enerzijds worden we overrompeld door een overvloed aan nieuwe wetten die meer en meer betrekking hebben op de persoonlijke levenssfeer en levensovertuigingen van mensen, vooral gestuurd vanuit allerlei ideologieën, maar anderzijds ervaren we een steeds groter wordende allergie tegenover een algemeen geldende moraal die verwijst naar wat zedelijk goed en kwaad is en die richting probeert te geven aan het menselijk handelen. Deze ideologieën beweren dat ze de mens willen ondersteunen in de realisatie van de zo begeerde individualistische zelfverwerkelijking en willen ontvoogden van het zogenaamde juk dat door de moraal op de mens zou wegen en zijn zelfverwerkelijking in de weg zou staan. Een moraal gebaseerd op de natuurwet, die reeds eeuwenlang de basis vormt voor de ordening van de westerse samenleving, wordt door vele tijdgenoten beschouwd als een inbreuk op de menselijke vrijheid en zelfbeschikking. Dit algemeen aanvaard beginsel dat het fundament vormde van de moraal en de samenleving wordt door de nieuwe – zogenaamd vooruitstrevende – ideologieën volledig verworpen, waardoor de samenleving in een diepgaande morele crisis is terechtgekomen, die – jammer genoeg – ontelbare slachtoffers maakt. Deze crisis wortelt in de verbroken eenheid tussen vrijheid en waarheid. Velen menen immers dat de menselijke vrijheid zo onbeperkt groot is dat deze door niets meer gebonden is, ook niet door de waarheid. Niets zou vooraf bepaald en gegeven zijn, alles nog te maken; niets op voorhand als goed en kwaad afgebakend, alles aan goeds nog te scheppen.

Vandaag lijkt alles beoordeeld te worden vanuit de situatie en de innerlijke motivatie en wordt geen vaststaande standaard meer aanvaard op basis waarvan een handeling geëvalueerd kan worden. Nu lijkt het wel of de situatie waarin een handeling wordt gesteld en de innerlijke motivatie van waaruit ze wordt gesteld de exclusiviteit hebben verworven om te oordelen over het morele gehalte van deze handeling. Traditioneel waren de situatie en de innerlijke motivatie de criteria om te beoordelen of een handeling – die als afwijkend van het goede werd beschouwd – op verzachtende omstandigheden kon rekenen. Het goede werd goed genoemd en het kwade kwaad, en daartussen bepaalden sommige criteria en omstandigheden de ernst van het kwaad.

Deze ideologieën hebben ook hun weg gevonden naar hedendaagse theologische stromingen die het personalisme en het daarmee verbonden proportionalisme en consequentalisme prediken. Daardoor worden goed en kwaad in zulke mate gerelativeerd dat er geen sprake meer kan zijn van objectief goed en kwaad, en ook geen sprake meer kan zijn van zonde.

Het is daarom bon ton geworden vanuit een zogenaamde pastorale bekommernis alles te vergoelijken en met de mantel van de liefde te bedekken. Want Jezus Christus was toch ook vergevingsgezind naar de overspelige vrouw toe en vergaf toch de moordenaar op het kruis, luidt het dan als argument. Maar men vergeet hierbij de vraag te stellen of met de vergiffenis die Jezus schonk daarmee ook de daad werd goedgekeurd? Men vergeet dat de overspelige vrouw de opdracht meekreeg niet meer te zondigen en de vergiffenis geschonken aan de moordenaar op het kruis er kwam nadat deze zijn schuld had bekend. Niemand minder dan Augustinus heeft dit onderscheid krachtig geformuleerd in zijn gekende uitspraak dat we de zondaar moeten liefhebben maar de zonde verafschuwen. Een onderscheid dat vaak niet gemakkelijk is, want een daad wordt steeds door een bepaalde persoon gesteld, zodat er een wezenlijke band bestaat tussen de daad en de persoon die deze stelt. Maar het onderscheid helpt ons om onze objectiviteit te handhaven in de beoordeling van de daad en de subjectiviteit te laten gelden in de beoordeling van de persoon die de daad stelt en in het begrip dat we in meer of mindere mate kunnen opbrengen voor de daad. Het is dit onderscheid dat vandaag in een sfeer van vergoelijking totaal is verdwenen.

We moeten ons als christengelovigen hierbij de vraag stellen of we op deze wijze mekaar ten diepste een dienst bewijzen dan wel of we mekaar belemmeren om onze roeping als mens in het algemeen en als christen in het bijzonder te beleven.

Jezus roept ons in het Evangelie op om heilig te worden zoals de Vader in de hemel heilig is. Dat is de referentie voor ons leven als christen waartoe we uitgenodigd worden en waarnaar we moeten streven, jawel, vanuit en met onze menselijke beperkingen. Ook Paus Franciscus roept ons hiertoe meermaals uitdrukkelijk op.
Het streven naar heiligheid is geen relict uit een ver katholiek verleden, maar een hedendaagse oproep voor ieder die zich christen noemt.

Bewust of onbewust is ieder immers op zoek naar het volle leven, het absoluut goede, de volheid van het goede. En aangezien enkel God goed is, kan ieder mens bij God terecht om te weten wat goed en kwaad is. God heeft zich laten kennen op velerlei wijzen, maar eerst en vooral door de wet die geschreven staat in het hart van de mens, nl. de natuurwet. Deze natuurwet is niets anders dan het licht van het verstand dat God ons ingestort heeft en waardoor we te weten komen wat we te doen en te laten hebben. Deze natuurwet wordt inhoudelijk geëxpliciteerd door de tien geboden, de decaloog. De natuurwet en de decaloog gaan dus hand in hand en beschermen de unieke eigenheid en waardigheid van de menselijke persoon.

Ook de nieuwe wet die Jezus in de Bergrede gaf, is niet tegengesteld aan de natuurwet of de decaloog; integendeel, de Bergrede is de vervulling van de decaloog. Jezus verinnerlijkt er namelijk de geboden en roept zijn volgelingen op tot een uiterst genereus antwoord. Zo is de Bergrede de magna charta van de evangelische moraal. Het is de taak van het kerkelijk leergezag om de natuurwet, de decaloog en de Bergrede aan alle generaties voor te houden in het licht van Christus.

Ofschoon de Kerk geen enkel filosofisch of theologisch denksysteem wil opleggen, toch heeft het kerkelijk leergezag de plicht te zeggen dat sommige opvattingen en denkrichtingen tegen de geopenbaarde waarheid ingaan.

Daarmee wordt mensen geen ondraaglijke last op de schouders gelegd en hun vrijheid niet beknot, maar worden ze geholpen om het ideaal van het leven niet uit het oog te verliezen. We zijn allemaal op de een of andere wijze ver verwijderd van dat ideaal, maar de weg daartoe zal niet méér begaanbaar worden gemaakt door het ideaal te verduisteren of het gewoon als voorbijgestreefd te beschouwen.

Wanneer de kerkelijke leer over morele thema’s a priori wordt verworpen omdat deze zogezegd geen of onvoldoende rekening zou houden met de realiteit van het leven of blijk zou geven van een tekort aan liefde voor het leven van concrete mensen, dan speelt er mijns inziens toch een zware verwarring in hoofde van de personen die dit beweren. Als mens hebben we immers zowel nood aan waarheid als aan medeleven, aan opwekking als aan ondersteuning. Men stelt het zo voor alsof ieder woord gesproken door het leergezag dat niet in de lijn van een hedendaagse ideologie ligt, een veroordeling zou inhouden van concrete mensen en een reden zou zijn waarom mensen de Kerk massaal de rug zouden toekeren.

Zolang er liefde is, lijkt – volgens die houding – alles toegelaten. Er wordt dan opnieuw naar Augustinus en zijn andere gekende uitspraak verwezen: “Bemin, en doe wat je wil”. Maar hierbij wordt kennelijk vergeten dat Jezus het liefdesgebod heeft geformuleerd als vervolmaking van de Wet, niet om de Wet op te heffen.

“We willen niemand veroordelen en verliezen”, horen we vandaag vaak als bijkomend argument om afwijzend te staan tegenover uitspraken van het kerkelijk leergezag. Inderdaad, het kan nooit de bedoeling zijn om mensen te veroordelen en aan hun lot over te laten.

Maar wanneer men – zoals men terecht voorhoudt – aan het geweten de plaats wil geven dat het toekomt in het beoordelen en het al dan niet uitvoeren van een handeling, dan moet dit geweten ook gevormd worden en rekening houden met een duidelijk referentiekader en kan het niet zomaar afhangen van de invulling die men zelf geeft aan wat goed en kwaad is. Indien het geweten zich opsluit in een louter persoonlijke overtuiging over wat zedelijk goed of kwaad is, is het slechts een zeer beperkte individualistische reflectie die de toets met wat als het universeel goede wordt omschreven ontloopt. De vorming van het geweten houdt juist deze groeiende capaciteit in om het persoonlijk handelen tegenover het universeel goede af te wegen. In de psychologie wordt ruim aandacht besteed aan dit innerlijk groeiproces en aan de wijze waarop hier begeleiding en voorbeelden nodig zijn om tot een volwassen geweten uit te groeien. Het lijkt dat men dit natuurlijk groeiproces in de mens vandaag geen kans meer wil geven en integendeel wenst te vervangen door een geweten dat zich nog louter door emoties laat leiden.

Misschien is dit wel één van de grote vergissingen in deze tijd die het echte geluk van mensen verhindert. Het is betreurenswaardig en pijnlijk dat mensen die geroepen en verantwoordelijk zijn om anderen in geloof te begeleiden en voor te gaan, zich in hun ongenuanceerde kritiek op het kerkelijk leergezag méér laten leiden door populisme en bepaalde ideologieën dan door het christelijk geloof.

Wanneer we als kerkgemeenschap het hoederschap over onze broeders en zusters ter harte willen nemen, zoals zo treffend in de eerste bladzijden van de Bijbel is aangegeven, moeten we mekaar helpen om het goede in ons leven te laten groeien en het kwade af te zweren. Dit veronderstelt dat we eerlijk durven zijn over wat goed en kwaad is, in de eerste plaats voor onszelf maar ook naar anderen toe. Een oprechte daad van liefde en een spiritueel werk van barmhartigheid bij uitstek!

Br. René Stockman

Mei 2021

Naar een nieuwe dictatuur?

Onderstaande tekst werd eveneens gepubliceerd in Tertio op 28 april 2021.

Er zal wellicht niemand zijn die een dictatuur zomaar toejuicht, tenzij men er rechtstreekse en persoonlijke voordelen kan uit halen. Maar diep knaagt steeds de spanning die een dictatuur veroorzaakt tegenover de persoonlijke vrijheid die de meesten onder ons koesteren. Men raakt meestal aan veel gewoon, en na een tijd kan men opgelegde beperkingen zelfs gaan beschouwen als nu eenmaal horend bij het maatschappelijk leven. Dit werd opnieuw heel duidelijk tijdens de huidige pandemiecrisis.

Maar we willen het niet hebben over deze pandemie waarover reeds genoeg werd geschreven. Vandaag echter lijken er andere gebieden van het maatschappelijk leven te maken te hebben met een nieuwe soort van dictatuur. We verwijzen naar het ontstaan en de groei van ideologieën rond bepaalde levenswijzen, gedragingen en opinies die eerder uitzonderlijk waren en zich situeerden buiten de krijtlijnen van wat de samenleving als zogezegd “normaal” beschouwde. Denken we maar aan de dictatuur van het individualisme, het liberalisme, de gender en ook de discussie over de ‘woke’, een nieuw begrip wanneer men het heeft over dekolonisatie en de verschillen tussen blanken en zwarten. Deze ideologieën verspreiden zich vandaag via allerlei kanalen en zijn allesoverheersend in onderwijs, media en cultuur. Allerhande rechten gekoppeld aan deze ideologieën worden via de overheid en rechtbanken afgedwongen.

Neen, we hoeven niet terug in de tijd waar alles wat zich niet binnen die krijtlijnen bevond amper werd getolereerd, en soms zelfs werd vervolgd. Krijtlijnen kunnen zich inderdaad verplaatsen, want ze zijn aangebracht met afwasbaar krijt. De mens evolueert en de samenleving eveneens, en de ene cultuur is de andere niet.

Nemen we als voorbeeld de genderideologie. Het is opvallend hoe dit als een nieuw paradigma wordt verkondigd dat geen enkele tegenspraak duldt en de wetgeving op alle gebieden en met alle mogelijke middelen wenst te domineren. Wie nog durft beweren dat eenieder als man of vrouw wordt geboren, medische uitzonderingen buiten beschouwing gelaten, wordt nauwelijks nog getolereerd in het politieke debat. De tolerantie die men voorheen cultiveerde en die juist ruimte liet om verschillende visies naast en met elkaar te laten bestaan, lijkt nu volledig verdwenen. De lobby-groepen die deze nieuwe ideologie uitdragen vinden overal ingang en worden ook actief door de overheid gesteund.

Dat dit verregaande gevolgen heeft zien we nu binnen het onderwijs waar men steeds meer aandringt om alles gender-neutraal te maken. Maar moet het ‘psychologisch geslacht’ de norm worden waarvoor zelfs de natuur moet buigen? Laat ons alle begrip en respect hebben voor mensen die reeds vanaf hun jeugd geconfronteerd worden met een verschillend aanvoelen tussen hun natuurlijk en hun psychologisch geslacht, hen alle hulp bieden en hen op hun levensweg begeleiden. Er zijn in de natuur van de mens echter gegevenheden die niet zomaar kunnen worden gemanipuleerd op grote schaal. Nochtans gaat men hier steeds verder en verder in. Het lijkt een weg waarvan het einde nog niet in het zicht is. Maar misschien zou het wel eens een doodlopende weg kunnen zijn die ons uiteindelijk zal brengen tot een totaal ontwrichte natuur binnen een even ontwrichte maatschappelijke context.

De nieuwe ideologieën willen zich daarnaast ook doen gelden op het vlak van het begin en het einde van het leven. De wijze waarop vandaag over abortus en euthanasie wordt gesproken en beide daden genormaliseerd worden door beroep te doen op het absolutie zelfbeschikkingsrecht is meer dan zorgwekkend.

Het is nog amper toegelaten aan zorgverleners om hun gewetensvrijheid in te roepen om zich juridisch in te dekken wanneer men weigert om aan dit “recht” op abortus en euthanasie mee te helpen. Maar voor instellingen staat dit reeds totaal op de helling.

Deze nieuwe ideologieën zijn gebaseerd op een totale verduistering en afwezigheid van God als de schepper van het leven waarbij de mens de plaats inneemt van God. Op dit gebied heerst een grote onwetendheid en een nog grotere onverschilligheid. Wanneer God er niet meer is kan men de mens maken met de eigenschappen die hem het best uitkomen, hem liquideren als deze niet meer tot nut is, het geluk in de weg staat, economisch niet meer rendeert, of tot last is geworden.

Maar dit is geen louter religieus probleem zoals sommigen vlug zullen argumenteren, maar voor alles een humaan probleem omdat men de mens reduceert tot zijn aards bestaan en loskoppelt van zijn transcendente dimensie. Ook de gevolgen van een dergelijke visie zijn op louter menselijk vlak werkelijk onvoorspelbaar en onheilspellend.

Wanneer de mens zichzelf als schepper waant zal hij de grenzen leggen waar deze hem het best uitkomen. Dat worden dan de nieuwe krijtlijnen, maar ze lijken nu wel met onuitwisbare inkt te worden getekend. Wee hen die er nog een andere mening op nahouden, en ook wee deze culturen en volkeren die helemaal niet opgezet zijn met deze ‘verlichte’ westerse visie. Deze worden als ‘onderontwikkeld of achterlijk’ beschouwd en worden met koloniale middelen aangespoord het goede voorbeeld van hun vroegere kolonialisten te volgen. Voor ons daagt een nieuwe dictatuur aan de horizon, voor hen lijkt een nieuwe periode van kolonisatie te zijn ingezet. En het middel om de ideologieën op te dringen en af te dwingen is de macht van het geld. Wie niet volgt zal dit vlug op financieel vlak voelen, zowel als individu, als groep, als organisatie en als land in ontwikkeling.

Waar zijn de hedendaagse profeten die tegen de stroom durven in te varen? Ook al zijn hun argumenten klaar en redelijk, ze worden nog amper gehoord in een gemeenschap die zich nog slechts laat meedrijven met emoties en meer oor heeft voor de valse profeten die hen naar de mond praten. En die zijn er ook vandaag in overvloed! Want in ons mens- en wereldbeeld dat we als gelovigen belijden en beleven is ruimte voor verschillen, jawel, ook verschillende opinies, maar zijn er ook duidelijke krijtlijnen die ons een houvast geven en ons weerhouden om zomaar met iedere trend en ideologie mee te heulen. Het is de vrije ruimte binnen deze krijtlijnen die ons dierbaar is en die we echt willen koesteren.

Br. René Stockman

April 2021

Einde van een beschaving?

Onderstaande tekst werd eveneens gepubliceerd in het tijdschrift Geroepen (editie maart-april 2021).

In het zog van de verabsolutering van de vrijheid, de autonomie en de zelfbeschikking wordt de weg geopend voor een nieuwe cultuur. Paus Johannes Paulus II noemde deze nieuwe cultuur de ‘cultuur van de dood’. Want als echo van deze absolute zelfbeschikking die de verabsolutering van de vrijheid en de autonomie met zich meedraagt en deze eigenlijk samenvat, klinkt de eis om abortus en euthanasie als een recht te erkennen. Waar eeuwen voorheen werd gestreefd om het leven als een recht te verwerven, werd het einde van de vorige eeuw getekend door een radicale omslag waarbij het recht op de dood wordt opgeëist. We kunnen ons terecht afvragen of we hier aan het einde staan van een beschaving waarin de promotie van het leven vooropstond en dat we nu een nieuwe beschaving intreden waarin eerder de dood wordt gepromoot. Maar kunnen we hier nog spreken over een beschaving? Ik twijfel welk woord we hier kunnen gebruiken, maar spontaan denk ik aan de term “barbarie”. We kunnen het alvast geen groei van de beschaving beschouwen wanneer geknaagd wordt aan het fundamenteel recht op het leven en het inzetten van alle middelen om de menswaardigheid van het leven, van ieder leven te respecteren, te bevorderen en desgewenst te herstellen.

Het is geen toeval dat binnen het christendom juist de zorg voor het respect en de promotie van de menselijke waardigheid steeds een centrale plaats heeft ingenomen. In heel de joods-christelijke traditie is er een groeiend inzicht aanwezig dat het leven heilig is, omdat het zijn oorsprong in God heeft die heilig is. En sinds de komst van Christus die de verlossing van de mens heeft gerealiseerd door zijn lijden en dood op het kruis, mag de mens ook delen in de verrijzenis en is ook zijn bestemming verzekerd: eveneens in God. Het absolute respect voor alle leven vindt zijn grond in de heiligheid van het leven. En deze heiligheid vindt op haar beurt haar grond in het feit dat de mens een goddelijke natuur heeft. We zijn uit God geboren en we worden één met God in onze dood.

Raken aan het leven is dan ook raken aan God die op een unieke wijze aanwezig is in de mens. Jezus heeft deze identificatie van God met de mens op een bijzondere wijze geduid wanneer Hij het had over het eindoordeel. Daar klinkt het dat alles wat we aan de minsten van de mensen hebben gedaan, we aan Jezus zelf hebben gedaan (cfr. Mt. 25, 40).

Het christendom heeft het vandaag zwaar te verduren omdat men radicaal wil breken met de joods-christelijke visie op de mens en op het leven. Wanneer men op een totalitaire wijze greep wil krijgen op het leven, dan moet men afrekenen met Diegene die aan de oorsprong en de eindbestemming staat van dit leven, namelijk God. De godsdienstvervolging die we vandaag in het Westen meemaken is de enige manier die men kan aanwenden om de mens radicaal te aliëneren van zijn wortels en tegelijk van zijn bestemming. De cultuur van de dood kan alleen maar worden bevorderd wanneer men God uit het leven bant. Want God is de grote belemmering om zelf zijn eigen god te worden en daarmee de eindbeslissing over leven en dood in eigen hand te kunnen nemen. Zolang dit in de handen is van God, staat de mens daar tegenover machteloos. Het gaat dus wel degelijk over een machtsstrijd tussen God en de mens, waarbij de mens poogt zijn vader te doden. Er gebeurt in onze dag een wreedachtige vadermoord om zo de weg naar de kindermoord mogelijk te maken.

Deze neiging om zich af te keren van de Vader is natuurlijk niet nieuw. Reeds op de eerste bladzijden van de Bijbel wordt beschreven hoe de eerste mens zijn eigen god wilde worden. Het feit dat dit in het scheppingsverhaal wordt aangegeven is een teken dat dit als het ware in onze menselijke natuur gebakken is. Het is de consequentie van onze vrijheid waarbij we juist als mens de mogelijkheid hebben te kiezen voor God of ons af te keren van Hem. Het draait steeds rond die vrijheid. De vrijheid die we als geschenk hebben ontvangen om op een heel authentieke wijze te treden in de liefdesrelatie met God – want liefde kan niet verplicht worden opgelegd, maar alleen in vrijheid ontvangen en gegeven worden – werd geperverteerd tot een instrument waarmee we ons kunnen afkeren van God, ons afsluiten van Zijn liefde.

Het is ook wel opvallend dat in het Bijbelverhaal na de vadermoord, die zich bij de zondeval voltrekt, quasi direct de broedermoord volgt, wanneer Kaïn zijn broer Abel doodt. De vadermoord opent de weg naar de broedermoord. Eenmaal men heeft afgerekend met de vader is het een kleine stap om ook af te rekenen met de zoon, zijn eigen broeder. De verabsolutering van de vrijheid bevrijdt ons zowel van de vader als van de broeder. Aan de vader hebben we geen verantwoording meer af te leggen en voor onze broeder vervalt onze verantwoordelijkheid. “Ben ik soms de hoeder van mijn broeder?” (Gen. 4, 9).

Wat dus steeds als een mogelijkheid aanwezig was en als een smeulend vuurtje bleef branden doorheen de ganse mensengeschiedenis, is nu als een steekvlam opgeschoten. Het is met een agressiviteit dat de absolute vrijheid wordt opgeëist en men zich helemaal meester wil maken over leven en dood.

Het doet me steeds terugdenken aan Professor Lejeune die, na zijn ontdekking van een genetische afwijking die het syndroom van Down veroorzaakte en dit verder wou onderzoeken in de hoop ook een therapie te vinden, plots geconfronteerd werd met het misbruik van zijn ontdekking om de dragers van het trisomie 21 via abortus te doden. Vandaag stelt men vast dat in Frankrijk 96% van de kinderen, waarbij tijdens prenataal onderzoek wordt vastgesteld dat ze drager zijn van het trisomie 21, via abortus worden gedood en dat van de ongeveer 450 kinderen met het syndroom van Down die er jaarlijks toch nog geboren worden, de meesten ervan ter wereld komen omwille van een vergissing bij de vroegtijdige opsporing. Ze worden dus nog slechts per ongeluk geboren. Velen beschouwen dit als een gelukkige ontwikkeling van de wetenschap en de slogan blijft dat men zo kan groeien naar een ‘Down-vrije’ maatschappij. Een mens met een beperking wordt hier bestempeld als iemand met een minderwaardig leven die men een dienst bewijst, en natuurlijk vóór alles een dienst aan de maatschappij, door hem te doden vooraleer hij ter wereld komt. Dat is pure eugenese die hier wordt beoefend, dezelfde antropologische manipulatie die ook door het nazisme werd beoefend om tot een zuiverder ras te komen.

Wanneer de mens niet meer aanvaardt dat hij geschapen is door God, verliest hij ook de band met het beeld waarnaar hij geschapen is. De mens wordt dan zijn eigen referentie en hij eigent zich het recht toe zelfs als schepper op te treden en voortaan te bepalen welke mens hij nog naast zich wenst te zien. Zo gaat men bij kunstmatige inseminatie met externe donor als in een receptenboek bepalen welk kind men wenst. Het wordt dan een bevruchting à la carte. Ieder prenataal onderzoek heeft nog slechts één doel, namelijk vroegtijdig te kunnen vaststellen of het kind dat men draagt normaal is en in geval een afwijking wordt vastgesteld zo vlug als mogelijk een abortus te laten uitvoeren. Ten tijde van het één-kind-regime in China was zelfs het geslacht van het kind de norm om al dan niet een abortus te ondergaan.

We hebben allemaal aangevoeld dat bij de legalisatie van abortus een grens werd overschreden. Iets wat zelfs reeds in de Griekse beschaving als strafbaar werd beschouwd werd nu onder bepaalde omstandigheden niet meer strafbaar. We moeten beseffen dat wanneer een grens wordt overschreden, er eigenlijk geen grens meer bestaat en alles voortaan mogelijk wordt. Wat we wereldwijd de laatste dertig jaar meemaken gaat inderdaad in deze richting. Wat in oorsprong nog steeds werd gezien als een uitzondering en daarom aan strikte voorwaarden gekoppeld, wordt nu als een recht opgeëist en de voorwaarden die men nog durft formuleren zijn nog slechts totaal uitgeholde formaliteiten waarbij steeds een uitzondering te vinden is. Zo worden ook euthanasie en begeleide suïcide één voor één onder bepaalde voorwaarden uit de strafwet gehaald om daarna heel vlug gepromoveerd te worden tot een recht.

Wat ons ten zeerste bekommert, is de vlugheid waarmee mensen dit allemaal als de grootste evidentie gaan beschouwen en zich als het ware laten meesleuren in wat hen wordt voorgeschoteld als de nieuwste verworvenheden van onze huidige beschaving. Het is alsof ze zich verlost voelen van beperkingen die tegen de natuur van de mens ingingen. Maar ze beseffen tegelijk niet dat ze juist tegen die natuur van de mens aan het zondigen zijn. Alles wat juist eigen is aan de natuur van de mens gaat men manipuleren, proberen naar zijn eigen hand te zetten. Men verlaat zijn positie van beheerder van de schepping door zelf de plaats in te nemen van de Schepper. In hoogmoed acht men zich veel beter dan de Schepper door voortdurend correcties te willen aanbrengen, en indien deze correcties niet de gewenste resultaten opleveren het geschapene gewoon te elimineren. Tijdens de nazi-processen was men verrast dat vele van de zogenaamde beulen uit de concentratiekampen, die koudbloedig duizenden gevangenen martelden en doodden, in feite mondaine burgers waren die vonden dat ze gewoon hun opgelegde opdrachten correct hadden uitgevoerd. Meegesleurd en verblind door de nazi-ideologie zagen ze in de gevangen geen medemens meer, maar een object dat de uitbouw van een ideale maatschappij verstoorde en dus moest geëlimineerd worden. Het was een routinedaad geworden.

Zitten we nu niet in hetzelfde vaarwater wanneer zelfs gelovigen zich klakkeloos laten meesleuren met de situatie-moraal en het besef kwijt zijn dat een andere persoon doden steeds een intrinsiek kwaad is en blijft? De rol die de media hierin speelt is natuurlijk nefast, die welbewust de kaart van het hedonisme en het utilitarisme trekt en alle waarden daaraan ondergeschikt maakt. Was het tijdens het nazisme en het fascisme een welbepaalde persoon die de massa op een dwaalspoor zette, lijkt nu wel de media die rol te hebben overgenomen. Soms wordt het een ware verheerlijking van de cultuur van de dood als teken dat men de dwingelandij van het geloof heeft overwonnen die nog als enige weerstand bood en biedt aan deze verabsolutering van de zelfbeschikking. Er is een juk afgeworpen, maar het was juist dat juk dat ons moest vrijwaren om het wezenlijke van ons mens-zijn te verliezen. De nieuwe beschaving die nu aan het ontstaan is lijkt wel meer op deze van de jungle waar alleen de sterkste kan overleven. Het is een beschaving die zichzelf aan het vernietigen is omdat men de zwakste schakels aan het elimineren is. Als echter de zwakste schakels het begeven, dan gaat de ganse ketting eraan. Want de sterkte van de ketting zal zich juist manifesteren in de sterkte van de zwakste schakel. Wil men als ketting sterk zijn en behouden blijven, dan zal men juist heel veel zorg moeten besteden aan die zwakste schakels. Hier komen we heel dicht bij de evangelische paradox waar gezegd wordt dat indien we zwak zijn, we dan juist sterk zijn (2 Kor. 12, 10). Maatschappelijk vertaald betekent dit dat de grootsheid van een beschaving zich juist zal manifesteren in de zorg die ze besteedt en wil blijven besteden aan en voor haar zwakste leden. Moeten we vandaag niet vaststellen dat het juist dat is dat in het gedrang komt, helemaal niet meer gegarandeerd is en zelfs verwaarloosd wordt? En dat vanuit een ideologie die zich als nieuwe beschaving wil voordoen.

Het is niet vijf vóór twaalf, maar vijf na twaalf en hoog tijd om de klok terug te draaien en ons grondig te bezinnen over de richting die we als maatschappij aan het uitgaan zijn. Er is een grens overschreden, en eenmaal dit is gebeurd, lijkt het wel dat er geen grenzen meer zijn, zoals we reeds hebben aangegeven. Maar sommige grenzen zijn ook barrières die niet mogen overschreden worden omdat we anders wel eens in de afgrond zouden kunnen donderen. Misschien is het nu juist dergelijke barrière die we aan het overschrijden zijn en wacht ons de afgrond, tenzij we nog snel op onze passen terugkeren voor het definitief te laat is.

Br. René Stockman

April 2021

Naar de kapper of naar de kerk?

Onderstaande tekst werd eveneens in een kortere versie gepubliceerd op de website van De Morgen.

Velen smachten naar versoepelingen. Tegelijk blijft de bekommernis groot naar de verdere impact van de pandemie die nog helemaal niet het land en de wereld uit is. Het is een niet te onderschatten dilemma waar beleidmakers voor staan en dat niet steeds door de goegemeente juist wordt ingeschat. Dat getuigen de protesten die hier en daar klinken: sommige vreedzaam en begrijpelijk, andere protesten gewelddadig en volstrekt verwerpelijk. Het was dan ook gespannen uitkijken naar de laatste samenkomst van het overlegcomité om te weten of er enige versoepelingen mochten verwacht worden en wat nu wel en niet zou mogen. De kappers leken wel het meest onmisbare beroep te zijn geworden na al die maanden. Begrijpelijk. Het was voor velen dan ook een opluchting dat de kapsalons onder strikte voorwaarden opnieuw open kunnen. Maar ook de schoonheidsspecialisten en zelfs de tatoeëerders horen bij de gelukkigen. Allemaal zogezegd noodzakelijke beroepen, al kan men toch ernstige vragen stellen bij de tatoeëerders, zelfs louter vanuit medische overwegingen. Jawel, men heeft ook gezorgd voor wat meer ontspanningsmogelijkheden door campings en dierenparken opnieuw te openen.

Maar wat met de erediensten? Geen woord werd erover gerept. Een minister zei uitdrukkelijk dat er unanimiteit was dat het lichamelijk welzijn belangrijk is. Daar kunnen we op zich ook niets tegen inbrengen, alleen dat het toch een heel gereduceerde en bekrompen visie is om zich uitsluitend te bekommeren voor het lichamelijk welzijn. De mens is toch meer dan zijn lichaam? In een holistische visie op de mens, een visie die nu toch algemeen wordt gedragen, is de fysieke dimensie toch maar één van de vier. Is ons mensbeeld met de covid-pandemie nu zo gekrompen dat we ons nog alleen hoeven te bekommeren voor het lichamelijke? Is dat het enige welzijn dat nog overeind blijft in onze huidige maatschappij? Maar er is toch ook aandacht voor het mentaal welzijn, werpt men hiertegen op. Immers musea, dierenparken en de campings, die onrechtstreeks het psycho-sociaal welzijn kunnen bevorderen, waren of gaan op korte termijn open. Akkoord ermee en volkomen begrijpelijk. Door de genomen maatregelen zal dus meer dan ons louter lichamelijk welzijn bevorderd worden.

Maar wat met ons existentieel-spiritueel, noem het in één woord geestelijk welzijn? Zal dit zomaar bevorderd worden wanneer men opnieuw op de kappersstoel kan plaatsnemen of hebben we daarvoor toch nog iets anders, iets meer specifieks nodig? Er werd en er wordt met geen woord gerept over dit aspect van de mens. Zou het te gewaagd zijn om te zeggen dat men even unaniem zou kunnen stellen dat ook het geestelijk welzijn van de mens belangrijk is? En met het geestelijk welzijn komen we onwillekeurig ook bij het spirituele terecht, waar dan de religie een aangewezen ingangspoort kan zijn. Maar over religie wordt kennelijk alleen nog gesproken wanneer men aan de evenementensector of culturele sector denkt. Het is alsof het louter tot ons cultureel erfgoed behoort. Dat is toch wel een zeer enge, te enge visie op de religie. In de hoofden van sommigen is het inderdaad tot een louter cultureel erfgoed geworden en sommigen zouden niet liever hebben dat iedereen er zo over denkt. Nochtans is religie voor niet weinigen – laten we dat niet zomaar onderschatten – integendeel nog iets heel actueels en actiefs in het leven. Maar door de opgelegde maatregelen is het samen beleven van de religie via liturgie en erediensten quasi onmogelijk gemaakt. Maatregelen waartegen door bepaalde groepen recentelijk terecht werd geprotesteerd, waarop uiteindelijk toch even werd gereageerd, maar dan met een paar luttele toegevingen die op niets gebaseerd zijn.

Versoepelingen voor erediensten kunnen perfect veilig en coronaproof zijn. Er zijn protocollen met de verantwoordelijken van de erediensten opgesteld en die kunnen en moeten nageleefd worden zodat erediensten veilig kunnen verlopen. Wanneer de regels van deze protocollen door sommige groepen binnen religies niet worden nageleefd, moet de overheid doortastend en sanctionerend optreden.

Als Belg levend in het buitenland begrijp ik de frustratie van vele christenen die zich als roepende in de woestijn voelen en op hun honger blijven zitten met de schamele 15 toegelaten deelnemers aan erediensten allerlei. In kerkgebouwen die voldoende groot zijn om duidelijk afstandsregels te respecteren, is het getal 15 gewoon belachelijk. In Italië waar ik leef, waren de erediensten ook opgeschort tijdens de eigenlijke lockdown, maar daarna terug toegelaten, mits duidelijke afstandsnormen. Daar werd de geestelijke dimensie bij de eerste versoepelingen wel op de prioriteitenlijst geplaatst en werden de religies zelf uitgenodigd om met voorstellen voor de dag te komen waar men oor voor had. Zelfs wanneer de restaurants opnieuw voor een periode dicht gingen, bleven de kerken open en mocht men samen het geloof belijden en vieren. Dat bleef één van de prioriteiten.

In België daarentegen lijkt het wel of de religie tot één van de meest marginale fenomenen is gedegradeerd, niet waard om daarover nog een discussie aan te gaan.
Het is ook weer verrassend en merkwaardig dat er quasi geen reactie kwam van kerkelijke verantwoordelijken tegen het niet in de lijst opnemen van de erediensten waar mogelijks versoepelingen zouden kunnen plaatsvinden. Wie durft er nu nog zijn nek uitsteken voor iets dat als marginaal wordt voorgesteld? Men heeft toch meer een kapper nodig in het dagelijkse leven dan een eucharistieviering om covid te overleven? Laat ons toch niet kwezelachtig doen of teruggaan naar een tijd die er niet meer is, hoor ik sommigen zuchten. De kapper en de kerk hebben inderdaad maar weinig met mekaar te maken, maar als de vraag over het algemeen welzijn wordt gesteld, is het toch verrassend dat de kapper hoger scoort dan de religie, althans volgens onze beleidsmakers. Hoelang kunnen erediensten deze discriminatie nog tolereren en aanvaarden steeds meer naar de periferie te worden gedrongen? Ik vrees dat zij die voor de lieve vrede zwijgen, hier toch ongelijk hebben.

Br. René Stockman

Februari 2021

Wat zullen we op termijn leren uit deze coronacrisis?

Onderstaande tekst werd eveneens gepubliceerd op de website van Knack.

Het is een gemeenplaats te stellen dat we uit iedere situatie iets te leren hebben. Dat zal dan ook zo zijn met deze pandemie. De vraag is echter wat we er op termijn van zullen meedragen.

Vóór alles werden we geconfronteerd met de fragiliteit van het leven. De mythe dat we meester zijn over het leven – ons eigen leven inbegrepen – werd doorprikt. Met de toegenomen medische mogelijkheden ontstond een mentaliteit dat we steeds meer heer en meester werden over leven en dood. Jawel, over beide: leven en dood. Voortdurend wordt nieuwe vooruitgang geboekt om voorheen ongeneeslijke ziekten toch te kunnen genezen. Geleidelijk ontwikkelde zich ook een mentaliteit waarbij het individu zelf beslist wanneer en hoe het eigen leven te beëindigen vanuit een absoluut verklaard zelfbeschikkingsrecht.

De huidige pandemie heeft ons echter geleerd dat onze macht over leven en dood niet zo absoluut is als we denken, waarbij een onooglijk virus onze fragiliteit op een ongeziene wijze heeft uitvergroot. Zal dit ook leiden tot het herontdekken van onze eigen begrensdheid inzake leven en dood en een grotere eerbied doen groeien waarmee we met het leven, met elk leven zullen omgaan, ook met het ongeboren leven en het leven dat naar onze westerse maatstaven niet meer als nuttig wordt ervaren?

Bij het uitbreken van deze pandemie was er discussie of hoogbejaarden nog zouden worden opgenomen in ziekenhuizen bij een tekort aan gespecialiseerde zorg. Sommige ethici baseerden zich hierbij op het criterium van de nog gezonde levensjaren die een persoon te verwachten had. Maar vooral ook de jarenlange besparingen door de overheid in o.a. de bejaardenzorg, hetgeen zich uitte in een gebrek aan voldoende en gekwalificeerd personeel, leidde tot de gekende dramatische situatie.

Hier was méér aan de hand dan een loutere inschattingsfout. Het was een gevolg van een decennialange mentaliteit waarbij het utilitarisme de bovenhand kreeg bij politieke keuzes. Wie nog ‘nuttig’ is voor de samenleving wordt het eerst en het best gediend, maar eenieder die fragiel is, komt op de tweede plaats binnen het maatschappelijk bestel. En dit geldt ook voor mensen met een beperking en met een chronische aandoening. Wat een contrast met de stelling dat de humaniteit van een samenleving zich juist manifesteert in de wijze waarop men er zorg draagt voor de meest zwakken en kwetsbaren.

De verstoring van ons maatschappelijk leven door deze onzichtbare vijand weegt steeds zwaarder. En het einde is nog niet in zicht. Wat we vooral missen, is de spontane menselijke nabijheid die nu vervangen is door “afstand houden”. Het universeel gebod “Heb elkander lief zoals Ik jullie heb bemind” (Joh. 13, 34) lijkt tijdelijk aan de kant geschoven en luidt nu: “Bescherm jullie tegenover mekaar”.

Misschien is dit wel de eerste vraag die we ons moeten stellen bij deze crisis: zullen we, eenmaal de wereld hopelijk coronavrij kan worden verklaard, met grotere dankbaarheid de nabijheid van mekaar weten te waarderen? Zal het leiden tot een grotere broederlijkheid, en ja, laat ons maar het woord liefde gebruiken zoals het klinkt in het hoger geciteerde universeel liefdesgebod? Hoelang zullen we het geleden gemis koesteren bij de herinnering hoe kil de wereld wordt wanneer we zovele sociale contacten tijdelijk aan de kant moeten schuiven?

Alle aandacht gaat nu naar de vaccinatie tegen corona en de snelheid waarmee de ganse populatie in ieder land kan worden gevaccineerd.

Is het onze enige bekommernis om hierdoor onze vroegere levensstijl gewoon weer op te nemen? We moeten ons echter méér dan ooit ook de vraag durven te stellen hoe we er ook zelf toe hebben bijgedragen dat deze pandemie zo vlug een mondiale omvang kon nemen? De globalisering, het massatoerisme, een ongebreidelde consumptiedrang, onze ecologische voetafdruk, oorlogen en wereldwijde vluchtelingenstromen, de schrijnende armoede in de wereld: allemaal aspecten van een ontwrichte wereld. De Encycliek Laudato Si’ van Paus Franciscus bevat op al deze gebieden een profetische boodschap.

Het doet me denken hoe bij de uitbraak van aids er vooral gezocht werd naar een effectief geneesmiddel om deze besmetting te beheersen. Gelukkig is op dit vlak heel goede medicatie voor handen. Hoeveel hebben zich echter de vraag durven stellen of ook een gedragswijziging nuttig kon zijn om de aidsepidemie onder controle te krijgen, en dit natuurlijk ondersteund door een passende medische behandeling?

Vaccinatie mag dus niet enkel een ‘middel’ zijn om onze oude levenswijze gewoon verder te zetten in het post-coronatijdperk. Volgens tal van experten liggen nieuwe pandemieën immers op de loer.

Als gelovigen werden we op een bijzondere wijze op de proef gesteld door het besluit van de overheid om de openbare erediensten tijdelijk te verbieden.

Geloof is echter geen individuele aangelegenheid en een religieuze viering kan nooit vervangen worden door een viering die men op internet volgt.

Kerken zijn bovendien meestal plaatsen waar men de opgelegde afstand tussen personen zonder probleem kan garanderen. De gehanteerde criteria in tuincentra en doe-het-zelf-zaken, golden volgens de overheid kennelijk niet in een kerk…

Had men niet beter aan de geloofsgemeenschappen zelf overgelaten om sluitende maatregelen te ontwikkelen die dan door de overheid konden worden goedgekeurd of bijgestuurd naargelang de behoefte in plaats van als overheid zelf daarover eenzijdig besluiten te nemen?

Andere landen met eenzelfde problematiek wat betreft de pandemie hebben de kerken wel de mogelijkheid gelaten om de liturgie in gemeenschap te vieren, mits inachtneming van de algemene regelgeving. Deze landen hadden wel respect voor het grondwettelijk gewaarborgde recht op godsdienstvrijheid en zagen wel in hoe mensen in deze moeilijke tijden misschien wel meer dan ooit nood hebben om spirituele steun te vinden in hun gemeenschappelijk gedragen beleving van hun geloof.

Ik pleit voor een grondig maatschappelijk en parlementair debat over deze en andere beperkingen van onze grondrechten tijdens een pandemiecrisis waarin ook de stem van de kerkelijke gezagsdragers wat luider zou mogen klinken.

Laten we hopen dat het lijden dat de pandemie ons op zovele gebieden brengt, nadien toch nog enige vruchten zal afwerpen.

Br. René Stockman

Februari 2021

Voltooid leven

Onderstaande tekst werd eveneens gepubliceerd in Tertio nr. 1079 van 14 oktober 2020.

 

“Hoe oud ben je?” “75.” “Goed, dan kom je in aanmerking voor begeleide suïcide wanneer je vindt dat je leven voltooid is, hier zijn de formulieren. Als je nog twijfelt, geen probleem, want een levenseindebegeleider staat te uwer beschikking.”

Neen, dat is geen sciencefiction verhaal gegrepen uit één of andere roman, maar het wetsvoorstel dat op 17 juli laatsleden in Nederland werd ingediend en dat nu wacht om goedgekeurd te worden. Daar gaat gedeputeerde Pia Dijkstra van de politieke partij D66 voor en ze hoopt daarmee het recht om te sterven aan de volledige vrijheid van de persoon toe te vertrouwen. Wat een vooruitgang! Waarom nog de begrenzing van 75 en niet vroeger? Wel, omdat – nog steeds volgens het wetsvoorstel – men met deze ouderdom toch reeds een relatief lang leven achter de rug heeft en – dat wordt er niet expliciet bij gezegd, maar wellicht wel bij gedacht – dat wat achteraf komt toch alleen maar kommer en zorg zijn. Hebben ze binnen D66 misschien de psalm 90 gelezen waar het poëtisch wordt uitgedrukt: “De maat van ons leven is zeventig jaar, of als wij heel sterk zijn tachtig. Het meeste daarvan is nog kwelling en zorg, en snel komt het uur van vertrekken” (Ps. 90, 10). Voelt D66 zich geroepen die psalm op een eigentijdse wijze te herschrijven door hieraan de mogelijkheid van het zelf gekozen uur van vertrek toe te voegen?

Voor alle duidelijkheid: het gaat hier om begeleide suïcide en dit valt dus volledig buiten de wetsbepalingen van de euthanasie, waar nog steeds een medische problematiek aan de basis moet liggen, al is dit laatste ook heel rekbaar geworden. Personen die vinden dat hun leven nu wel genoeg is geweest en dit plaatsen onder de algemene term “levensmoeheid” zullen dus nu via dit wetsvoorstel, wanneer het goedgekeurd wordt, de ruimte krijgen om op een waardige manier van hun leven afscheid te nemen. En zoals reeds aangegeven, een levenseindebegeleider staat ter beschikking en die moet uitmaken of de vraag gegrond is, of het nodig is de familie erbij te betrekken en of er geen alternatieven voorhanden zijn. Het volstaat deze begeleider twee maal te spreken over een periode van twee maand en wanneer hij het licht op groen zet, kan de bevrijdende act gebeuren. Het kan dus zonder er een familielid bij te betrekken en hierdoor wenst men zogezegd de familie achteraf niet met schuldgevoelens op te zadelen. Wat een valse illusie en zelfbedrog en dit alles als resultaat van een losgeslagen individualisme…! Uiteraard voorziet het voorstel nog in een schaamlapje: een regionale controlecommissie die moet vaststellen of alles volgens het boekje is gebeurd. Maar van dergelijke commissies kennen we ook reeds lang het effect en de werking, naar analogie met de zogezegde objectiviteit van het functioneren van evaluatiecommissies in het kader van uitgevoerde euthanasiegevallen.

Het voorstel van D66 bepaalt dat men de Nederlandse nationaliteit moet bezitten of reeds twee jaar in het land wonen. Dus Belgen die eraan denken op een zgn. waardige wijze hun leven te beëindigen moeten op tijd in Nederland gaan verblijven. Eenmaal een dergelijk voorstel in Nederland is goedgekeurd, wie zal dan nog bij machte zijn een gelijkaardig voorstel in België tegen te houden? Het hellend vlak is nog nooit zo glad geweest en we schuiven allemaal samen de dieperik in. Niets of niemand kan de absolute vrijheid en zelfbeschikking kennelijk nog tegenhouden. Welke zullen de volgende groepen van personen zijn die in aanmerking kunnen komen om van deze nieuw verworven vrijheid gebruik te maken, voor henzelf of voor anderen? Een ware nachtmerrie voor de zwakkeren in onze samenleving!

Om ethische bezwaren bij de stemming van dit voorstel in de kiem te smoren, wordt bepaald dat een ethische commissie in het leven zal worden geroepen om erover waken dat de voorziene procedures goed gevolgd worden. Ethici worden dus gedegradeerd tot behoeders van procedures en kunnen zich niet meer uitspreken over het ethische gehalte van een daad op zich. Alvast een zeer gevaarlijke definiëring en invulling van ethiek.

Welk signaal wordt hier gegeven aan de ruimere samenleving en speciaal aan de ouderen onder ons? Dat het leven maar waarde heeft zolang we kunnen presteren en opbrengen en zolang er te genieten valt. Het utilitarisme en het hedonisme vieren hoogtij en onrechtstreeks wordt daar een economische noot aan toegevoegd. Immers, hoe dikwijls klinkt het niet hoe duur de ouderenzorg wel is en dat een maatschappij met onvoldoende werkende krachten op termijn de zorg voor de ouderen niet meer zal kunnen betalen. Tijdens de pandemie kwam ook nog eens tot uiting hoe vlug de bejaarden als tweederangsburgers worden beschouwd bij het bepalen van prioriteiten in de zorg. Bij beperkte medische middelen zou voorrang worden gegeven aan de jongere patiënten; de bejaarden in de woonzorgcentra zouden best ter plaatse worden verzorgd. We kennen de schrijnende toestanden die dit heeft teweeggebracht en hoe de zorgverleners helemaal niet voorbereid waren om een vloed van besmettingen binnen hun woonzorgcentra op te vangen. We kunnen alleen maar nog grotere bewondering hebben voor deze zorgverleners. Volledige isolatie werd hier de werkwijze, waarbij mensen vergingen van de vereenzaming. Uit eigen ervaring omwille van besmetting met covid-19 kan ik getuigen wat het concreet betekent om drie weken in isolatie te moeten leven, waarbij ik nochtans omringd werd door zorgende medebroeders, weliswaar op afstand maar toch voelbaar nabij.

Voor hen die deze betrokkenheid moeten ontberen, is de situatie bijzonder schrijnend.

Heeft de zogenaamde levensmoeheid alleen met ouderdom te maken? Studies hebben uitgewezen dat het vooral de vereenzaming is, de financiële zorgen, de lichamelijke aftakeling en het aanvoelen om anderen tot last te zijn, die dat gevoel bevorderen. Het is aan deze problematieken dat sociaal meer aandacht moet worden besteed. Wanneer wordt gepropageerd dat er vanaf 75 jaar een gelegaliseerde oplossing is om aan deze levensmoeheid een einde te maken en men mensen confronteert met de hoge kosten van de zorg voor bejaarden, is het niet denkbeeldig dat men deze personen met een schuldgevoel opzadelt indien ze graag toch nog enkele jaren willen verder leven in een minder goede of slechte gezondheidstoestand.

De covid-19-pandemie heeft nog eens op een scherpe wijze aangetoond welk negatief effect de vereenzaming heeft op het levensgevoel, in het bijzonder ook bij bejaarden. Ik hoor mijn moeder nog roepen in een moeilijk moment: “Je hebt me in een gevangenis gestoken.” Vlijmscherpe woorden die me ten diepste raakten. Gelukkig vond ze daarna opnieuw haar levenslust in het gezelschap van medebewoners en ontwikkelde ze een totaal nieuwe bubbel waarin ze gelukkig was. Maar dat is niet aan iedereen gegeven. Het aanbieden van de mogelijkheid tot begeleide suïcide bij het gevoel van levensmoeheid is dan ook een kaakslag die men maatschappelijk aan de bejaarden toedient, en in ruimere zin aan de totale gemeenschap. Het is een andere manier dan vlakaf te zeggen dat u vanaf de leeftijd van 75 jaar niet meer meetelt, uitgeteld bent en zich zelfs schuldig moet voelen naar de maatschappij toe die nu voor uw nutteloos geworden bestaan moet opdraaien. Dit weerspiegelt een nefaste en verwerpelijke evolutie in de sociale ethiek waarbij een persoon impliciet ertoe aangezet wordt om het eigen bestaansrecht af te wegen tegenover ruimere materiële en financiële maatschappelijke belangen. Dat iedereen een zekere maatschappelijke verantwoordelijkheid heeft, is onbetwistbaar. Dat maakt immers deel uit van de sociale ethiek. Maar dat ook een samenleving moet bekommerd blijven voor het welzijn van het individu, maakt eveneens deel uit van diezelfde sociale ethiek. De filosofie van het wetsvoorstel van D66 kraakt het fundament van deze sociale ethiek, die steeds een evenwicht moet zoeken tussen het persoonlijke en het algemene welzijn. Is het niet verwonderlijk en zelfs hoogst alarmerend dat er door de media tot nu toe zo weinig aandacht werd besteed aan dit ingediende wetsvoorstel? Echt iets om wakker van te liggen!

Br. René Stockman

Oktober 2020

Fratelli tutti

Op het feest van de heilige Franciscus van Assisi, 4 oktober 2020, kondigde Paus Franciscus zijn derde encycliek af. Het lijkt de samenvatting van de sociale dimensie van zijn pontificaat en tekenend dat hij opnieuw een woord van zijn patroonheilige als paus gebruikt om de encycliek te duiden. Zoals de heilige Franciscus zijn medebroeders en –zusters expliciet uitnodigde om de onderlinge liefde te beleven en te bevorderen en iedereen lief te hebben zonder onderscheid noch voorkeuren, zo nodigt Paus Franciscus ons uit broederlijkheid en sociale vriendschap in onze concrete wereld van vandaag te ontwikkelen en te bevorderen.
De encycliek is grotendeels samengesteld uit citaten uit de toespraken die hij tijdens de voorbije zeven jaar van zijn pontificaat op vele plaatsen heeft gehouden en waarbij de krachtlijnen die hij als kerkleider aan de wereld wou meegeven, nu formeel worden bevestigd en in een duidelijk kader worden gegoten. Ook maakt hij gebruik van teksten die hem via bisschoppenconferenties werden toegestuurd. Het klinkt als zijn testament waarbij een balans van zijn pontificaat wordt gemaakt. Tevens verwijst hij geregeld naar zijn vorige encycliek “Laudato Si’” en naar sociale encyclieken van zijn illustere voorgangers.

Onmiddellijk kwamen vanuit katholieke hoek vele commentaren, overwegend positief, maar ook wereldkundig ging de publicatie van de encycliek niet ongemerkt voorbij. Want de thema’s die de Paus aansnijdt raken allen en de ganse wereldorde. Het kan daarom zeker geen binnenkerkelijk document blijven, maar gemeenschappen – zowel lokale, nationale en internationale – tot reflectie uitnodigen en hopelijk tot daden aanzetten. Een ernstige lectuur van deze tekst kan noch zal niemand onbewogen laten. Het is als een ruim gewetensonderzoek hoe we ons leven in gemeenschap uitbouwen: doen we het als individuelen, ons hullend in een dodende onverschilligheid of in een versmachtende concurrentie met mekaar, of doen we het als broeders en zusters in liefde voor mekaar?

Iedereen zal deze encycliek lezen vanuit zijn specifieke achtergrond, vanuit zijn eigen levensverhaal en vanuit de positie die hij of zij in de maatschappij inneemt. Ik wil het doen als verantwoordelijke binnen een internationale congregatie die vanuit haar eigen charisma een duidelijke opdracht vervult in de wereld, meer specifiek in de wereld van de opvoeding en de gezondheidszorg. Als methode kies ik een korte samenvatting van ieder hoofdstuk met daarbij een meer persoonlijke reflectie. Het moge de ruimte en uitnodiging zijn waarbij eenieder ook voor zichzelf en voor de groep waartoe hij of zij hoort een eigen reflectie kan maken.

1.  De schaduwen van een wereld die zich in zichzelf opsluit

Het eerste hoofdstuk zal door velen als eerder somber en pessimistisch worden omschreven. Het geeft dan ook een haarscherpe analyse van het huidig wereldbeeld en het voor een deel tenietgaan van de droom te kunnen groeien naar een grotere eenwording op mondiaal vlak. Er wordt vooreerst gewezen op een groeiende trend van een zeker nationalisme, waarbij landen en volken zich superieur opstellen naar anderen toe. Het lijkt een illusie te zijn wat ons de mondiale economie wil opdringen om te komen tot een uniek cultureel model. Het is een model dat wel de wereld tot een virtuele grotere eenheid brengt maar tegelijk personen en naties meer van elkaar scheidt. In plaats van grotere nabijheid die er zou moeten uitvloeien, groeien de afstanden tussen mekaar. Het is een groeiende mondialisering die ons echter niet aanzet te groeien in broederlijkheid met mekaar. Sommigen lijken hun geschiedenis te vergeten en anderen verloochenen hun traditie welke leiden tot nieuwe vormen van cultureel kolonialisme. Volken die hun geschiedenis en hun tradities loochenen verliezen hun ziel, hun spirituele identiteit, hun verworven moraliteit en tenslotte hun ideologische, economische en politieke onafhankelijkheid. Wat betekenen uiteindelijk nog de termen als democratie, vrijheid, rechtvaardigheid en eenheid? Het werden uitgeholde termen die nu gebruikt worden om anderen te domineren. De zorg voor ons gemeenschappelijk huis dat de wereld toch is, is zeker geen zorg voor de economische machten die er alleen maar op uit zijn vlugge winsten te maken.
Wie zijn hier de eerste slachtoffers? De armen, mensen met een handicap die niet als nuttig worden beschouwd voor deze wereldeconomie, ongeboren kinderen die nog niet meetellen en ouderen die tot een last zijn geworden. Met het dalende geboortecijfer ontstaat een sterke groei van de oudere bevolking die te lijden hebben aan een steeds grotere vereenzaming en verwaarlozing, welke zo schrijnend naar boven kwam tijdens de recente en huidige pandemie.
Een grotere ongelijkheid ontstaat tussen de bevolkingsgroepen met een ontwikkeling van nieuwe vormen van armoede.
Het lijkt dat de mensenrechten niet voor iedereen in de wereld dezelfde zijn. Men kan de ogen niet sluiten voor zware discriminaties die steeds opnieuw de kop opsteken. Indien de waardigheid van de mens zou worden gerespecteerd en de rechten van eenieder zouden worden erkend dan zouden frisse en creatieve initiatieven ontstaan die het algemeen welzijn zouden bevorderen. Nu zien we dikwijls het tegenovergestelde gebeuren en met pijn moet worden vastgesteld dat hetgeen zeventig jaar plechtig werd afgekondigd verre van gerealiseerd is en zeker niet overal gerespecteerd wordt. Zware vormen van ongerechtigheid beheersen het wereldbeeld gevoed door aberrante antropologische visies gericht op de zogezegde beheersing van de wereldbevolking en een economisch model dat uitsluitend gericht is op het verwerven van winst, waarbij niet wordt teruggeschrokken om mensen uit te buiten, uit te sluiten en zelfs te doden.
Zijn de rechten van de vrouw overal gegarandeerd? Welke vlek op onze beschaving zijn de nieuwe vormen van slavernij, in stand gehouden door criminele netwerken.
Hoeveel oorlogen worden er niet gevoerd en hoeveel vervolgingen hebben niet plaats op basis van raciale of religieuze redenen? Het lijkt wel een derde wereldoorlog die in verschillende stukken wordt gevoerd. Wat steeds het eerst sneuvelt is de geest van broederlijkheid die het cement moet zijn en de roeping van onze mensenfamilie. Nu wordt dikwijls een zogezegde stabiliteit en vrede voorgespiegeld gebaseerd op een mentaliteit van vrees en wederzijds wantrouwen. Dit kan nooit de ware vrede brengen. In een wereld waar muren worden opgericht om zich van anderen af te schermen omdat men zogezegd die andere vreest, kan niet gesproken worden van vrede. Het bevordert echter een mentaliteit van vrees, onzekerheid, vereenzaming en creëert het terrein voor maffiose groeperingen.
Kijkend naar de wereld kunnen we de grote vooruitgang niet ontkennen op het vlak van de wetenschap, van de technologie, van de geneeskunde, van de industrie en de levensstandaard van mensen in de ontwikkelde landen. Maar is deze in evenwicht met eenzelfde vooruitgang op moreel en spiritueel vlak? Hier schort iets grondig. Hoe kan het zijn dat waar dergelijke vooruitgang heerst tegelijk een ijzige stilte aanwezig is, een totale onverschilligheid voor een totaal andere realiteit wereldwijd waar omwille van zware ongerechtigheden en politieke crisissen miljoenen kinderen sterven van honger? Is dat het resultaat van de globalisatie, waarbij zou moeten gestreefd worden naar een gezamenlijke groei naar grotere gerechtigheid wereldwijd?
De Covid-19 pandemie heeft bewezen dat we allen in dezelfde boot zitten waarbij niemand zichzelf alleen kan redden. Het werd een confrontatie hoe nodig het is dat we komen tot grotere samenwerking op wereldvlak. Blijkbaar heeft men heel weinig geleerd uit de voorbije financiële crisis en is men heel vlug terug vervallen in de ieder voor zich mentaliteit. Wat zal de volgende stap zijn op wereldniveau eenmaal deze pandemie is bestreden? Zal deze ook vlug vergeten worden waarbij ieder terug op zichzelf terugvalt? En zal men bij de verdere strijd tegen de Covid-19 en de preventie ertegen opnieuw de zogenaamde “nutteloze” groepen op de tweede plaats zetten? Het zijn confronterende vragen die we ons moeten durven stellen. De enige weg is te groeien naar een gemeenschap waar wederzijdse verbondenheid en solidariteit echte prioriteiten worden.

Een andere sociale pijn waarmee we vandaag worden geconfronteerd is deze van de vluchtelingenproblematiek. Nooit zijn er zovelen op de vlucht geweest op zoek naar een grotere zekerheid voor zichzelf en hun familie. Natuurlijk zou men op het vlak van de wereldpolitiek alles in het werk moeten stellen dat mensen in hun eigen land kunnen blijven en niet hoeven op de vlucht te gaan. Dat zou de eerste optie moeten zijn en blijven. Maar de realiteit is anders. Daarom kunnen we de ogen niet sluiten voor dit drama op wereldniveau waarmee we vandaag worden geconfronteerd. Vooral de wijze waarop deze mensen hun menselijke waardigheid verloren zien gaan en op een mensonwaardige wijze worden behandeld. Hebben vluchtelingen juist omdat ze vluchteling zijn nu plots minder waarde, minder belang en minder rechten? We beseffen dat we hier met een moeilijk probleem worden geconfronteerd waarbij vrees dikwijls de basis vormt van allerlei vormen van uitsluiting. Maar laten we toch ook de positieve kant blijven zien van een grotere interculturele en zelfs interreligieuze uitwisseling die deze migratie met zich kan meebrengen.

We leven vandaag hoogdagen op het gebied van de communicatie. Maar wordt deze grote vooruitgang steeds positief aangewend? Er ontstaan nieuwe vormen van criminele praktijken via deze media, persoonlijke verslavingen en de illusie dat een virtuele wereld de werkelijke wereld kan vervangen. In het zog daarvan zien we een groeiend individualisme die zich onder andere uit in de zojuist aangehaalde xenofobie en een misprijzen voor de zwakkeren. Er worden via internet platforms gevormd waarbij alle vormen van extremisme kunnen worden geuit en ook georganiseerd. Feit is dat virtuele communicatie nooit de persoonlijke contacten kan vervangen. Ware wijsheid groeit doorheen levende contacten met de volle werkelijkheid en niet met iedere dag uren op internet te surfen om zogezegd eindeloze informatie te verzamelen. Men kan zich afvragen of men de capaciteit van het naar mekaar luisteren daarmee niet aan het verliezen is.
Nog een fenomeen die we moeten aanhalen is de wijze waarop bepaalde landen zich superieur gedragen naar anderen toe en hen domineren en daarmee de lokale ontwikkeling tegenhouden en hen vreemde ideologieën opdringen die schril afsteken met de eigen tradities en moraal.

Ja, een hele boterham om te slikken, maar toch een dringende uitnodiging om onze koppen niet in het zand te steken en doen alsof het ons niet aangaat. Het sterke van Paus Franciscus is juist dat hij niet ophoudt ons op te roepen om onze zelfgenoegzaamheid te doorbreken en ons mede verantwoordelijk te voelen voor het algemeen welzijn. Een eerste stap is steeds ons meer bewust te worden van de realiteit en dit op een objectieve en juiste wijze zonder ons op sleeptouw te laten nemen door opiniemakers die wel andere bedoelingen hebben dan de waarheid te verkondigen. De grootste kwaal die hier bovendrijft is het groeiend individualisme dat zich tot een politiek en economisch model ontwikkelt en het besef dat we allen broeders en zusters van mekaar zijn en ook verantwoordelijk zijn voor mekaar en het algemeen welzijn de grond inboort. Een eerste beweging en bedenking moet steeds zijn: wat heb ik en mijn concrete gemeenschap waarin ik leef daarmee te maken? Het gevaar is dat we ons verschuilen achter het excuus dat we toch geen wereldpolitiekers of grote industriëlen zijn die een trend kunnen zetten omwille van de macht en het geld dat ze hebben. “Verander de wereld, begin met jezelf” is een gekend gezegde dat ook hier van toepassing is. Want vele fenomenen die we op wereldniveau zien evolueren en die hier in revue passeren zien we ook op kleinschalig niveau in ons eigen hart en in de kleine gemeenschappen waar we deel van uitmaken. Laat ons dus voldoende zelfkritisch zijn en ons afvragen hoe het met ons sociale broederlijkheid en liefde is gesteld. En daarmee zetten we de stap naar het volgend hoofdstuk dat juist daar dieper wil op ingaan.

2.  Een vreemdeling op de weg

In een typische Ignatiaanse stijl ontleedt Paus Franciscus als bezinnende oriëntatie de parabel van de barmhartige Samaritaan om een weg van ware sociale liefde en solidariteit te ontwikkelen. Refererend naar de vraag die God stelde aan Kaïn nadat deze zijn broer Abel doodde: “Waar is je broer?” (Gen. 4, 9) met het ontstellende antwoord: “Ben ik soms de hoeder van mijn broeder?” wordt naar de kern van het probleem verwezen: men kan zich op een tragische wijze van de zorg voor de andere, voor de medemens onttrekken. Vanuit deze vaststelling heeft de Joodse traditie de liefde voor de medemens als een gebod verheven. Maar deze beperkte zich nog te veel tot de eigen stamgenoten. Het is deze begrenzing die Jezus met de parabel van de barmhartige Samaritaan radicaal doorbreekt en het liefdesgebod tot een universeel gebod maakt dat niemand uitsluit. De herinnering van zelf vreemdeling te zijn geweest hielp de Joden reeds om toch ook een specifieke zorg voor de vreemdelingen te ontwikkelen.
In de parabel wordt een scherpe tegenstelling beschreven tussen zij die zich gedragen volgens het boekje en hun weg ongestoord verderzetten en de Samaritaan die zich laat raken door de vreemdeling op de weg. De vraag die Jezus daarna stelt met wie men zich wil identificeren is dan ook een confronterende vraag. Verwijzend naar vandaag moeten we vaststellen dat we op zovele vlakken grote vorderingen hebben gemaakt, maar dikwijls nog als analfabeten achterblijven als het gaat voor de concrete zorg voor de medemens in nood. Dikwijls blijft bij velen de eerste bekommernis niet gestoord te willen worden door de problemen van anderen. De enige weg die ons openblijft is echter juist deze die door de Samaritaan wordt bewandeld: openkomen voor de kwetsbare medemens en voorkomen dat we evolueren tot een maatschappij waarin de zwakken worden uitgesloten. Onverschilligheid voor het leed van de medemens gaat in feite in tegen onze menselijke natuur, want we zijn geschapen als medemens van mekaar en geroepen steeds meer medemens te worden van mekaar. Iedere dag worden we met hetzelfde verhaal geconfronteerd en luidt de vraag welke keuze we maken: deze van de priester en de leviet die onverschillig voor het leed van de andere hun weg verderzetten of deze van de Samaritaan die zich laat raken door het leed van de andere. Het zijn deze twee groepen van mensen die we vandaag ontmoeten. Het verhaal van de barmhartige Samaritaan blijft daarom een zeer actueel verhaal.
Eigenlijk begint het verhaal met bandieten die deze mens overvallen. Ook dit blijft spijtige realiteit te zien hoeveel agressie er vandaag heerst en waarbij mensen het slachtoffer worden. Hoe gaan we daarmee om, wat doen we om dit in de dijken en wat doen we om de slachtoffers van deze agressie te helpen.
Heel treffend is dat Jezus juist het voorbeeld van een priester en een leviet gebruikt, twee religieuze mensen van wie verondersteld wordt dat ze de geboden stipt naleven. Hier wijst Hij op het gevaar zich louter binnenkerkelijk bezig te houden met de cultus, en tegelijk de concrete zorg voor de medemens te verwaarlozen. In God geloven en hem vereren in de kerk is nog geen garantie om echt volgens zijn wil te leven. Treffend zijn de woorden van de H. Johannes Chrysostomus die aangeeft dat we liever een mooi aangekleed beeld van Jezus vereren dan een naakte Jezus op het kruis.
Zij die zoals de priester en de leviet hun ogen sluiten voor het leed van diegene die in de handen van bandieten is gevallen worden medeplichtig voor de misdaad die er gebeurde! Ze zetten als het ware deze misdaad verder. Iets om diep over na te denken.
Soms horen we dat de veiligheid en de zorg voor medemensen in nood toch wel de verantwoordelijkheid is van de overheid, van de maatschappij als dusdanig. Dit klopt, maar dat mag ons niet weerhouden om zelf de handen uit de mouwen te steken wanneer we een lijdende ontmoeten. De verantwoordelijkheid van ons afschuiven blijft steeds verkeerd. Integendeel, het is belangrijk, zoals ook de Samaritaan deed, om anderen te betrekken en aan te moedigen ons te helpen in de zorg voor mekaar. Want samen kunnen we steeds meer doen dan alleen.
Wat eveneens opvalt is dat er geen woord van dank wordt uitgesproken in de parabel. De Samaritaan vertrekt zonder te wachten op een wederwoord van diegene die hij geholpen heeft. De toewijding in de dienst zelf geeft hem de grootste voldoening, dat is hem voldoende, want hij deed slechts zijn plicht.
Het verhaal van de barmhartige Samaritaan doet alle beperkingen die in het liefdesgebod waren geslopen kantelen. Alle culturele en historische grenzen worden erin opgeheven. Iedereen moet zich geroepen voelen om de naaste te worden van de andere, en dat zonder limiet. Natuurlijk was het eveneens sterk dat Jezus juist een Samaritaan nam als voorbeeld, iemand die door de Joden als onrein werd beschouwd en daarom te mijden. Dus langs beide zijden worden bruggen gebouwd!
Een laatste bedenking is dat deze parabel steeds moet gelezen worden te samen met de oordeelscriteria waarin Jezus verklaart dat al wat men aan de armsten en de zwaksten doet aan Hem zelf is gedaan. Jezus is zelf aanwezig in iedere broeder en zuster die verlaten en uitgesloten wordt.
Ook voor de Kerk heeft het even geduurd om ieder vorm van slavernij en bepaalde vormen van geweld af te keuren, maar met de huidige ontwikkeling van de theologie op dit vlak hebben we geen enkel excuus meer. Daarom is het onze plicht ieder vorm van in zichzelf opsluitend nationalisme en xenofobie grondig af te keuren.

De parabel van de barmhartige Samaritaan is ook voor onze congregatie een ware icoon waarin ons charisma van de caritas levendig aanwezig is. Niet zonder reden werd dit tafereel gekozen in het glasraam dat werd geplaatst in de Nationale Basiliek van Koekelberg te Brussel ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van de congregatie. We vinden het ook terug in de herdenkingssteen die werd geplaatst in de kapel van de broeders in Eindhoven, in een glasraam in ons kloosterrusthuis in Zelzate en op het tabernakel van ons internationaal noviciaat in Nairobi. Maar tegelijk worden we er voortdurend in opgeroepen alle limieten aan onze naastenliefde te weren en te overstijgen. En dan gaat het over de concrete liefde die we moeten geven aan de medemens in nood die onze weg passeert, als de wijze waarop we als communiteit open staan voor de armen in onze buurt, de wijze waarop we in ons apostolaat echt prioriteit blijven geven aan de zorg voor de minsten en ook onze keuzen daardoor laten bepalen.

3.  Groeien naar een open wereld

Na de situatieschets en de parabel als inspiratie hoe het wel kan, zijn de vijf volgende hoofdstukken gewijd aan concrete wegen naar een wereld waar meer sociale liefde heerst en terreinen waar dit op een heel bijzondere wijze moet worden beoefend. Terloops worden ook een aantal duidelijke stellingnamen geformuleerd.

In dit derde hoofdstuk wordt een pleidooi gehouden om te groeien naar een open wereld, waar plaats is voor iedereen. De mens is geschapen om samen te leven met anderen, meer zelf, om met iedere medemens een relatie aan te gaan die door de liefde wordt getekend. Iedereen wordt dus geroepen uit zichzelf te treden, de cocon van zijn eigen bestaan te doorbreken en ruimte te geven in zijn leven voor het samen zijn met anderen. Deze relatie met anderen doet ons groeien als mens, en maakt ons bekwaam om onze relatiekring te verruimen en in ons een geest van gastvrijheid te laten groeien. Hoe typisch werd dit reeds in de vroege middeleeuwen beleefd in de monastieke gemeenschappen waar het verwelkomen van de gast een voorname opdracht was en als een concrete invulling van het gebod van de naastenliefde werd beleefd.
De liefde is de kern van ons bestaan en moet ook het hart zijn van iedere gelovige. De liefde kan nooit op de tweede plaats komen en kan niet vervangen worden door een hardnekkige strijd om bepaalde ideologische invullingen van het geloof te verdedigen. En als er moet verdedigd worden, moet het met en in liefde gebeuren. Het grootste gevaar in ons leven is om niet te beminnen! Daarom zal iedere vorm van gastvrijheid en vriendschap ten diepste getekend zijn door deze liefde. Het is de liefde die ons aanzet om in iedere medemens het beste in zijn leven te zoeken, te vinden en te bevorderen.
De liefde doorbreekt alle grenzen, zowel de geografische als de existentiële. Het zou onze bekwaamheid moeten zijn om steeds onze horizonten te verruimen en in ons leven steeds meer ruimte te creëren voor de aanwezigheid van de andere. Iedere vorm van uitsluiting van een andere omwille van ras, kleur of geloof moet ons vreemd zijn. In deze inclusie die we ontwikkelen willen we speciaal aandacht hebben voor mensen met een handicap en bejaarden die vandaag dikwijls een marginaal bestaan leiden in de maatschappij en eerder als een last worden beschouwd.

Vandaag wordt onze aandacht speciaal getrokken naar de wijze waarop we onze grenzen openen of afsluiten voor vluchtelingen. Verwijzend naar de parabel worden vluchtelingen door sommigen gezien als de man die daar op de straat ligt en onze verdere wandeling verstoort. Men wenst niet verstoord te worden en dus gaat men via allerlei wegen en middelen op zoek hoe men zichzelf en de eigen gemeenschap kan afschermen en beschermen. De term “naaste” wordt hiermee totaal uitgehold en men wenst alleen nog verder op stap te gaan met diegenen die men gemakkelijk als partner kan aanvaarden. Daarom moeten vrijheid, gelijkheid steeds samengaan met broederlijkheid. Broederlijkheid vormt de ware humus voor de gewenste vrijheid en gelijkheid. Zonder broederlijkheid worden we gedreven naar een steeds groter wordend individualisme, die een ware virale besmetting is voor de verdere uitbouw van onze gemeenschap en dan ook radicaal moet worden bestreden.

Ons uitgangspunt moet zijn dat ieder mens het recht heeft om een waardig leven te leiden en zichzelf volledig te kunnen ontwikkelen, en dit recht mag noch kan door geen enkel land worden genegeerd. Wanneer dit niet gerespecteerd wordt groeien we tot een maatschappij met diverse groepen: zij die de mogelijkheid hebben zich ten volle te realiseren in het leven en zij die dit niet hebben en daardoor verzinken in een steeds groter wordende marginaliteit, die zoals we zien in bepaalde grootsteden, een bron wordt van groeiende agressie. Wanneer alleen het economisch rendement telt vallen er velen uit de boot, hetgeen we vandaag spijtig genoeg steeds meer moeten opmerken, en blijft van de broederlijkheid slechts een vage romantische slogan over. De enige oriëntatie van ons handelen naar mekaar toe en ook het harmonieus ontwikkelen van een maatschappij is het algemeen welzijn dat men wil bevorderen. Het algemeen welzijn duidt op “bene-volentia”, het goede willen voor de andere. Om dat te bereiken moeten we de weg van de solidariteit opgaan, waarbij we solidariteit als een morele deugd en een sociale attitude beschouwen. Deze moet haar grond vinden in de opvoeding binnen de familie en verder in de scholen. Jongeren moeten worden begeleid in de ontwikkeling van een gewetensvol handelen op zowel moreel, spiritueel en sociaal gebied, hetgeen in de praktijk moet worden getoetst en verder ontwikkeld via concrete vormen van dienstwerk, speciaal naar de fragiele medemens toe. Solidariteit groeit wanneer men steeds meer denkt in termen van het welzijn van de gemeenschap en zijn eigen welvaart, welke wordt gepredikt door het rijk van het geld, niet meer als enige weg naar het volle welzijn gaat zien. Hier geldt het principe dat het privébezit nooit verabsoluteerd kan worden ten koste van de universele bestemming van de goederen. Dit principe kan nooit een theorie blijven maar moet zichtbaar en tastbaar worden in onze houding en inzet naar de armen toe. Het is de enige weg om te komen tot een meer rechtvaardige verdeling van de middelen die ons ter beschikking staan en waar we nooit het absolute alleenrecht kunnen op claimen.
Hier klinkt ook de oproep naar het ondernemerschap dat nooit mag gericht zijn op het accumuleren van bezit zonder rekening te houden van de rechten van de mens en het algemeen welzijn. Van hen mag worden verwacht dat ze aandacht hebben voor een menswaardige tewerkstelling. Iedere overheid zou het als haar doelstelling moeten stellen om aan iedere burger voldoende grond, een dak en werk te geven. Internationaal kan men niet ongevoelig blijven voor de ontwikkeling van de landen die het extra moeilijk hebben en moet gezocht worden om de schuldenlast die bepaalde landen in de greep houdt en iedere vorm van verdere ontwikkeling in de kiem smoort te verminderen en op een haalbare manier af te lossen.

Opnieuw dienen we ons de vraag te stellen hoe we deze basisprincipes voor de ontwikkeling van een open wereld in onze eigen omgeving kunnen ontwikkelen en gestalte geven. Het zou verkeerd zijn om ons te verschuilen achter politieke beslissingen en daarmee onze verantwoordelijkheid te ontlopen om deze open wereld te bevorderen. De woorden broederlijkheid en solidariteit vragen om concrete invulling. Het feit dat we onszelf “broeder” noemen kan een krachtig signaal zijn om broederlijkheid in onze omgeving te bevorderen en dit in daden om te zetten, vooral naar hen die iedere ervaring van broederlijkheid in hun leven moeten missen. In vele regio’s worden we geconfronteerd met de vluchtelingenproblematiek. We kunnen als congregatie daarvoor onze ogen niet sluiten en opnieuw komt het erop aan via concrete acties kleine daden van liefde te ontwikkelen. De wijze waarop we omgaan met onze eigen middelen, de middelen van de gemeenschap, van de regio en van de ganse congregatie dient geïnspireerd te zijn door een doordachte solidariteit waarmee we ook in eigen congregatie een concrete bijdrage leveren aan een meer gelijke ontwikkeling in de verschillende delen van de congregatie. Laat ons toch niet in de valkuil trappen om de middelen van de congregatie als “privémiddelen” te beschouwen, slechts bekommerd om ons eigen welzijn en ons daardoor laten vastzetten in statistieken waarmee banken ons graag claimen en ons aanraden om voldoende reserves aan te leggen voor de eigen toekomst. Zonder een terechte bekommernis voor het eigen overleven uit te sluiten vraagt solidariteit ons uitdrukkelijk om te delen met anderen, en dat vanuit onze gemeenschappelijk gedragen verantwoordelijkheid voor de groei van het algemeen welzijn van de ganse congregatie.

4.  Een open hart voor de wereld

In dit hoofdstuk wordt stilgestaan en dieper ingegaan op een zeer actueel probleem en de wijze waarop we op een evangelisch verantwoorde wijze daarmee kunnen omgaan.
Het probleem van de migratie dat hier in extenso aan bod komt is natuurlijk een complex gebeuren waarvoor niet zomaar pasklare oplossingen gereedliggen. Ideaal blijft dat men onnodige migratie moet voorkomen door de mogelijkheid te creëren om zoveel als mogelijk ter plaatse veilig en waardig te kunnen leven. Maar tegelijk heeft iedereen het recht om voor zichzelf en zijn familie een plaats te zoeken waar hij zich integraal kan ontwikkelen als persoon. Vier werkwoorden zouden steeds moeten vooropstaan naar migranten toe: verwelkomen, beschermen, waarderen en integreren. Dit kan onder andere geconcretiseerd worden door het faciliteren van het bekomen van visa, door humanitaire corridors te ontwikkelen voor vluchtelingen die zich echt in een noodsituatie bevinden, door aangepast logement te voorzien en de nodige sociale ondersteuning, met recht op integratie in het onderwijssysteem en de vrijwaring van de religieuze vrijheid. Wanneer migranten het burgerschap ontvangen moet dit op basis zijn van volledige gelijkheid met de andere burgers van het land. Om dit alles te bekomen is er samenwerking nodig tussen de verschillende instanties die in het land betrokken zijn bij de opvang van vluchtelingen en migranten.

De komst van personen vanuit verschillende culturen moet niet onmiddellijk als een bedreiging worden gezien, maar eerder als een wederzijdse verrijking. Vergeten we niet hoe vele landen juist vorm kreeg via intercontinentale migraties, denken we maar aan het ganse Amerikaanse continent. Zo is het vandaag echt noodzakelijk dat er positieve inspanningen worden geleverd om tot een vlottere toenadering te komen tussen Oost en West, rekening houdend en met respect voor de culturele, historische en religieuze verschillen. Daarom wordt nog eens gepleit voor een nieuwe juridische, politieke en economische wereldorde die juist deze nieuwe problematieken op mondiaal vlak kan behartigen en in goede banen leiden. Belangrijk hierbij is dat er ruimte moet zijn dat ook de meest armen hun stem mogen laten horen en meewerken in de besluitvorming. Te dikwijls nog worden er besluiten over hen genomen zonder enige vorm van inspraak van hunnentwege. Ook het aspect van het gratuite moet als grondattitude steeds blijven meespelen: wanneer mensen aan onze deur komen aankloppen, en dat geldt ook op het vlak van de ruimere gemeenschap, moeten we niet onmiddellijk de vraag stellen welk voordeel ze ons aanbrengen. Criterium moet blijven dat we iedere andere als een deel van de grote mensenfamilie blijven zien en ons niet vastpinnen op de verschillen die er zijn. De polen “globalisatie” en “lokalisatie” zullen steeds aanwezig zijn en kunnen niet zomaar onderdrukt noch ontkend worden, maar we moeten ervoor zorgen dat ze tot een leefbaar evenwicht worden gebracht. De globalisatie dient het respect en de uitgroei van het lokale niet per se belemmeren, maar kan dit ook verrijken. Ik ga naar de andere vanuit mijn eigen achtergronden, die ik daarvoor niet hoef te verloochenen, maar ik sta tegelijk open voor de eigen achtergronden van de andere. Groeien naar een grotere universaliteit betekent niet dat we alles moeten standaardiseren en onze eigen geschiedenis en wortels gaan verloochenen. Neen, we moeten geen toren van Babel bouwen, want dat is alleen maar een uiting van hoogmoed en onterechte ambities. Het gaat erom te plaatse te handelen op lokaal niveau, maar steeds met de openheid voor een ruimer perspectief. Zich daarvoor afsluiten is de groeipool voor een ongezond nationalisme en populisme dat spijtig genoeg steeds meer de kop opsteekt. Iedere cultuur moet openstaan voor de universele waarden. De liefde voor eigen land is niet in tegenspraak met hartelijke openheid en integratie van een meer globale humaniteit. Laten we toch de ganse mensengemeenschap zien als één grote familie, en ook in iedere familie zijn interne verschillen legio maar daarom niet onoverbrugbaar.

Het thema van de migratie kan vandaag niemand onbewogen laten en opnieuw komt het erop aan te zien wat we zelf als individu en als kleine gemeenschap kunnen doen om die grotere openheid en die positieve houding naar migranten toe te ontwikkelen. Zowel in de zorgverlening als in het onderwijs worden we met migranten geconfronteerd en dit zal onze speciale aandacht vragen om ze op een volwaardige wijze te helpen integreren zodat ze zich ook in onze zorg en onderwijs echt thuis voelen en niet als tweederangsburgers worden beschouwd. Binnen de congregatie zelf groeit de internationalisering zeer sterk, en ook hier worden we uitgenodigd dit op een positieve wijze te waarderen en er echt voordelen uit te halen. Is het geen verrijking van ons charisma dat dit nu in zoveel verschillende culturen vorm mag krijgen en verder uitgroeien? Het leven in internationale gemeenschappen is een opgave, maar bovenal een gave en een wederzijdse verrijking, op voorwaarde dat wederzijds respect primeert en geen superioriteit van de ene of de andere gaat regeren. Vele broeders-missionarissen heb voorheen het leven in een totaal verschillende cultuur als een echte persoonlijke verrijking mogen ervaren door nieuwe waarden te ontdekken die in andere delen van de wereld een stuk ondergesneeuwd waren. Tegelijk mochten ze hun eigen cultuur delen met anderen en deze ermee ook verrijken. Staan we nu ook voldoende en welwillend open voor de andere richting wanneer broeders uit het zuiden of uit het oosten in noordelijke regio’s leven en mee het charisma gestalte geven? Het gevoel van superioriteit blijft een gevaarlijk euvel dat ten allen tijd moet worden bestreden.

5.  De beste politiek

Het volgende hoofdstuk gaat over evenzeer een groeiend probleem waar men wereldwijd mee geconfronteerd wordt: maatschappelijke tendensen waarbij populisme en een groeiend liberalisme de kop opsteken en die de politiek grondig gaan beïnvloeden. Het hoeft niet te worden gezegd dat dit thema internationaal zeer gevoelig ligt en ook onmiddellijk de nodige reacties teweegbracht bij het uitkomen van de encycliek. Nochtans wordt niets nieuw aangebracht, alleen een duidelijke samenvatting van de visie die Paus Franciscus vanaf de aanvang van zijn pontificaat naar de politieke wereld in alle duidelijkheid blijft formuleren vanuit een diepe bekommernis voor het behoud en de verdere groei van de zorg voor het algemeen welzijn waarbij niemand uit de boot valt. Soms wordt hem verweten dat hij daarmee te veel de sociaal-politieke toer opgaat, maar eigenlijk is het een consequent doortrekken van de evangelische boodschap in de huidige wereld en de actualisering ervan. Het Evangelie roept niet op om ons apolitiek op te stellen, maar ons integendeel politiek gevoelig op te stellen. Het plaatsen van beeld van een boot met honderden vluchtelingen uit verschillende nationaliteiten en religieuze achtergronden op het Sint-Pietersplein in Rome is een symbolische daad die zowel de problematiek van de migratie in het daglicht wil plaatsen, maar ook de groeiende trends van het populisme en het liberalisme en de nefaste gevolgen dat dit meebrengt.

Het uitgangspunt dat hier wordt gesteld is duidelijk: het misprijzen van de zwakkeren in de maatschappij kan verscholen zitten in allerlei vormen van populisme die deze zwakkeren op een demagogische wijze gaat gebruiken om hun visie te verdedigen en ook in vormen van liberalisme die alleen de economische interesses van de machtigen verdedigt.

Vooreerst het populisme. Het is alsof men vandaag in twee kampen wordt ingedeeld: zij die zich populist noemen en zij die er zich tegen verzetten. Op het moment dat men een eigen opinie formuleert wordt onmiddellijk gezocht in welk kamp men moet worden ondergebracht. Wanneer een bepaalde cultuur uitgroeit tot een zichzelf verheffende ideologie en in dienst komt te staan van de macht die men over anderen wil ontwikkelen evolueert men heel snel naar een verraderlijke vorm van populisme. Heel typisch voor leiders die zich populistisch gaan gedragen is het feit dat ze alles onmiddellijk willen realiseren en daartoe alle middelen opportuun achten.

Met het stijgende liberalisme moeten we vaststellen dat er steeds meer zwakkeren uit de boot dreigen te vallen. De gemeenschap wordt steeds meer naar het individualisme gericht, en de maatschappij wordt dan gezien als een optelsom van individuen. Het zogenaamde neoliberalisme zet alles op economische systemen die uitsluitend gericht zijn op het verwerven van steeds meer. Maar ondertussen worden de ogen gesloten voor de grote groepen die daarmee steeds meer aan de kant geraken. De aandacht voor een kwaliteitsvolle tewerkstelling moet wijken voor het streven van grotere winsten en een verdere vertechnisering van de arbeidsplaatsen. Hier wordt geraakt aan de noodzakelijke politieke bekommernis die er moet zijn voor de bevordering van het persoonlijk welzijn tezamen met de bevordering van het algemeen welzijn. Er werd gedacht dat de financiële crisis van 2007-2008 tot een nieuw economisch systeem zou leiden met daarin een grotere aandacht voor ethische principes van goed beheer, maar ondertussen is gebleken, en wel heel scherp tijdens de Covid-pandemie hoe nog steeds het individualisme het wint op de zorg voor het globale goed van de maatschappij.

De 21ste eeuw is het schouwspel van een verdere verzwakking van de invloed van de Verenigde Naties, omdat steeds opnieuw de economische en financiële dimensies het halen op de politieke dimensie die juist het globale welzijn in het vizier moet hebben. Daarop wordt herhaald dat het noodzakelijk is om verder na te denken over een hervorming binnen de Verenigde Naties opdat deze belangrijke internationale en overkoepelende organisatie haar opdracht naar behoren zou kunnen uitvoeren. Met respect voor de eigen autonomie van de landen moet er een instantie zijn die waakt dat de rechten van de mens en de waardigheid van iedere mens binnen alle landen wordt gerespecteerd en bevorderd om zo te groeien tot een grotere broederlijkheid wereldwijd. Primordiaal moet ze de blijven oproepen om gezamenlijk te strijden tegen de gesel van het voedseltekort op zoveel plaatsen. Misschien is het een goed signaal dat juist de wereldorganisatie ter bestrijding van de honger binnen de Verenigde Naties nu juist de Nobelprijs van de vrede heeft ontvangen. Het lijkt een bevestiging van wat in de encycliek opklinkt dat er geen wereldvrede mogelijk is wanneer schrijnende vormen van armoede zovelen blijft teisteren. Dikwijls lijkt de organisatie van de Verenigde Naties eveneens verlamd als het gaat om te komen tot vredesovereenkomsten omdat het recht van de macht het lijkt te halen op de macht van het recht.

Wanneer we internationaal rondom ons kijken moeten we vaststellen dat op vele plaatsen de politiek is uitgegroeid tot een intern machtsspel waarbij het algemeen belang in het gedrang komt. Begrijpelijk dat in dergelijke situatie een afkeer ontstaat tegenover alles wat met politiek te maken heeft. Afkeer is echter niet het juiste antwoord. We moeten daarentegen werken aan een vernieuwde vorm van politiek waar de zorg voor het algemeen welzijn echt opnieuw de prioriteit wordt. Maar daarvoor is een nieuwe mentaliteit nodig bij diegenen die politiek voeren, namelijk een mentaliteit van sociale liefde. Dan alleen kan politiek voeren als een ware roeping worden beschouwd die zich dienstbaar naar de gemeenschap opstelt. Liefde moet er niet alleen zijn op interpersoonlijk vlak, maar ook binnen een ruimere gemeenschap en daarmee een heilvolle invloed uitoefenen op het totale sociale, economisch en politiek gebeuren. Deze sociale liefde doet ons het algemeen goed beminnen en maakt ons creatief om effectief te blijven zoeken om ook het welzijn van iedere burger te behartigen. Hier is geen plaats voor individualisme en drang naar macht. Het is via deze sociale liefde dat men kan groeien naar een ware beschaving waarin de liefde de hoofdtoon neemt. Het is de sociale liefde die krachten doet aanboren om zich te laten confronteren met de wereldproblemen en deze te beantwoorden door een vernieuwing van binnenuit van de bestaande sociale, politieke, economische en juridische structuren. Deze sociale liefde zal steeds nood hebben aan het licht van de waarheid: waarheid over de mens als persoon, over de maatschappij als gemeenschap waar eenieder aan bod kan komen, wordt gerespecteerd en waar een speciale aandacht aanwezig is voor de zwakkeren. Dit laatste moet steeds een groot aandachtspunt blijven binnen iedere vorm van politiek. Een maatschappij moet daarom ruimte blijven geven aan vormen van solidariteit die vanuit de basis groeien en deze stimuleren vanuit het gezonde principe van de subsidiariteit. De politiek moet zich eveneens strijdvaardig durven opstellen tegenover alle vormen van misbruik waarbij mensen tot slaaf worden gemaakt en tegenover alle vormen van terrorisme, wapentrafiek, drughandel en internationale criminaliteit die slecht één doel hebben: het maatschappelijk bestel te ontwrichten.
De sociale liefde zal ook aandacht hebben dat niemand wordt uitgesloten en dan ook strijden tegen vormen van fundamentalisme waarin iedere vorm van tolerantie met de voeten wordt getreden.

Kijkend naar de persoon die zich politiek engageert dient te worden opgemerkt dat hij of zij moet uitblinken in medemenselijkheid en ware liefde voor de medemens. Hier wordt zelfs het woord “tederheid” aangehaald, dat natuurlijk is schril contrast staat met de hardheid waarmee soms aan politiek wordt gedaan. Een politieker moet inderdaad zorg hebben voor het algemeen welzijn, maar mag de ogen niet sluiten voor onrecht dat hij of zij in de onmiddellijke omgeving opmerkt. De aandacht daaraan besteed zal een positieve invloed hebben op het ruimere politieke werk. Goede politiek zal daarom steeds moeten gebaseerd zijn op liefde, hoop en vertrouwen dat het goede nog leeft in het hart van velen en dat via gerichte acties naar de bovenkant kan komen als krachtig tegenwerk tegenover het negatieve dat er ook is.

Niemand van ons kan ongevoelig blijven wat er zich op internationaal vlak afspeelt. Met de moderne communicatiemiddelen en de media worden we er dagelijks mee geconfronteerd. Het leren kennen is één zaak, er ons een duidelijk idee bij vormen is de tweede stap. Maar misschien mag het daarbij niet blijven maar moeten we op de plaats waar we staan ook duidelijk stelling durven nemen, speciaal wanneer zwakkeren worden uitgebuit, wanneer de menselijke waardigheid met de voeten wordt getreden. We worden hier niet opgeroepen om actief aan politiek te gaan doen of zware politieke stellingnamen in de nemen. Maar we worden wel opgeroepen om politiek gevoelig te zijn en ook voldoende kritisch met wat er rondom ons gebeurt. We dragen allen verschillende verantwoordelijkheden binnen de maatschappij en daarom moeten we zien hoe we op ons niveau aan deze politieke gevoeligheid gestalte kunnen geven. Hier is ook belangrijk welke keuzen we maken in onze lectuur, en met welke opiniemakers we mee opstappen. Een verscherpte aandacht voor tendensen die neigen naar populisme en neoliberalisme is hierbij zeker gewenst. Het begrip “sociale liefde” klinkt nieuw in deze context, vooral in een wereld waar alleen nog plaats lijkt te zijn voor macht, voor geld, en de liefde als iets voor de zwakken wordt afgedaan. In het apostolaat waar we ons heel speciaal inzetten voor de zwaksten uit de maatschappij, kunnen we de politiekers blijven aansporen om zich niet alleen in te laten met hen die electoraal van belang zijn maar ook en vooral aandacht te blijven besteden voor diegenen die aan de onderste tree staan van de maatschappelijke ladder.

6.  Dialoog en sociale vriendschap

Toenadering zoeken, zich uitdrukken, naar mekaar luisteren, mekaar in de ogen durven zien, mekaar leren kennen en proberen mekaar te begrijpen, zoeken naar gemeenschappelijke punten: dat zijn beproefde wegen om tot een ware dialoog te komen. Sommigen echter vluchten de realiteit en verschansen zich in hun eigen wereldje van waaruit ze de anderen aanvallen. Er is een grondig verschil tussen dialoog en wat we vandaag kennen als uitwisseling van opinies via de sociale media. Dergelijke debatten zijn heel dikwijls gemanipuleerd en hebben slechts één doel: de waarheid aan hun kant te krijgen. Dat heeft alleen maar met macht te maken en het bekomen van persoonlijk voordeel.
Authentieke dialoog veronderstelt dat men open staat voor de visie van de andere vanuit de overtuiging dat in iedere visie wel een grond van waarheid aanwezig is. Daarvoor hoeft men het niet helemaal eens te zijn met wat de andere aanbrengt, maar men zoekt naar gemeenschappelijke punten.
De vraag is of de media vandaag dergelijke dialoog dient. Er is veel uitwisseling via internet, maar dit is geen garantie dat er ook dialoog is. Bij een dialoog staat steeds het oprecht zoeken naar de waarheid voorop, de dienst aan de zwaksten en de opbouw van het algemeen goede.

Sommigen vinden dat er geen absolute noch objectieve waarheden zijn. Ze hullen zich in een relativisme. Het feit dat ieder menselijk leven heilig is en beschermwaardig verdraagt geen compromissen. Dit relativeren is heel nefast voor de samenleving en voor de mensheid als dusdanig. We moeten beseffen dat er handelingen zijn die intrinsiek verkeerd zijn, los van de omstandigheden en de intentie waarbij ze worden gepleegd. Het lijkt wel dat het onderscheid tussen goed en kwaad vervaagt in deze wereld en vervangen wordt door een ethiek gebaseerd op wat ons voordelig lijkt en wat voor ons nadelig is.
We dienen ook te beseffen dat veel van wat wordt verkondigd via de media alles behalve strookt met de waarheid. Hier is veel manipulatie aanwezig, en het gevaar is aanwezig dat we ons laten meeslepen door wat de media als dominante ideeën verkondigen en niet meer open staan voor wat waar en echt is.
In een pluralistische samenleving is dialoog heel essentieel, maar deze moet steeds vertrekken van een duidelijke eigen stellingname gekoppeld aan een openheid voor de visie van de andere. We zullen echter vaststellen dat er waarden zijn die niet negotieerbaar zijn, ook dat moet in de dialoog duidelijk blijven, maar mag geen belemmering zijn om de dialoog verder te zetten. Dergelijke dialoog zal zelfs bepaalde waarheden in een duidelijker daglicht plaatsen, zonder dat men daarover noodzakelijk consensus moet verwachten of opeisen.

Laten we werk maken van een cultuur van de ontmoeting. Het is de weg die leidt tot ware en diepe vrede die niet zomaar kan opgebouwd worden. Het is een langzaam proces waarbij men geduldig luistert naar mekaar en aanvaardt dat de andere het recht heeft zichzelf te zijn en ook verschillend mag zijn. Aan de basis van dergelijke cultuur van de ontmoeting ligt natuurlijk het wederzijds respect dat men moet ontwikkelen naar mekaar toe. Indien dit ontbreekt gaat men zich vooral fixeren op de onderlinge verschillen die er steeds zullen zijn. Wanneer men zich uitsluitend fixeert op de verschillen, boort men een bron aan die leidt tot heel wat geweldpleging, waarmee we de laatste tijd zo sterk mee worden geconfronteerd.
Daarom moet de cultuur van de ontmoeting leiden tot wat we kunnen noemen een sociaal en cultureel pact, waarbij men begrijpt en aanvaardt van mekaar dat men nooit de totale waarheid in pacht heeft maar tegelijk het recht heeft voor zijn overtuiging uit te komen. Dit hoeven geen tegengestelden van mekaar te zijn. Criterium zal steeds blijven het respect voor het persoonlijk en algemeen welzijn en de bevordering ervan. We kunnen veel leren van Sint Paulus die wel heel duidelijk voor zijn overtuiging uitkwam en deze niet onder stoelen en banken stak, maar tegelijk een lans brak voor een correcte omgang met mekaar, gebaseerd op welwillendheid, zachtheid, respect. Hierbij vraagt de Paus zich af of we de drie woorden naar mekaar toe nog kunnen uitspreken: “als het u belieft”, “pardon” en “dank u”. Het kan niet praktischer klinken.

Een kort hoofdstuk rond een wel essentieel thema waarbij het belang van het voeren van een goede dialoog als een rode draad loopt. We hoeven daarbij niet veel commentaar te geven, want hetgeen werd aangebracht klinkt zo herkenbaar, ook binnen onze congregatie. Het zal steeds moeten gaan om tot een evenwicht te komen tussen het hebben van een eigen visie, deze weten te relativeren wanneer we welwillend luisteren naar de argumenten en redeneringen van de andere en tegelijk beseffen en aanvaarden dat er algemene waarheden zijn waarover niet te negotiëren valt. Misschien is dat laatste wel het moeilijkste en het meest aangevochten vandaag, want daarover blokkeren bepaalde dialogen omdat men niet meer aanvaardt dat er nog universele waarden zijn die geen compromissen toelaten. Het is dan de kunst om toch de dialoog open te houden en tot een vernieuwde vorm van samen-zijn te komen, waar het respect voor mekaar primeert boven het zich blijven fixeren op de verschillen. Eenheid in de verscheidenheid, zonder echter te raken aan wat echt fundamenteel en absoluut is: de absolute beschermwaardigheid van ieder leven.
Als kind van onze tijd zullen we ook niet ongevoelig zijn voor een zeker relativisme, waarbij we te gemakkelijk de ogen sluiten voor wat objectief verkeerd is, en het onderscheid tussen goed en kwaad laten vervagen, in ons eigen leven en in de samenleving waarvan wij deel uitmaken. Ook hier moeten we de moed hebben om soms tegenstroom te varen en ons niet te laten meeslepen met een dodend relativisme.

7.  Nieuwe wegen die we moeten bewandelen

In het verlengde wat in het vorig hoofdstuk werd aangebracht, wil de encycliek nu ingaan op een aantal heel concrete realiteiten die vandaag ons samenleven tekenen en die om een duidelijke stellingname vragen.
Het uitgangspunt moet steeds de waarheid zijn die we laten vergezellen door de gerechtigheid en de barmhartigheid. De waarheid hoeft niet de leiden tot wraak maar eerder tot verzoening en vergeving.

De moeizame weg naar de wereldvrede is geen weg waarbij alle onderlinge verschillen dienen te worden weggewerkt, maar wel een weg van gezamenlijk werk voor de bevordering van het algemeen welzijn. Nefast blijft wanneer de ene de andere wil domineren en waar alleen de macht het eerste en laatste woord heeft. Even nefast is de wijze waarop vandaag rijkdommen door een kleine minderheid worden gecumuleerd. Dit staat ver van een gezamenlijke bekommernis voor het algemeen welzijn en zijn er de struikelblokken voor. Daarom gebeuren grote hervormingen nooit van achter een bureel en ook niet louter via juridische weg, maar wel wanneer men doorheen gezamenlijke dialoog ernstig op zoek gaat naar duurzame oplossingen. Daarbij is het belangrijk dat men iedere vorm van afrekening en wraak bewust opzij zet. Vrede betekent niet alleen afwezigheid van oorlog, maar ook het verlangen om echt te groeien naar grotere verdraagzaamheid naar mekaar toe, waarbij het respect van mekaars waardigheid als mens steeds voorop moet staan. Zo zal alleen een cultuur van nabijheid met de zogenaamde verstoten groepen in een maatschappij de onderlinge verstandhouding laten groeien.
Het is spijtig dat sommigen niet willen spreken over verzoening, omdat ze vinden dat conflicten, geweld en scheiding nu eenmaal inherent zijn aan iedere vorm van samenleven. Anderen zien verzoening als een teken van zwakte en een manier om de conflicten te ontvluchten. De vergeving en de verzoening zijn thema’s die heel sterk het christendom tekenen, maar ook aanwezig zijn in andere godsdiensten. Maar Christus spreekt niet over een goedkope vergeving, vrede en sociale akkoorden. Sterk is daarom zijn uitspraak: “Ik ben geen vrede komen brengen, maar het zwaard” (Mt. 10, 34). En dan gaat het juist over de fundamentele waarden waarover werd gesproken in het vorig hoofdstuk en die geen compromissen verdragen en waar martelaren hun leven voor gaven, tot op vandaag.
Het gaat er eveneens niet om dat men zomaar corruptie kan vergeven of criminele daden die juist zware schade brengen aan de menselijke waardigheid. We worden opgeroepen iedereen lief te hebben, maar dit wil niet zeggen dat we alles kunnen aanvaarden wat anderen doen. Vergeven wil niet zeggen toedekken wat de andere aan kwaad verricht tegenover zwakkeren. Hier is moed vereist om tegen dit onrecht in te gaan, juist uit liefde voor de naaste en uiteindelijk uit liefde voor God zelf. Maar dit moet gebeuren vanuit een oprecht verlangen om het goede te laten zegevieren en niet om wraak te nemen en af te rekenen. We moeten in ons hart kunnen blijven kijken welke gevoelens hierbij aanwezig zijn en hoe we ons niet door de negatieve gevoelens laten overheersen. Ware verzoening heeft plaats in het hart van het conflict en is slechts mogelijk via volgehouden dialoog en transparant en geduldig overleg. Anders blijft het iets kunstmatig en zeker niet duurzaam.
Een belangrijk basisprincipe voor de opbouw van sociale vriendschap en vrede is dat eenheid steeds belangrijker moet blijven dan het conflict. We moeten alles doen om polarisaties te voorkomen.

Vergeven wil niet zeggen wat we zomaar moeten vergeten. We kunnen vervolgingen en zware misdrijven tegen de mensheid niet zomaar vergeten, maar tegelijk mogen we er ons ook niet door laten paralyseren. We evolueren nooit zonder een klare herinnering aan het verleden, maar steeds moet de ruimte openblijven voor de vergeving. De vicieuze cirkel van het geweld kan alleen maar door de vergeving worden doorbroken. Afrekening zal noch de pleger, noch het slachtoffer echt voldoening geven.

Vanuit deze algemene principes kunnen we alleen maar stellen dat iedere vorm van oorlogvoering een zware ontkenning van de rechten van de mens inhoudt en een dramatische daad van agressie blijft tegenover de omgeving. Indien we een echt integrale humane ontwikkeling willen bevorderen, dan moet men er alles voor doen om oorlogen te vermijden. Vandaar het belang van de doorgedreven dialoog en overleg, ook op wereldniveau. Men spreekt inderdaad van het feit dat men het recht heeft zich te verdedigen indien men wordt aangevallen, maar steeds moet de vraag worden gesteld of er voldoende overleg aanwezig was en men niet te vlug naar de wapens grijpt. Preventieve oorlogsvoering wordt daarom ook ten volle afgekeurd, zeker in het licht van de desastreuse gevolgen die dit kan hebben door het gebruik van het hedendaagse alles vernietigende wapenarsenaal. Daarom blijven we herhalen: “Nooit meer oorlog!”. Iedere oorlog laat de wereld slechter achter dan wat ze voorheen was. Oorlog is steeds een nederlaag voor de politieke overheden en uiteindelijk voor de hele humaniteit, een toegeven aan de machten van het kwaad.

Een ander thema is de doodstraf. Hierbij wordt duidelijk gesteld dat doodstraf steeds onaanvaardbaar is en ieder land wordt uitgenodigd om andere middelen te ontwikkelen om een dader van een zwaar misdrijf te straffen en tegelijk de maatschappij te beschermen tegen mogelijke recidieven. Men kan zelfs de vraag stellen of levenslange opsluiting echt een alternatief is en niet meer lijkt op een toegedekte doodstraf. Tegelijk dient men ook steeds de menselijke waardigheid van de dader te blijven respecteren en iedere vorm van foltering afkeuren.

Wereldvrede is inderdaad een grote bekommernis, en voortdurend worden we wereldwijd geconfronteerd met conflicten die uit de hand lopen. Het is, zoals Paus Franciscus reeds aanhaalde, een wereldoorlog die in verschillende stukken wordt gevoerd. We denken ook aan de landen waar we als congregatie aanwezig zijn en waar we voortdurend geconfronteerd worden door etnische en religieuze geschillen die soms tot dramatische afrekeningen leiden. Voor ons broeders is het belangrijk dat we erin slagen om alle etnische verschillen te overstijgen en aan de omgeving tonen via een harmonieus gemeenschapsleven dat samenleven met verschillende etnische achtergronden wel degelijk mogelijk is. En op de plaatsen waar we als minoriteit leven binnen andere religies blijft het de opgave om concrete wegen te zoeken van dialoog. Het zal in het volgende hoofdstuk nog ter sprake komen. Via ons apostolaat, waarbij we ons zonder discriminatie openstellen voor mensen van verschillende etnische en religieuze achtergronden kunnen we meewerken aan een groeiende dialoog. Soms staan we als twee piramiden naast mekaar. De toppen staan ver van mekaar en hebben het moeilijk om met elkaar op ideologisch vlak in overleg te komen, maar aan de basis kan overleg gemakkelijk groeien via heel praktische daden en zo kunnen de piramiden geleidelijk aan dichter in mekaar schuiven zodat ook de toppen dichter bij mekaar kunnen komen.
Alles wat gezegd werd naar de wereldconflicten toe geldt eveneens voor ons samenleven als communiteit, als regio en als congregatie.

8.  De religies in dienst van broederlijkheid in de wereld

Zo komen we tot het laatste hoofdstuk met een thema dat Paus Franciscus heel nauw aan het hart ligt en waartoe hij reeds vele initiatieven heeft genomen. Zijn uitgangspunt is dat de verschillende religies een bijdrage zouden moeten kunnen leveren voor een grotere broederlijkheid op wereldniveau. Sterk is het citaat van de Indische bisschoppen: “Het doel van interreligieuze dialoog is het ontwikkelen van vriendschap, vrede en harmonie en het delen van waarden en morele en spirituele ervaringen in een geest van waarheid en liefde”.
Het uitgangspunt is dat we ons gemeenschappelijk weten open te stellen naar God als de Vader van allen. We moeten ons gezamenlijk kunnen schragen rond God als de transcendente waarheid, die de verschillende religieuze invullingen overstijgt. Wanneer we op deze wijze met een oprecht hart naar God zoeken, zullen we tochtgenoten ontmoeten die eveneens op zoek zijn naar God, zonder ons a priori vast te zetten in ideologische principes. Wanneer de wereld vandaag in crisis verkeert is het omdat juist een soort anesthesie voor het transcendente is ontstaan en velen meester heeft gemaakt. In de plaats kwamen louter wereldlijke en materiële belangen die de transcendente waarden totaal hebben verdrongen. De Kerk heeft daarom een publieke rol te vervullen in het aanbrengen van wegen om de waardigheid van de mens en van universele broederlijkheid te bevorderen en aan te moedigen. Hier toont de Kerk zich als een moeder.
Vanuit dit standpunt wil de Kerk ook Gods werking in andere godsdiensten waarderen, in lijn wat daarrond in het Tweede Vaticaans Concilie werd geleerd. Tegelijk dienen we de muziek van het Evangelie te laten klinken in onze huizen, op onze werkplaatsen, in de politiek en in de economische wereld. Want in de evangelische boodschap klinkt juist deze constante aandacht voor de waardigheid van iedere mens en de opbouw van de ware broederlijkheid.
Hier klinkt natuurlijk ook de oproep tot tolerantie en openheid op plaatsen waar we als katholieke kerk in de minderheid zijn, en tegelijk wil de katholieke kerk ook deze openheid tonen naar hen die een andere nominatie of religie belijden en zelfs met hen die helemaal niet geloven. Laten we ons hier blijven openstellen voor God die niet kijkt met ogen, maar met het hart en daarom een God van verrassingen is. Ideaal blijft dat we zo komen tot een harmonieuze samenleving tussen verschillende culturen en religies.
Daarom is iedere vorm van religieuze intolerantie uit de boze en zeker het terrorisme dat daaruit voort vloeit. Religie kan nooit de oorzaak zijn van terrorisme, maar het is de onderlinge armoede, onderdrukking en ongerechtigheid die er de basis van is en die de religie misbruikt om terroristische daden te stellen. Daarom moeten religieuze leiders er alles voor doen om met mekaar in dialoog te gaan en in dialoog te blijven en daarmee effectief meewerken aan de wereldvrede en alle vormen van extremisme de kop indrukken.

Als slot herinnert Paus Franciscus aan personen die echt een bijdrage hebben geleverd aan de opbouw van deze universele broederschap, zowel binnen de eigen katholieke kerk als daarbuiten: Franciscus van Assisi, Martin Luther King, Desmond Tutu, Mahatma Gandhi. En heel speciaal wordt de zalige Charles de Foucauld als een model aangeboden die een ware weg van transformatie heeft afgelegd om echt broeder de worden van alle mannen en vrouwen. Hij werd echt de “universele broeder”.

Laat ons met een dankbaar hart deze derde encycliek verwelkomen en op een eerlijke wijze op zoek gaan hoe we zelf als persoon en als gemeenschap nog beter gehoor kunnen geven aan de verschillende opvorderende uitnodigingen die erin klinken. Samen met de vorige sociale encycliek “Laudato Si’” wil Paus Franciscus ons allen oproepen om onze opdracht als christen niet uitsluitend binnenkamers te beleven, maar het echt als wereldbewoners waar te maken en daarmee zout en gist te zijn in de deeg. Niemand kan onverschillig blijven voor de zware ecologische problemen waarmee we geconfronteerd worden, maar steeds moeten ze worden geplaatst in een ruimer kader in het licht van de promotie van de waardigheid van de mens: van de hele mens en van alle mensen, om nog eens de woorden van Paus Paulus VI te herhalen. Laten we geïnspireerd door Gods Geest een levend middenpaneel vormen van de drieluik waarbij de twee encyclieken als de zijpanelen zijn en ons de weg wijzen, de weg van het Evangelie die we in alle radicaliteit moeten blijven bewandelen, maar dat samen met velen, met alle mensen van goede wil. Verbeter de wereld, begin bij jezelf en in je eigen omgeving.

Met een uitnodiging aan allen om de ganse encycliek te lezen, te herlezen en er samen over na te denken en er in dialoog over te gaan.

Br. René Stockman

Oktober 2020

De goede Samaritaan: over de zorg voor personen in de kritieke en terminale fase van hun leven

Op 22 september ll. werd door de Congregatie voor de Geloofsleer een belangrijk document voorgesteld en gepubliceerd over de wijze waarop we als katholieken moeten omgaan met mensen die zich in een kritieke levenssituatie bevinden en/of terminaal ziek zijn. De kern van het document is de bevestiging dat de eerbied voor het leven steeds absoluut is en dat geen enkele daad die daartegen ingaat geoorloofd is. Hiermee wordt de visie en de leer van de H. Paus Johannes Paulus II uitgewerkt in zijn encycliek Evangelium Vitae bevestigd en bekrachtigd en als het ware geactualiseerd. Immers, de voorbije 25 jaar is er wel wat gebeurd en op sommige vlakken kan men niet alleen spreken van een evolutie maar zelfs van een revolutie. Denken we maar aan de sterk voortschrijdende medische wetenschap die erin slaagt met nieuwe technieken levensbedreigende aandoeningen beter te bestrijden, waardoor mensen langer leven maar ook soms een langere en zwaardere terminale fase in hun ziek-zijn meemaken. We kunnen bovendien ook de ogen niet sluiten voor de heel nefaste maatschappelijke evolutie waarbij euthanasie in vele landen een wettelijk kader heeft gekregen en door sommigen als een recht wordt opgeëist bij terminaal en onomkeerbaar lijden, zowel op het somatische als het psychische vlak.

Het is dan ook terecht dat het document een lange aanloop neemt met een diepgaande reflectie over het wezen van de “goede zorg” en de plaats die het lijden heeft in het leven, vooraleer in te gaan op meer concrete situaties en de antwoorden die daarop kunnen en moeten gegeven worden. Ik probeer de grote lijnen van het document te volgen, waarbij ik ook een aantal persoonlijke bedenkingen toevoeg. Want een document van dit niveau houdt een uitnodiging in om een meer persoonlijke reflectie aan te moedigen.

De goede Samaritaan

Als icoon van de goede zorg wordt de goede Samaritaan als voorbeeld gesteld die zich geen moeite spaart om diegene die hij op zijn weg ontmoet met de beste zorg te omringen omdat hij in de mens het beeld ziet van God. Dat is de basis van de menselijke waardigheid die in ieder mens aanwezig is. De Samaritaan buigt zich over de medemens met een “hart dat ziet”. Het is de wijze waarop hij naar de zieke kijkt: met diep medelijden en het is vanuit dit medelijden dat zorgverleners en allen die de zieken nabij zijn, worden uitgenodigd om hun taak op zich te nemen: vanuit een liefdevolle grondhouding. Het is ook dit hart dat God heeft voor iedere mens: een hart vol liefde en medelijden, en het is deze goddelijke liefde die we naar de zieken moeten uitstralen. Gods universele en tegelijk persoonlijke liefde voor iedere mens moet de oriëntatie en de basis blijven waarmee mensen met mekaar omgaan, en meer bepaald met zieken, ook met hen die terminaal ziek zijn. Het gaat erom zorg te dragen voor ieder leven en voor het leven van eenieder in het bijzonder. Deze zorg zal steeds gebaseerd zijn op de gouden regel: “Doe aan anderen wat je verlangt dat aan jouw wordt gedaan” (cfr. Mt. 7, 12). In de zorgverlening uit zich dat in een dubbele dimensie : het menselijk leven bevorderen en iedere vorm van schade voorkomen. Ziekenhuizen zullen dan ook steeds plaatsen moeten zijn waar met grote zorg wordt omgegaan met de fragiliteit van het leven. Deze fragiliteit uit zich vooral op het einde van het leven waar therapie zal overgaan in pure zorg voor de persoon die naar de dood toeleeft. Dit moet een integraal deel blijven van de gezondheidszorg, en in dit document richt men zich vooral op deze fase van het leven.

De lijdende Christus als teken van hoop

Ziekte heeft steeds met lijden te maken, en zorgverleners worden dan ook rechtstreeks geconfronteerd met het lijden van hen die ze behandelen en verzorgen. Het hoort dan tot hun wezenlijke opdracht voor dit lijden open te staan, te zien hoe ze dit lijden kunnen verzachten en hoe ze echt medelijdend aanwezig kunnen zijn bij hen die lijden. Medische zorg kan daarom nooit worden gereduceerd tot een aantal medisch-technische handelingen, waarvoor een grote techniciteit vereist is. Zorgverlening wordt slechts ten volle professioneel wanneer met alle dimensies van de mens wordt rekening gehouden, ook en vooral met de mens die lijdt en die zich vragen stelt bij dit lijden: waarom, waartoe, hoelang,… Pijn en lijden kunnen gereduceerd worden via medicatie maar slechts echt verzacht worden via een luisterend oor, een meevoelend hart, een zorgverlener die echt medemens is en blijft voor en bij de zieke.

Het bestaan van het lijden blijft een moeilijk te begrijpen mysterie van het leven. Terecht doet men alles, zoals reeds aangegeven, om de pijn en het lijden te voorkomen en het te helen. De vooruitgang binnen de medische wereld heeft reeds veel lijden kunnen milderen. Maar het lijden blijft desondanks een wezenlijk deel van het leven, van ieder leven, en speciaal naar het einde van het leven toe kan dit heel zwaar zijn. Het op het eerste gezicht meest logisch klinkende antwoord dat men kan geven op de vraag naar de plaats van het lijden in het leven is dat het totaal zinloos is, en vandaag zien we ook de consequentie van dit denken: de vanzelfsprekendheid waarmee euthanasie wordt voorgesteld en gekozen wanneer lijden als uitzichtloos wordt ervaren. Iedere vraag naar een mogelijke zingeving binnen het lijden wordt als een schandelijke aberratie van een religieus denken weggeschoven. Men wordt ook op dit vlak vaak door heel wat groepen binnen de samenleving verweten vanuit een achterhaald mensbeeld te leven wanneer men aan het ziekbed nog de zin van het lijden durft ter sprake te brengen.

Nochtans moeten we als christenen de moed hebben om naar het kruis op te kijken waarop Christus geleden heeft, voor ons geleden heeft, ons met zijn lijden heeft verlost en vanuit zijn lijden ook met ons meelijdt.

Twee elementen lichten hier op een bijzondere wijze op. Op het kruis kijkt Jezus opwaarts naar zijn Vader vanuit het geloof dat deze Hem niet in de steek laat en Hij kijkt neerwaarts naar zijn Moeder en de leerling die bij haar is. Op dit eigenste moment vraagt Hij aan zijn Moeder om voor Johannes, voor iedere mens te zorgen en vraagt Hij aan Johannes, aan ieder van ons, om Maria als moeder te nemen. De zorg voor mekaar krijgt hier een bijzondere betekenis: een zorg in stille aanwezigheid aan de voeten van het kruis: mekaar tot troost zijn en tot troost blijven. Maar aan de voet van het kruis kijken ze ook naar boven en worden ze zo deelachtig aan het verlossingsgebeuren dat zich juist in het lijden en dood van Jezus Christus op het kruis voltrekt, en opent zich voor hen ook het perspectief op de verrijzenis. Op menselijk vlak zorgzaam aanwezig blijven bij de lijdende zieken en hen op spiritueel vlak helpen hun ogen te richten op het kruis, om doorheen het kruis van hun lijden de hoop op de verrijzenis te mogen ontwaren: dit zijn de twee bewegingen die hier kunnen gebeuren. We kunnen deze geloofsovergave niet opdringen, maar als christenen moeten we wel de moed hebben dit aan medegelovigen aan te bieden. Misschien is er te veel schroom ontstaan om bij zwaar lijdenden en stervenden het kruis in de hand te geven zoals vroeger zo sterk de gewoonte was. De tekst van de Congregatie voor de Geloofsleer roept dan ook op om bij terminaal lijden en vooral bij palliatieve zorg dit spiritueel aspect niet te verwaarlozen en daarrond een zekere schroom te overwinnen.

Er zijn vandaag vele culturele obstakels die de absolute waardigheid van ieder leven verduisteren

De goede Samaritaan ontmoet echter vandaag in het vervullen van zijn liefdevolle zorg en ook in de wijze dat hij probeert op een betrokken wijze om te gaan met het lijden een aantal obstakels die zowel zijn liefdevolle zorg als zijn omgaan met het lijden bemoeilijken. Het document geeft vier obstakels weer die tevens een ware belemmering vormen in ons streven voor het behoud en de bevordering van het absoluut respect voor ieder menselijk leven, dat de ware motivatie is voor onze liefdevolle zorg voor alle leven en dat in alle omstandigheden.

Er is vooreerst een zeer eenzijdige invulling van het begrip “kwaliteit van het leven”, waarbij iedere vorm van ernstig lijden als een bedreiging wordt beschouwd voor het welzijn van de mens. Het is alsof alleen het fysiek welbevinden de totaliteit vormt voor het welzijn van de mens en andere dimensies niet meer meetellen. Er wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen de zogenaamde accidentele kwaliteit van het leven en de essentiële kwaliteit ervan, waarmee we met dit laatste het leven als dusdanig beschouwen. Zelfs wanneer de accidentele kwaliteit van het leven zeer laag is, kan de essentiële kwaliteit nog zeer intact aanwezig zijn. Hoe dikwijls mogen we dit niet ervaren bij bejaarden die met heel wat beperkingen door het leven moeten gaan, beperkingen die alleen nog maar toenemen, maar daardoor hun levensvreugde niet verliezen en echt zin blijven vinden in het leven.

Daarnaast heeft men een nieuwe invulling gegeven aan het begrip “compassie”, en beschouwt men het vandaag als een werk van barmhartigheid om iemand uit een zwaar lijden te verlossen via euthanasie.

Als derde element wordt het groeiend individualisme aangehaald, waarbij de mens zijn absolute zelfbeschikking, autonomie en vrijheid opeist en geen rekening meer wenst te houden met zijn of haar verantwoordelijkheid naar anderen toe en met de impact die een eigen daad naar anderen toe kan hebben. Het wordt een “ieder voor zich”-mentaliteit.

Ten slotte wordt verwezen naar de woorden van Paus Johannes Paulus II die 25 jaar geleden reeds sprak over het gevaar te evolueren naar een “cultuur van de dood” en naar de toespraken en teksten van Paus Franciscus die reeds verschillende malen de wegwerpcultuur heeft bekritiseerd waarin we ons momenteel bevinden.

Na deze grondige reflectie over wat we “goede zorg” zouden kunnen noemen, komen we in het document tot de formulering van een aantal knelpunten waarmee we vandaag binnen deze zorgverlening worden geconfronteerd en waarvan sommige moeilijk te rijmen zijn met deze “goede zorg”. Het is daarrond dat men vanuit de Congregatie voor de Geloofsleer het noodzakelijk achtte een aantal duidelijke richtlijnen te formuleren en die dan ook als doctrinaire bepalingen van het Magisterium moeten worden beschouwd. Eerst wordt ingegaan op de algemene visie rond de toepassing van euthanasie en begeleide suïcide, waarna een aantal meer specifieke situaties worden toegelicht.

De leer van het Magisterium rond euthanasie en begeleide suïcide

De visie wordt hier heel direct en duidelijk geformuleerd: euthanasie en begeleide suïcide zijn steeds een intrinsiek kwaad, en dit in iedere situatie. Waarom? Omdat het leven als dusdanig absolute waarde heeft en dan ook absoluut respect verdient. Deze doctrine is gebaseerd op de natuurwet, op het neergeschreven Woord van God en doorheen de Katholieke Traditie steeds herhaald door het Magisterium. Daaruit volgt dat iedere formele of onmiddellijke materiële medewerking aan dergelijke daad een zware zonde is tegen het leven. De beschermwaardigheid van het leven, de autonomie van de patiënt en de zorgrelatie tussen patiënt en zorgverlener kunnen nooit op dezelfde lijn worden geplaatst en zomaar tegenover elkaar worden afgewogen. De beschermwaardigheid van het leven is absoluut en prevaleert alle andere waarden.

Zorgverleners en zij die deze zorg organiseren dienen zich steeds ten dienste te stellen van het leven en dit leven te ondersteunen tot het natuurlijke einde en kunnen zich niet inlaten met een euthanasiepraktijk. En geen zorgverlener kan daartoe verplicht worden. Daarom zijn euthanasie en begeleide suïcide een morele nederlaag voor hen die daarrond een ondersteunende ethische reflectie opbouwen, die euthanasie plegen en die aan de uitvoering ervan meehelpen.

Waar euthanasie wettelijk wordt mogelijk gemaakt is dit een teken van een degeneratie van het wettelijke systeem. In het document wordt betreurd dat door de toepassing van deze wettelijke regeling, reeds velen via euthanasie zijn overleden, waaronder velen omwille van psychisch lijden en depressie. De vraag naar de dood is in deze gevallen dikwijls een symptoom van de ziekte die versterkt wordt door gevoelens van verlatenheid en uitzichtloosheid. Het is juist daaraan dat extra aandacht moet worden gegeven.

Een aantal specifieke aandachtspunten en praktijken

  • Het radicaal afwijzen van euthanasie betekent niet dat men zich moet overgeven aan therapeutische hardnekkigheid. Het is daarom geoorloofd bepaalde therapeutische handelingen te staken wanneer wordt vastgesteld dat ze geen meerwaarde meer kunnen betekenen voor de zieke en zelfs meer last dan verlichting kunnen veroorzaken. Maar het staken van therapeutische handelingen mag nooit als doel hebben de dood te bespoedigen. Hier geldt het principe van de proportionaliteit, waarbij het algemeen welzijn van de patiënt en het absolute respect voor het leven steeds voorop moeten staan.
  • Bij terminaal zieken zal men steeds blijven zorgen voor de essentiële fysiologische functies, m.n. wat voedsel en hydratatie betreft, die eventueel via een infuus kunnen worden toegediend. Iemand laten sterven door het niet meer toedienen van vocht is daarom nooit toegelaten.
  • Heel veel belang wordt gehecht aan de palliatieve zorg. Deze zorg mag zich niet beperken tot het somatische, maar moet eveneens een antwoord geven op de affectieve en spirituele noden, zonder de ondersteuning van de familie te verwaarlozen. Het is op deze momenten dat men echte solidariteit en liefde mag ervaren die de uitzichtloosheid van de situatie grondig kan doen omkeren. Heel belangrijk zijn daarom de palliatieve initiatieven waar mensen in een terminale fase van hun leven een professionele opvang kunnen ontvangen en waar ook de familie de nodige ondersteuning mag ondervinden. Er wordt echter ernstig bezwaar gemaakt t.a.v. de trend om palliatieve zorg te verbinden aan de mogelijkheid tot euthanasie of begeleide suïcide.
  • Aan de andere zijde van het leven staat de zorg voor het prenatale leven en de pediatrische geneeskunde. Hier wordt in alle duidelijkheid herhaald dat het leven dient gerespecteerd te worden vanaf de conceptie en dat ook kinderen die reeds in de moederschoot lijden aan ziekten of bij wie afwijkingen worden vastgesteld op een passende wijze moeten behandeld en verzorgd worden. Er wordt natuurlijk met een grote bekommernis verwezen naar de groeiende trend om via prenatale diagnose vast te stellen of het kind dat men verwacht normaal is, en indien een afwijking wordt vastgesteld, zoals het syndroom van Down, aan de ouders onmiddellijk een abortus wordt voorgesteld als enig alternatief. Dit gaat in de richting van een gevaarlijke groei van een eugenetische mentaliteit.
  • Wanneer bij een terminaal lijden de pijn ondraaglijk wordt, is sedatie aangewezen, en dit wordt dan ook toegelaten, tot en met de diepe palliatieve sedatie, maar steeds met de toestemming van de patiënt indien deze daartoe bekwaam is. Palliatieve sedatie aanwenden als een verdoken weg om intentioneel euthanasie uit te voeren is echter verboden.
  • Voor mensen die met een zeer laag bewustzijn leven of zelfs een zogenaamd vegetatief bestaan leiden, dient men de zorg verder te zetten en hen voldoende fysiologisch te ondersteunen, d.w.z. voldoende vocht en voedsel toedienen, eventueel via artificiële weg. Alleen behandelingen die volstrekt zinloos zijn of zelfs meer schade dan baat geven kunnen achterwege worden gelaten.

Gewetensvol handelen als zorgverleners binnen katholieke gezondheidsvoorzieningen

Daar waar euthanasie en/of begeleide suïcide wettelijk mogelijk is en gezien wordt als een alternatieve medische handeling, kunnen zorgverleners binnen katholieke gezondheidsvoorzieningen in geen geval aan deze praktijken deelnemen, vanuit het principe dat men veeleer God dan de mens moet gehoorzamen (Hand. 5, 29). Het is daarom nooit moreel toegestaan om deel te nemen aan een euthanaserende handeling of daarin toe te stemmen via woord, daad of door een zich onthouden van een duidelijke stellingname dienaangaande. Als algemeen principe wordt hier geformuleerd: “Christenen, zoals alle mensen van goede wil, zullen vanuit de zwaarwichtigheid van hun geweten, nooit medewerken aan de uitvoering van euthanasie, ook al wordt dit wettelijk toegestaan, want dit is tegen de goddelijke wet. Immers, vanuit moreel standpunt is het nooit toegelaten formeel met het kwade samen te werken”.

Overheden dienen het recht op gewetensbezwaar te erkennen en gezondheidswerkers hebben het recht om dit op te eisen.

Gezondheidszorgvoorzieningen moeten weerstand bieden aan de soms sterke economische druk die op hen wordt gelegd om euthanasie toe te staan. Ze zullen juist een sterk getuigenis geven door zich duidelijk en publiek daarover uit te spreken en zich onvoorwaardelijk en formeel in lijn te plaatsen met de kerkelijke leer dienaangaande. Indien ze dit niet doen, dienen ze te beseffen dat ze zich buiten de kerkelijke leer plaatsen en dan ook de katholieke identiteit kunnen verliezen.

Geïnstitutionaliseerde samenwerking met andere voorzieningen om op deze wijze patiënten te kunnen doorverwijzen die om euthanasie vragen is eveneens moreel niet aanvaardbaar.

Pastorale begeleiding en het toedienen van de sacramenten

De Kerk is geroepen om gelovigen spiritueel bij te staan en hen de helende bron van het gebed en de sacramenten aan te bieden. Deze bijstand bevat steeds de uitoefening van de christelijke deugden van empathie, compassie en troost. Het toedienen van de sacramenten dient dan ook steeds gezien te worden als een hoogtepunt van deze pastorale begeleiding en zorg.

Bij het sacrament van de biecht is het noodzakelijk dat de biechteling berouw toont over het verleden en het voornemen maakt om niet meer te zondigen. Indien deze echter het vaste voornemen behoudt euthanasie of begeleide suïcide te vragen en te laten uitvoeren, kan hij het sacrament van de vergeving niet ontvangen. Alleen wanneer hij in de biecht daarvan afziet, kan hem sacramentele vergeving worden geschonken.

Dit houdt niet in dat de pastorale zorg daarmee eindigt. Het niet aanvaarden van de daad houdt niet in dat men de persoon daardoor in de steek laat. Men zal ook deze persoon nabij blijven en nog steeds hopen dat hij of zij tot inkeer kan komen.

Het is echter niet toegelaten voor diegenen die de pastorale zorg toedienen fysiek aanwezig te zijn bij de uitvoering van de euthanasie of de begeleide suïcide. Dit zou immers een totaal verkeerde indruk kunnen geven dat men vanuit de Kerk deze daad goedkeurt.

Besluit

Graag nodigen we eenieder uit om het document integraal te lezen en ook te bespreken. Het eerste deel geeft ons een duidelijk kader waarin we goede zorg dienen te plaatsen en de belangrijkheid ervan. Voor hen die in de zorgverlening actief zijn en deze mee helpen organiseren blijft het een uitdaging om zich steeds naar dit ideaal te richten, en dat in het voetspoor van de goede – barmhartige Samaritaan als onze na te volgen icoon. De handreiking die hier wordt gegeven over de wijze dat we met het lijden kunnen omgaan is slechts een opstap naar en een dringende uitnodiging voor een verdere reflectie die zo nodig is willen we onze zorgverlening echt vanuit een christelijke basis blijven voeden. Laten we het aandurven deze reflectie te maken, ook in groep. De concrete richtlijnen uiteindelijk die we in dit document ontvangen zijn duidelijk en tegelijk veeleisend, maar noodzakelijk verhelderend in een tijd waarin heel wat verwarring heerst en waar maatschappelijke trends echt ingaan tegen de diepste christelijke waarden en de waarde bij uitstek: de absolute eerbied voor alle leven. Laten we vooral hopen en bidden dat dit document ons en velen mag helpen deze noodzakelijke helderheid te scheppen in deze zeer gevoelige problematiek en dat het tegelijk een bevestiging mag zijn voor allen die zich blijven inzetten voor de verdediging van het leven vanaf het moment van de conceptie tot het moment van de natuurlijke dood. We bidden ook voor hen die zich concreet inzetten via een heel persoonlijke zorg en aandacht voor de promotie, ondersteuning en heling van iedere medemens die we steeds als een kind van God zien.

Br. René Stockman

Oktober 2020

Hoe maatschappelijk relevant kunnen en moeten we als christenen zijn?

We kennen allemaal de uitspraak van Marx dat religie opium is voor het volk. We kennen de consequenties van deze uitspraak en welke mondiale gevolgen deze heeft gehad bij de introductie van het communisme als nieuw maatschappijmodel. Vandaag zien we nog in China hoe moeilijk het is om binnen een communistisch regime ruimte te geven aan de religie en hoe religie heel vlug als een ondermijner en dwarsligger wordt gezien van een antigodsdienstige ideologie die men er wenst te ontwikkelen en in stand te houden. Dus niet zozeer als opium!

Ik wil me echter toespitsen op de christelijke godsdienst zoals deze zich via verschillende denominaties heeft ontwikkeld vanuit het levend voorbeeld ons gebracht door Jezus Christus en zijn evangelische boodschap. Wat alle denominaties gemeen hebben, is inderdaad de figuur van Christus die als Zoon van God onder de mensen is gekomen om ons te verlossen en de boodschap die Hij ons heeft nagelaten via het Evangelie. We moeten deze twee zaken steeds samen houden: het gaat over de navolging van een levende persoon, Jezus Christus, in wie wij de Zoon van God zien en die dus meer is dan een filosofisch denkbeeld of ideologie, en de evangelische boodschap die Hij ons heeft gebracht en die steeds opnieuw moet en kan vertaald worden in de concrete situaties waarin we vandaag leven. Daarbij komt dat men zich verbonden voelt binnen een kerkgemeenschap, welke voor de katholieken een universele dimensie heeft.

We zouden dan kunnen stellen dat we als christen, en meer bepaald als katholiek, met deze drie dimensies in de wereld staan: als volgeling van Jezus Christus, met de inspiratie van het Evangelie en binnen een verbondenheid die we Kerk noemen. Wellicht is het belangrijk om deze drie ook in deze volgorde te behouden, want diegene die ons bindt en verbindt is Christus. Hij is waarlijk de hoeksteen van ons geloof, de brenger van de evangelische boodschap en het cement van onze kerkverbondenheid.

Vooreerst staan we in de wereld als volgeling van Jezus Christus. Als we ons geloof ernstig nemen en ons leven erdoor laten beïnvloeden, dan zal de relatie met Jezus Christus essentieel zijn. Dat heeft invloed hebben op de wijze waarop we in de wereld met anderen omgaan, hoe we omgaan met de omstandigheden waarin we terecht komen en ook de moeilijkheden waarmee we geconfronteerd worden en zelfs met de vervolging die we omwille van het geloof te lijden hebben. In Christus vinden we de kracht om met weerstanden om te gaan en zelfs vervolging om zijnentwil te ondergaan. Het is in en via Christus dat de transcendente dimensie in ons leven inhoud en vorm krijgt. Wanneer we ons geloof vestigen in Christus, kunnen we niet anders dan van Hem te getuigen en daartoe ontvangen we ook de kracht. Er moet in ons leven ruimte zijn voor gebed, persoonlijk en als gemeenschap, en het is belangrijk daartoe ook maatschappelijk de nodige vrijheid te hebben om ons vanuit een gelovige inspiratie te verenigen en het geloof via rituelen ook publiekelijk te uiten. Onze religieuze inspiratie mag als een spirituele bron in alle vrijheid aan de samenleving worden aangeboden. Dit alles zijn belangrijk aspecten van het grondwettelijk gewaarborgd recht op godsdienstvrijheid. We hebben tijdens de COVID-19-pandemie, met de lockdown die eraan verbonden was, sterk aangevoeld welk gemis we hebben wanneer we als gelovigen niet meer fysiek kunnen samenkomen om ons geloof te vieren.
Juist in landen met een communistisch regime hebben we gezien en zien we hoe belangrijk de spirituele dimensie voor een samenleving is, welke nadelige gevolgen het heeft wanneer deze dimensie wordt onderdrukt en hoe gelovigen toch proberen binnen kleine gemeenschappen deze dimensie in stand te houden, vaak op gevaar af van zware vervolging, gevangenschap en zelfs doodsbedreigingen. We zien ook de nefaste gevolgen van het verdwijnen van het christelijk geloofsleven in het Westen omwille van een zich steeds verder ontwikkelend en agressief-vijandig secularisme waarbij een gemeenschap evolueert naar een spirituele anemie en zelfs agonie. Hoeveel psychische en sociale problemen zouden niet kunnen worden voorkomen indien mensen konden terugvallen op een gezonde spirituele onderbouw in hun leven. Nu wordt hun leven vaak op drijfzand (bv. consumentisme) gebouwd, een beeld dat we ook in het Evangelie terugvinden (cfr. Mt. 7, 26) en waarbij we lezen dat huizen gebouwd op rotsgrond standhouden bij hevige storm maar deze gebouwd op drijfzand door de storm meegesleurd en verwoest worden. Als we Jezus Christus echt beschouwen als de Weg, de Waarheid en het Leven, dan betekent dit dat Hij aan ons leven en aan ons leven in gemeenschap een echte ondersteuning en richting geeft.

We komen hier bij de tweede dimensie van ons geloof: de evangelische boodschap die we van Jezus Christus hebben ontvangen en die ons leven zowel persoonlijk als maatschappelijk een kader en oriëntatie kan bieden. Het Evangelie is geen wetboek en geen ideologie die in detail aangeven hoe we ons leven persoonlijk en als gemeenschap moeten gestalte geven. Het is niet zoals het boek Leviticus, waarin de oudtestamentische mens een nauwkeurige opsomming ontving van de wetten die hij diende te onderhouden. Neen, het Evangelie geeft een oriëntatie, het is een wegwijzer die ons de goede weg naar het Koninkrijk van God aanwijst, een leven met en voor God. Het Evangelie, en het Nieuwe Testament in zijn geheel en ruimer de ganse Bijbel, is het verhaal van God die zich aan zijn volk laat kennen, met zijn volk op weg gaat om uiteindelijk zelf mens te worden en in woord en daad toont hoe wij als mens, geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis, moeten leven. Het ultieme is onze verlossing uit de absolute macht van het kwaad met het perspectief op de verrijzenis.
Jezus als Weg toont ons de weg via de Evangelische boodschap hoe we ons leven als christen, als volgeling van Christus, als kind van de Vader, kunnen uitbouwen. Daarom is het belangrijk dat er voldoende aandacht wordt besteed aan de catechese bij kinderen en jongeren, en dat iedere christen door lectio divina, door studie en spirituele lezing en begeleiding zijn leven laat bevruchten door het Woord van God, dat tegelijk universeel en persoonlijk is. God spreekt via zijn Woord tot ieder en tot ieder persoonlijk. Een christen die zich elke dag via gebed, bezinning en studie laat inspireren door het Woord van God zal bekwaam worden om op een “christelijke” wijze te antwoorden op de levensvragen die op hem afkomen. Dat vormt de basis voor een christelijk leven. Maar niemand leeft als een individu, afgesloten van de anderen en van de ruimere gemeenschap. We leven in gemeenschappen en binnen een ruimere maatschappij. We zijn sociale en maatschappelijke wezens, waarin we ook onze verantwoordelijkheid moeten opnemen en waar we ook ondersteuning mogen ondervinden om ons leven uit te bouwen. Het gaat hier om een wederzijdse verantwoordelijkheid. Daarom heeft de evangelische boodschap ook een sociale en maatschappelijke relevantie. Het zal onze sociale relaties tekenen en ook de wijze waarop we als christen-gelovigen onze verantwoordelijkheid opnemen in de ruimere maatschappij.

Op sociaal niveau zal de evangelische inspiratie zich vooral uiten in de wijze waarop we proberen liefdevol met mekaar om te gaan en consequent te leven in lijn met het liefdesgebod dat we van de Heer Jezus hebben meegekregen. Dit liefdesgebod is een radicaal gebod en gaat zelfs in tegen onze spontane menselijke natuur wanneer ons gevraagd wordt om zelfs onze vijand lief te hebben. Wanneer we als christen proberen dit liefdesgebod in zijn radicaliteit toe te passen, zal dit een fundamentele invloed hebben op onze sociale relaties en de wijze waarop we met anderen samenleven en zorg dragen voor mekaar, niet in het minst voor hen die in nood zijn. De armoede, de ziekte, de nood van de medemens mag ons nooit onverschillig laten.

Maar ook ruimer maatschappelijk kunnen we ons als christen niet onverschillig opstellen. Het is vanaf het einde van de 19de eeuw dat de Kerk op een bijzondere wijze deze maatschappelijke relevantie van de evangelische boodschap onder woorden heeft gebracht via een sterk uitgebouwde sociale leer. Sindsdien zal iedere Paus één of meerdere sociale encyclieken publiceren om vanuit het Evangelie een oriëntatie te geven voor de grote maatschappelijke problemen waarmee we in de wereld worden geconfronteerd. Iedere tijd heeft immers zijn specifieke problemen. Zo klonk de stem van de Kerk duidelijk in perioden waarin totalitaire regimes ganse delen van de wereld in hun greep hadden, terwijl er nu een uitgesproken aandacht is voor de grote ecologische problemen waarmee we geconfronteerd worden en die door de Kerk steeds in een ruimer humaan kader worden geplaatst. We verwijzen hier naar de encycliek Laudato Si’, die grote weerklank heeft gekregen zowel in kerkelijke als in wereldlijke kringen. Neen, als christen kunnen we ons niet onverschillig opstellen tegenover de grote wereldproblemen en hebben we de plicht onze stem te laten horen en deze problemen te plaatsen en te beoordelen in het licht van de evangelische boodschap. We denken hierbij spontaan ook aan de ethische vraagstukken die voortdurend evolueren en waarbij de absolute beschermwaardigheid van het leven in het gedrang komt. Als christenen kunnen we hier niet aan de zijlijn blijven staan of – uit een of andere vorm van opportunisme – fundamentele principes van het christelijk geloof verloochenen. We moeten het aandurven hier als een soort geweten te fungeren naar de ruimere samenleving toe, open voor dialoog maar toch duidelijk in onze visie. Het één hoeft het andere niet uit te sluiten. We moeten bovendien vaststellen hoe de stem van christenen wordt gesmoord vanuit de stelling dat alles wat met religie te maken heeft een private aangelegenheid is, geen maatschappelijke relevantie heeft en dus alleen binnenkerkelijk voorwerp van gesprek kan zijn.

Zo zijn we bij de derde dimensie van het christelijk geloof beland: de plaats van de Kerk in het maatschappelijk bestel en de ruimte die ze al dan niet krijgt om in eerste instantie de gelovigen binnen de maatschappelijke context spiritueel bij te staan, te voeden en te begeleiden, uiting te geven aan rituelen die met het geloof te maken hebben en deel te nemen aan het publieke debat. Het compendium van de sociale leer van de Kerk en tal van pauselijke teksten die de thema’s van dit compendium verder uitdiepen, kunnen het publieke debat op zowat alle maatschappelijke gebieden verrijken.

In landen waar het Concordaat van toepassing is, werd een duidelijke scheidingslijn getrokken tussen Kerk en Staat, maar een scheidingslijn die geen scheidingsmuur is. Paus Franciscus spreekt inzake de verhouding tussen Kerk en Staat over een gezonde laïciteit. Het gaat hier over een wederzijds respect en de ruimte die Kerk en Staat mekaar geven om een gemeenschappelijke finaliteit na te streven: het welzijn van de burgers in de samenleving.
De Kerk zal zich nooit politieke macht toe-eigenen , maar zal wel actief deelnemen aan het publieke debat als ze van oordeel is dat het welzijn van mensen op het spel staat. Dit is overigens ieders maatschappelijke verantwoordelijkheid.

De Kerk heeft haar eigen wegen en middelen om zich maatschappelijk betrokken op te stellen, steeds vanuit en met de evangelische boodschap als referentie, en in het bijzonder de sociale dimensie ervan. Het is wel treffend dat vandaag in Frankrijk – waar het principe van de scheiding tussen Kerk en Staat sinds het Concordaat fundamenteel is – de positieve invloed van religie op het ruimer maatschappelijk gebeuren niet meer wordt ontkend maar zelfs geprezen.

Het is dan ook verwonderlijk en een symptoom van een secularistisch-libertaire onverdraagzame mentaliteit dat in bepaalde landen quasi iedere kerkelijke uitspraak met een maatschappelijke relevantie onmiddellijk als een schending van de verhouding Kerk-Staat wordt beschouwd en als irrelevant wordt weggezet.

Hoe contradictorisch is de houding van sommigen die heftige kritiek leveren op Paus Pius XII om zijn zogezegd onvoldoende duidelijk spreken tijdens de Tweede Wereldoorlog tegen het nazisme, maar vandaag op een even ongenuanceerde wijze de Kerk het zwijgen willen opleggen als het bijvoorbeeld gaat over de vluchtelingenpolitiek.
Het universele karakter van de Kerk is bijzonder waardevol. In een aantal kerkprovincies heeft men echter de neiging om deze universele blik uit het oog te verliezen en standpunten in te nemen die eerder een uiting zijn van een eng “provincialisme” of waarbij men door het heersende westers libertair secularisme wordt verblind of intellectueel wordt gegijzeld. Vanuit haar ruimere universele visie kan de Kerk helpen om problemen in een ruimer perspectief te plaatsen en daarmee misschien ook alternatieve en profetische antwoorden aan te bieden.
Dit kwam en komt bijvoorbeeld duidelijk tot uiting bij de reeds aangegeven problematiek van de vluchtelingen waarbij de Kerk een klare stem laat horen, en dit juist vanuit haar universele bekommernis.

Tegen het einde van de tweede eeuw na Christus schreef een volgeling van Christus een open brief aan Diognetus, een vertegenwoordiger van de Romeinse overheid. We citeren deze brief hier niet in extenso, maar enkele zinnen blijven in de context van onze bezinning toch wel zeer relevant. “De christenen onderscheiden zich niet van andere mensen door taal, vaderland of kledij. Zij wonen immers nergens in eigen steden, gebruiken geen afwijkend dialect en leven geen uitzonderlijk leven.” Daarna gaat de brief verder met een aantal paradoxen waarmee christenen worden geconfronteerd en waarmee de auteur zich wellicht wil identificeren. Enkele zinnen treffen ons. “Ze wonen op aarde, maar zijn thuis in de hemel; zij gehoorzamen de heersende wetten, maar overtreffen ze in hun eigen leven; zij hebben iedereen lief, maar worden door iedereen vervolgd.” En dan wel een sterke uitdrukking, echt kenmerkend voor wat er vandaag op vele plaatsen gebeurt: “Hoewel ze goed doen, worden ze gestraft als misdadigers. Zij die hen haten kunnen geen reden opgeven voor hun haat.”
Het besluit van de brief is als gegrepen uit de brieven van Paulus: “Wat de ziel is voor het lichaam, dat zijn de christenen in de wereld… Christenen zijn in de wereld, maar niet van de wereld.”
Het weze ook het besluit van deze bijdrage over de wijze waarop christenen relevant kunnen zijn op maatschappelijk vlak.

Br. René Stockman

Oktober 2020

Kan paus Pius XII van schuldig verzuim beticht worden?

Onderstaande tekst werd eveneens gepubliceerd op de website van Doorbraak.

 

Heel recent werd in de geheime Vaticaanse archieven de periode van paus Pius XII vroegtijdig voor onderzoek geopend. Het zou over niet minder dan twintig miljoen documenten gaan. Het zal jaren vergen om deze verder te bestuderen.

Sinds enige tijd is het zomerpaleis van de paus in Castel Gandolfo te bezichtigen door het grote publiek. De huidige paus heeft immers besloten om in de zomermaanden in zijn logement in het Vaticaan te blijven. Hij vond het dan ook maar terecht dit historisch erfgoed via de Vaticaanse musea te ontsluiten. Alvast een plaats die bij een volgend bezoek aan de eeuwige stad niet op het verlanglijstje mag ontbreken.

Onderduiken in de pauselijke vertrekken

Juist voor het betreden van de slaapkamer en huiskapel van de paus, een ruimte waar men onwillekeurig zachter gaat praten wetende dat op deze plaats verschillende pausen het tijdelijke met het eeuwige wisselden, zien we een aantal oorlogsfoto’s. Ze herinneren aan de actie van paus Pius XII om Joden van de holocaust te redden. Daartoe bood hij hen een veilig onderkomen in deze pauselijke vertrekken. Ook in andere kloosters in Rome konden vele Joden onderduiken en zo het transport naar het concentratiekamp ontlopen.

Verschillende historische studies hebben ondertussen uitgewezen in welke moeilijke situatie paus Pius XII zich bevond. Hij balanceerde voortdurend tussen het al dan niet duidelijker stelling innemen en de vrees om nog grotere represailles te ontlokken bij het naziregime. In Rome, vanuit het Vaticaan, deed hij alvast wat hij kon. Hij mobiliseerde de mensen rondom zich. En hij moedigde hun aan om zich het lot van de Romeinse Joden aan te trekken. En ook via nuntiaturen deed hij heel wat om in verschillende landen Joden te helpen. Zo heeft de toenmalige nuntius in Athene, de latere paus Johannes XXIII, duizenden Joden via valse paspoorten van het transport gered.

Eenzijdig negatief beeld

Had paus Pius XII zich openlijker moeten uitspreken tegen het nazisme? Die vraag klinkt met de regelmaat van de klok. In het toneelstuk Der Stellvertreter van Rolf Hochhut in 1963 werd een zeer eenzijdig en provocerend negatief beeld van deze paus opgehangen. Zo ook bij het verschijnen van het boek Hitler’s Pope van Cornwell in 1999. Sindsdien is deze discussie nog aangescherpt. Ook Belgische historici hebben zich gebogen over de vraag naar de invloed of juist het gebrek aan invloed van de paus op het nazisme. Dirk Verhofstadt was één van hen. Hij publiceerde daarover in 2008 het boek Pius XII en de vernietiging van de Joden.

‘De paus pleegde schuldig verzuim’

Volgens een artikel in De Morgen van 24 juni laatstleden had Dirk Verhofstadt de gelegenheid om enige dagen voordien de zogenaamde geheime Vaticaanse archieven te bezoeken. Heel recent werd daar de periode van paus Pius XII vroegtijdig voor onderzoek geopend. Volgens genoemd artikel in DM gaat het over niet minder dan twintig miljoen documenten. Het zal jaren vergen om deze verder te bestuderen. Maar Vlaamse wetenschappers hebben kennelijk deze lange onderzoeksperiode niet nodig. Na een paar uur archiefwerk of wat dit ook mocht betekenen, verklaarden ze heel plechtstatig: ‘De paus pleegde schuldig verzuim’. Dat is, nog steeds volgens het artikel, voor Verhofstadt zonneklaar.

Nog schokkender is de verklaring dat — ik citeer — ‘de grootste morele fout die paus Pius XII en de katholieke Kerk begingen, was dat ze de Duitse bevolking zowel voor als tijdens de oorlogsjaren overtuigden van het rechtmatig gezag van Hitler en de nazi’s. Dat ze de Duitsers ervan overtuigden dat het naziregime niet handelde tegen de christelijke beginselen op het vlak van de rassenpolitiek.’ Dat is toch een zware veralgemening. Denken we alleen al maar aan alles wat bijvoorbeeld mgr. Von Galen, de bisschop van Münster, in het toenmalige Duitsland deed om het regime aan te klagen.

Het snijpunt van Kerk en maatschappij

Bovendien komen andere onderzoekers tot andere en meer genuanceerde conclusies. Zo heeft de gerenommeerde kerkhistoricus Jezuïet Peter Gumpel gedurende zijn ganse leven alle documenten met betrekking tot paus Pius XII bestudeerd. Hij kwam tot een ander, op vele punten tegengesteld en genuanceerd besluit.

Als men vanuit een vooringenomenheid aan historisch onderzoek begint en bewust op zoek gaat naar documenten om de ingenomen stellingname kracht bij te zetten en te bewijzen, en andere documenten bewust aan de kant laat, kunnen we allereerst vragen stellen bij de gevolgde methodologie en de wetenschappelijke ernst ervan. Vandaag blijkt steeds meer dat men de geschiedenis heel eenzijdig a posteriori gaat interpreteren en beoordelen met een hedendaagse bril. De context op het vlak van tijd, cultuur en andere omstandigheden lijken niet meer van tel. Pius XII was een figuur die op het snijpunt van Kerk en maatschappij stond, tijdens één van de meest verwarrende tijden van onze recente geschiedenis.

Het is dan ook gemakkelijk om een dergelijk figuur heel eenzijdig te beoordelen. Om hem in een vakje te stoppen: te diplomatiek, te aarzelend, te pastoraal… Deze paus zal zeker kenmerken van ieder vakje hebben gehad. Hem zomaar beschuldigen van schuldig verzuim is echter toch zeer verregaand. Al klinkt het vandaag natuurlijk uiterst populair. Gelukkig zijn er niet veel standbeelden van deze paus. Anders zou al vlug de vraag klinken om deze onmiddellijk omver te halen. In Rome is er alvast één. Een wel opvallend beeld nabij San Lorenzo, ter herinnering aan zijn blitzbezoek aan dit juist gebombardeerde deel van Rome. Het klinkt niet erg geloofwaardig om paus Pius XII van schuldig verzuim te betichten. Hij verliet toen immers onmiddellijk het Vaticaan om de Romeinse slachtoffers van het bombardement nabij te zijn en hen moed in te spreken.

Voorzichtig met de term ‘schuldig verzuim’

Ik ben helemaal geen expert in de figuur van paus Pius XII, maar ik heb er wel al één en ander over gelezen. En daarom wil ik pleiten voor grondig wetenschappelijk onderzoek en daardoor wellicht genuanceerde conclusies met betrekking tot deze oorlogspaus. Prof. Verhofstadt gaat in september opnieuw naar Rome. Hij zal er opnieuw werken in het archief. Misschien zou hij dan best ook eens zijn tijd nemen om ook mensen te spreken die over deze materie vóór hem reeds jarenlang degelijk wetenschappelijk werk hebben verricht. En vooral zou hij héél voorzichtig moeten om de vernietigende term ‘schuldig verzuim’ in de mond te nemen. Misschien zal zijn finaal oordeel dan toch wel wat milder zijn.

Br. René Stockman

Juli 2020

Hoe de blijde boodschap laten klinken in de samenleving vandaag

De boodschap die ons gebracht wordt door het Evangelie is een blijde boodschap. Het is een boodschap die gericht is op de ware bevrijding van de mens. Maar tegelijk is het in haar radicaliteit een opvorderende boodschap, omdat ze duidelijk grenzen trekt bij de wijze waarop we deze bevrijding willen realiseren. Het komt erop aan beide noten te laten klinken: het bevrijdende dat ons tot de ware vreugde kan brengen en het opvorderende dat ons de goede richting aanwijst hoe we deze vreugde in ons leven kunnen ervaren en beleven.

Van oudsher zien sommigen in deze tweeledigheid van de Evangelische boodschap een oorzaak van spanning. Daarom maken ze liever een keuze tussen één van beiden om hun boodschap te laten klinken in de samenleving. Het is alsof we twee verschillende Evangelische boodschappen beluisteren. Daarbij komt dat zij die vooral de blijde noot willen laten klinken zich graag progressief noemen, terwijl zij die zich meer hechten aan het opvorderende van de boodschap, heel vlug als conservatieven worden afgeschreven. Beiden denken met hun handelswijze een dienst te bewijzen aan de samenleving en als Kerk relevant te blijven. Maar misschien moeten beiden open staan om van mekaar te leren om zo de volheid van de Evangelische boodschap in alle eerlijkheid en openheid te brengen.

Inderdaad, de Kerk mag zich niet opsluiten en zich alleen inlaten met binnenkerkelijke aangelegenheden. Of om de woorden van Paus Franciscus te gebruiken: de Kerk mag zich niet opsluiten in de sacristie maar als een veldhospitaal de wereld ingaan; ze moet de geur van de schapen kennen. Maar hoe gaat ze de wereld in en welke boodschap laat ze er klinken?

De opdracht om de wereld in te gaan klinkt reeds bij Jezus. Neen, Hij is niet blijven hangen in Nazareth, maar heeft drie jaar rondgetrokken en gaf op het einde van zijn leven de opdracht aan zijn leerlingen om de wereld in te gaan en daar de Blijde Boodschap te verkondigen dat het Koninkrijk van God komende was. In de Handelingen van de Apostelen kunnen we als het ware meereizen en zien hoe binnen een beperkt aantal jaren inderdaad deze Blijde Boodschap reeds goed was doorgedrongen in het ganse toenmalige Romeinse Rijk. 2000 jaar reeds wordt deze opdracht verder gezet, en regelmatig klinkt de vraag hoe men als Kerk in een veranderende maatschappij aanwezig kan zijn en welke woorden men er moet laten klinken. Want tijden en situaties veranderen, en we zien zelfs hoe Paulus reeds in zijn tijd zijn strategie aanpaste wanneer hij zich tot de heidenen ging richten.

Het was de vraag die ook uitdrukkelijk klonk na de Franse Revolutie toen de Kerk maatschappelijk volledig geïsoleerd geraakte. Ze vond haar maatschappelijke relevantie terug in de ontwikkeling van de sociale dimensie van het Evangelie. De zorg voor de armen via de caritas werd de nieuwe ingangspoort voor de Kerk in de samenleving. De Franse Revolutie was gericht tegen de structuren, de macht en het geld. De Kerk heeft eruit geleerd dat het niet via machtige structuren was dat ze zich maatschappelijk relevant kon maken. Het werd een moment van uitzuivering en de Kerk vond haar relevantie terug via de weg van de dienstbaarheid, van de caritas, van de zorg voor de armen. In vele landen blijft de Kerk een vooraanstaande plaats innemen in deze zorg en toont daarbij het gelaat van de dienende Jezus aan de wereld. Maar tegelijk zal ze een kritische stem laten horen op plaatsen waar de armen niet gerespecteerd worden in hun menswaardigheid. Want mensen bevrijden uit hun armoede is hen bevrijden van alles wat hen vernedert: hun lichamelijke nood maar ook hun niet gerespecteerd worden als mens en hun geïsoleerd en gediscrimineerd geraken in de maatschappij.

Vandaag worden we geconfronteerd met een andere revolutie. Ditmaal gaat het meer over een ideologische revolutie waarbij steeds meer aan waarden die met het wezen van de mens te maken hebben, afbreuk wordt gedaan. Waarden worden vloeibaar, om het met een woord van filosoof De Dijn te zeggen. Het is een revolutie die zich nu lijkt door te zetten in het verlengde van een langzaam proces dat zijn wortels vindt in de 17de eeuw met het verlichte denken en waar de persoonlijke vrijheid op een nooit geziene wijze wordt verheerlijkt. Dit verlichtingsdenken is nu echt doorgeslagen en uit zich in een verregaande secularisatie en een daarmee samenhangend relativisme, waarbij de waarden als vrijheid, autonomie en zelfbeschikking verabsoluteerd worden en de waarde die de echte absolute plaats verdient wordt weggeduwd: de waarde van het absolute respect voor het leven, voor ieder leven, vanaf zijn natuurlijk begin tot zijn natuurlijk einde. De laatste decennia zijn we ontwaakt in een andere samenleving waar het individualisme steeds meer veld wint en het personalisme aan de kant zet. De gevolgen zijn navenant op zoveel gebieden, niet het minst op terreinen die met het leven zelf te maken hebben. Wat is de waarde van een leven dat voor de maatschappij niet economisch nuttig is? Hoe ver gaat de autonomie van de mens om te beslissen over zijn eigen leven en over het leven van een ander, terwijl een dergelijke beslissing ook de mensen in zijn omgeving fundamenteel raakt en aanbelangt?

Opnieuw moet de Kerk zich de vraag stellen hoe ze relevant kan zijn binnen de context van deze nieuwe revolutie. Is het door zich te laten meedrijven met de mainstream in de samenleving, in de ijdele hoop daarmee aanwezig te kunnen blijven in de wereld en sympathiek over te komen? Maar hoe zal men dan in de wereld aanwezig zijn? Onder het voorwendsel in dialoog te willen blijven met de samenleving en de steeds slinkende achterban, meent men fundamentele discussies over belangrijke ethische kwesties te moeten vermijden door ze zelfs niet meer te benoemen. Men steekt letterlijk de kop in het zand en wanneer men dan toch gedwongen wordt er iets over te moeten zeggen, doet men dit op een omfloerste en nietszeggende wijze die de Blijde Boodschap in zijn volheid onrecht aandoet. Men maakt zichzelf wijs dat men hierdoor het geloof en de vele zorgende en lijdende mensen in de samenleving een dienst bewijst. Bestaat echte dienstbaarheid aan de gemeenschap er echter niet juist in dat we op een moedige wijze de volle stem van de Evangelische boodschap laten horen, ook en vooral bij thema’s waarbij we op voorhand weten dat we daarmee tegen de stroom in varen? Dat we daardoor het risico lopen door de ‘weldenkende elite’ opzij te worden geschoven en meewarig te worden bekeken, dat er afbreuk zou kunnen worden gedaan aan onze status en geprivilegieerde positie, zijn echter mogelijke gevolgen die authentieke gelovigen niet voor het eerst meemaken in hun geschiedenis.

Als gelovige gemeenschap zullen we echter een betere dienst bewijzen aan een humane samenleving wanneer we tot verder nadenken stimuleren en de evidenties die breed worden geponeerd, in vraag durven te stellen. We moeten als Kerk een profetische stem laten horen, wellicht in de woestijn, maar misschien toch ook als zout en gist – om een ander evangelisch beeld te gebruiken – in een wereld die door het heersende relativisme zo smakeloos en kleurloos aan het worden is.

Wat vandaag echt op het spel en de helling staat, is het absolute respect voor het leven. De samenleving en vele politici promoten echter een mensbeeld waarbij de mens zich totaal heeft losgemaakt van zijn Schepper en zich zijn eigen heer en meester waant. Het is een logische evolutie die we hier waarnemen: wanneer God als oorsprong en bestemming van de mens verdwijnt, komt de mens zelf in de plaats om het eerste en laatste woord te hebben in zijn oorsprong en bestemming en dan wordt absolute zelfbeschikking tot het hoogste goed verheven. Was binnen het personalisme de medemens nog een remmende factor bij de verabsolutering van deze zelfbeschikking, binnen het individualisme wordt ook deze uitgeschakeld en is de mens volledig zelf de architect van zijn bestaan en op zichzelf aangewezen. Zo krijgt hij het eerste en het laatste woord over zijn leven en over het leven van de andere.

Kan de Kerk hierbij zwijgen en doen alsof haar neus bloedt? Staat bovenbeschreven visie niet diametraal tegenover de visie op de mens zoals deze in de Evangelische boodschap klinkt en door Jezus Christus werd voorgeleefd? Zich hierover in een omfloerst stilzwijgen hullen betekent niet meer of niet minder dan vaandelvlucht plegen en ontrouw zijn aan de opdracht die we hebben ontvangen van onze Meester zelf: “Ga in de wereld en verkondigt daar de volheid van het Koninkrijk van God, niet uw koninkrijk of het koninkrijk dat goed klinkt in de huidige context.”

Laten we bidden om kerkleiders die de moed hebben om de volheid van de Evangelische boodschap te verkondigen, te pas en te onpas, als blijde maar ook als opvorderende boodschap, en zonder vrees om sociaal geëxcommuniceerd te worden, om een woord van Paus Benedictus XVI te gebruiken. Dan zal de Kerk voorwaarts gaan – om met Augustinus af te sluiten – “op haar pelgrimstocht te midden van de vervolgingen van de wereld maar met de vertroostingen van God”.

Br. René Stockman

Mei 2020

Gender, een gevaarlijke dwaling

Onderstaande tekst werd eveneens gepubliceerd in het tijdschrift ‘Emmaüs’ jaargang 2020 nr. 1, en in de Acta Medica Catholica, het tijdschrift van de Belgische Artsenvereniging Sint-Lucas.

 

Wellicht is er geen woord dat de laatste decennia zo een opgang heeft gemaakt dan het woord ‘gender’. Het is een begrip dat volledig is ‘ingeburgerd’ in alle middens en van een beschrijvend begrip geëvolueerd is naar een afdwingbaar begrip. Voor alle duidelijkheid: gender staat voor gedrags- en identiteitsaspecten van geslacht, ter onderscheiding van lichamelijke en biologisch aspecten. De natuurlijke band tussen enerzijds de lichamelijke en biologische kenmerken die het geslacht van iemand bepalen en anderzijds de identiteit en het corresponderende gedrag dat hij of zij hiermee vertoont, wordt verbroken. Ieder zou vanaf nu zelf kunnen bepalen voor welk geslacht hij of zij kiest, los van de biologische kenmerken, en indien nodig en wenselijk deze lichamelijke-biologische kenmerken daaraan laten aanpassen. Meer nog, ook maatschappelijk eist men erkenning van deze genderidentiteit boven de biologische identiteit waarmee men geboren is.

Oorsprong van deze beweging

De wortels van deze nieuwe ideologie kan men vinden bij de radicalisering van het feminisme uit de jaren ’60 van vorige eeuw waar niemand minder dan de Franse filosofe Simone de Beauvoir de volgende slogan lanceerde: “On ne naît pas femme, on le devient” – men wordt niet als vrouw geboren, maar men wordt het. Hiermee klaagde ze natuurlijk de ondergeschikte rol aan die vrouwen vanouds vervulden en die zich op een heel specifieke wijze uitte in het moederschap. Totale gelijkheid tussen man en vrouw werd het streefdoel en het wegwerken van alle verschillen die de vrouw maar op enige manier zou kunnen discrimeneren. Niemand zal twijfelen aan het belang van de totale gelijkwaardigheid van man en vrouw, maar daarvoor hoeft men zijn eigen seksuele identiteit niet te verloochenen. Gelijkwaardigheid is nog steeds iets anders dan gelijkheid!

Vindt men de wortels van de gendertheorie in de radicalisering van het feminisme, het kader wordt gevonden in de steeds voortschrijdende verabsolutering van de autonomie en de zelfbeschikking. De snelle opgang van de gendertheorie heeft dus alles te maken met de maatschappelijke revolutie waarin we ons momenteel bevinden. Opnieuw vraagt het enige nuancering wanneer we de begrippen autonomie en zelfbeschikking in de mond nemen. Het mag een humane en maatschappelijke vooruitgang heten dat mensen vandaag over grotere autonomie en een grotere graad van zelfbeschikking genieten dan pakweg 100 jaar geleden waar hele klassen nog zware vormen van onderdrukking kenden. Met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) heeft men deze persoonlijke autonomie en zelfbeschikking niet alleen willen garanderen, maar ook positief stimuleren in middens waar nog een weg moest worden afgelegd. Maar vanaf de jaren ’60-70 van vorige eeuw is men doorgeslagen en deze autonomie en zelfbeschikking gaan koppelen aan het streven naar absolute vrijheid en het afschudden van alle banden die deze vrijheid zou kunnen belemmeren. Voor de vrouw betekende dit onder andere los komen van de band tussen seksualiteit en voortplanting, waarbij de artificiële anticonceptie het antwoord gaf. Voortaan zou men seksueel kunnen genieten waarbij men het krijgen van kinderen bewust uitsloot, hetgeen ook tot een enorme denataliteit in het Westen heeft geleid, met alle maatschappelijke gevolgen van dien. Maar ook de ‘baas in eigen buik’-beweging, die voor vrije abortus pleitte indien de anticonceptie niet had gewerkt, was het gevolg van die individualistische anticonceptiementaliteit. Het duurde niet lang of ook het instituut huwelijk moest eraan geloven dat als een belemmering werd gezien van deze absoluut verklaarde vrijheid, omdat men zich hierdoor zou verbinden met één persoon en daarmee andere relaties uitsloot of toch sterk aan banden legde. Waarom zou een man zich moeten binden aan een vrouw, wanneer hij of zij zich eerder aangetrokken voelde tot iemand van hetzelfde geslacht? En waarom zou een relatie moeten geformaliseerd worden, waardoor ook vluchtige en kortstondige relaties mogelijk zouden zijn, zodat men niet moest inboeten op de zo gegeerde absolute vrijheid? Maar men dacht nog steeds in termen van man en vrouw, in lijn met wat de natuur had meegegeven en ook biologisch bepaald was. Meer zelfs, men werd als jongen of meisje opgevoed in lijn met wat men lichamelijk vertoonde. Verandering van geslacht was eerder zeldzaam.

In de jaren ’60 vond, zoals aangegeven, de filosofie van Simone de Beauvoir meer en meer opgang, die ook in de lijn lag met wat Freud voorheen al had gesuggereerd, namelijk dat seksuele geaardheid voor een heel groot deel te maken heeft met de psychologische ontwikkeling van een kind. Deze visie van Freud sluit echter niet uit dat de biologische identiteit iedere zogezegde psychologische identiteit voorafgaat. Men wordt nu eenmaal als man of vrouw geboren, en chromosomaal ligt dit ontegensprekelijk vast, met het duidelijke verschil tussen de XY en de XX chromosomen bij mannen en vrouwen. Meer nog, vanouds vonden ouders het logisch hun kinderen in lijn met hun biologische identiteit op te voeden, zelfs indien ze een kind van het andere geslacht hadden gewenst. Anders opvoeden zou juist een hypotheek leggen op de identiteit van het kind en later voor ernstige problemen kunnen zorgen. Ook de band tussen het lichamelijke en het geestelijke werden nog steeds als een eenheid beschouwd: de mens is zijn lichaam en heeft niet zomaar een lichaam. Maar ook dit werd geleidelijk aan prijsgegeven en vervangen door een dualistische antropologie: de mens heeft een lichaam, zoals hij ook andere zaken heeft, en daar kan hij dus ook naar eigen goeddunken mee omgaan, steeds met het recht op absolute vrijheid als argument. Dit alles resulteerde in een ware kanteling in het denken en handelen waardoor de gendertheorie steeds méér en steeds ruimer ingang kon vinden: eerst gelanceerd, achteraf eveneens geradicaliseerd om daarna zelfs wettelijk afdwingbaar gemaakt te worden en met strafrechtelijke sancties voorzien indien men daden zou stellen die niet conform de principes van de gendertheorie zijn. Deze gepropageerde absolute vrijheid zou zich voortaan uiten op alle gebieden, zelfs op het wezen van de mens, en vertaald worden in een absolutie autonomie en zelfbeschikking. Ieder kan totaal autonoom beslissen met welk geslacht men door het leven wenst te gaan, zonder rekening te moeten houden met de biologische gegevenheid. Een geslachtsverandering kan voortaan in bepaalde landen wettelijk geformaliseerd worden zonder enige chirurgische ingreep of hormonale behandeling. Meer nog, een kind kan bepalen hoe het voortaan zal worden opgevoed: als jongen of als meisje of als neutraal. Want dit laatste is ook een mogelijkheid geworden, naast en met vele andere varianten. Schoolboeken moeten worden aangepast om alle sporen van het archaïsch onderscheid tussen man en vrouw, tussen vader en moeder te doen verdwijnen. Toiletten worden genderneutraal gemaakt. Het doet me even terugdenken welke reactie ik kreeg toen ik begin de jaren ’90 per abuis in Berlijn een vrouwentoilet instapte. Ik werd er als een vulgaire voyeur nagewezen. Tijden kunnen veranderen, en zelfs heel vlug!

Verdere ontwikkeling

De ganse gender-ideologie werd na Simone de Beauvoir sterk beïnvloed en zogezegd wetenschappelijk onderbouwd door figuren als Judith Butler die in 1984 een dissertatie maakte over het begrip begeerte bij Hegel en die sindsdien als universiteitsprofessor met verve de gendertheorie verkondigt. Volgens haar is identiteit iets vloeiend en flexibel, waarbij geen mannelijke of vrouwelijke wezens bestaan maar waar het zich ‘man of vrouw voelen’ alleen een bepaalde uitingsvorm is die ten allen tijde kan veranderen. Ze ziet derhalve het biologische geslacht van de mens als man en vrouw enkel als een gegeven van de natuur die de absoluut vrije zelfdefinitie van de mens niet aan banden kan leggen. Bijgevolg dienen alle heteroseksuele uitingen in de samenleving te verdwijnen: onderscheid man en vrouw, huwelijk en gezin, vader en moeder, seksualiteit gekoppeld aan vruchtbaarheid en voortplanting.

Hoe is het mogelijk dat deze theorie, of moeten we zeggen, deze ideologie uiteindelijk wereldwijd werd verspreid en nu ook overal greep op heeft?

De Verenigde Naties hebben een niet onbelangrijke rol gespeeld in het verspreiden van de gender-ideologie. De reeds aangehaalde Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (1948) was nochtans heel logisch en duidelijk gebaseerd op het joods-christelijk mensbeeld, geworteld in de bijbel met verwijzing naar Genesis: “Zo schiep God de mens naar zijn beeld, als beeld van God schiep Hij hen, als man en vrouw schiep Hij hen” (Gen. 1, 27). Gelijkwaardigheid van man en vrouw zat inherent reeds vervat in het eerste artikel: “Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.” Maar ook huwelijk en gezin werden er bevestigd als bindweefsel dat de maatschappij bijeenhoudt en ook beschermt: “Zonder enige beperking op grond van ras, nationaliteit of godsdienst, hebben mannen en vrouwen van huwbare leeftijd het recht om te huwen en een gezin te stichten. Zij hebben gelijke rechten wat het huwelijk betreft, tijdens het huwelijk en bij de ontbinding ervan. Het gezin is de natuurlijke en fundamentele groepseenheid van de maatschappij en heeft recht op bescherming door de maatschappij en de Staat” (artikel 16 UVRM).

We kunnen ons thans de vraag stellen in welke mate dit grondbeginsel nog overeind is gebleven en waarom de Verenigde Naties zelf dit beginsel nadien hebben ondermijnd. Dit gebeurde onder invloed van talloze goed georganiseerde en gesubsidieerde westerse lobby-groepen tijdens een aantal belangrijke VN-wereldconferenties.

Via deze wereldconferenties kwam men op een zeer geleidelijke wijze tot een ware paradigma-wissel. De eerste VN-conferentie was deze in Boekarest in 1974 waar werd nagedacht hoe men de wereldbevolking kon reduceren. Daaruit groeide de ‘International Planned Parenthood Federation’, die alles zette op de bevordering van anticonceptie als weg voor de beheersing van de bevolkingstoename.

De VN-wereld-vrouwenconferentie in Beijing in 1995 spitste zich toe op reproductieve gezondheid, “opdat mensen een bevredigend en ongevaarlijk seksleven kunnen hebben en dat ze de toegang tot voortplanting hebben en er in vrijheid over kunnen besluiten, wanneer en hoe vaak ze er gebruik van maken” (nr. 94 van het besluit). Op een gecamoufleerde wijze werd hier het onbeperkt ter beschikking stellen van voorbehoedsmiddelen, en het bevorderen van veilige abortus en sterilisatie gepropageerd. Sindsdien is deze propaganda niet meer afwezig in de acties van de Verenigde Naties en haar ondergeschikte organen die voortaan ontwikkelingshulp koppelen aan de implementatie van deze programma’s. Figuren als Bill en Melinda Gates zullen hier met hun ruime financiële ondersteuning eveneens een niet onbelangrijke faciliterende rol in spelen. Tijdens de conferentie in Beijing werd ook de basis gelegd om abortus tot een mensenrecht te promoveren en om niet meer te spreken over gelijkwaardigheid maar wel gelijkheid tussen man en vrouw. Dit laatste was een directe voorbereiding van wat in 2007 in de zogenaamde Yogyakarta-principes zou worden afgekondigd en die een radicale en niets ontziende doorbraak vormden van de gender-ideologie op alle niveaus van de samenleving. Want alle principes werden telkens ingeleid door de veelzeggende zin: “De staten moeten alle noodzakelijke wetgevende, bestuurlijke en overige maatregelen treffen om…”. En dan gaat het over gender, het openstellen van het recht van het stichten van een gezin voor iedere mens ongeacht zijn seksuele oriëntatie of geslachtelijke identiteit, en het doorvoeren van deze principes via curricula in de scholen, het uitvaardigen van wetteksten enz. Sindsdien wordt er op alle niveaus een harde strijd geleverd om deze principes een wettelijk kader te geven waardoor de eerder afgekondigde grondbeginselen waarop een humane maatschappij moest worden uitgebouwd volledig zouden ontwrichten worden.

Reacties op deze evolutie komen er amper, en wanneer bepaalde Afrikaanse landen het niet eens zijn met de reproductieve gezondheidszorg die hun wordt opgedrongen, worden ze meewarig als achterlijk beschouwd maar tegelijk gemanipuleerd en onder druk gezet: indien ze niet meestappen in de vooropgestelde plannen worden hun ontwikkelingsgelden beperkt. Uiteindelijk is er ook voor hen geen ontkomen meer aan. En zo is de ganse wereld in de greep gekomen van deze ideologie die uiteindelijk een uitvloeisel is van ’s mensen droom om zich absoluut vrij te kunnen gedragen en dit te kunnen uiten in een absolute autonomie en zelfbeschikking. Recht op abortus, recht op euthanasie, recht op het vrij bepalen van het geslacht, recht op… Neen, er lijken geen limieten meer te zijn. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens is hierbij nog slechts een vodje papier, goed om in de archieven te worden opgeborgen. Maar nochtans prijken ze nog steeds in de inkomhal van de gebouwen van de UNO in New York: van hypocrisie gesproken. Ondertussen wordt er echter in de zijgebouwen van diezelfde UNO druk gelobbyd met internationale NGO’s om via alle denkbare en ondenkbare wegen de principes van Yogyakarta te realiseren.

Gevaren van de gender-ideologie

De Congregatie van het Katholieke Onderwijs in het Vaticaan gaf op 2 februari 2019 een tekst uit met de vraag heel voorzichtig en voldoende kritisch om te gaan met de gender-ideologie en wees op een aantal pertinente gevaren die deze ideologie inhoudt.

Het Vaticaan waarschuwt dat via de genderideologie een totaal nieuwe antropologie ontwikkeld wordt die afwijkt van de christelijke mensvisie. Vanuit joods-christelijk standpunt zien we de mens geschapen door God als man en vrouw met de roeping gemeenschap te vormen en vruchtbaar te zijn. In de gender-ideologie wordt het onderscheid tussen man en vrouw als voorgegeven realiteit verloochend en wordt de gemeenschap tussen man en vrouw niet meer essentieel geacht om het menselijk geslacht verder te zetten. Verder huldigt men een totaal individualistisch mensbeeld, waarbij de mens totaal individueel beslissingen kan nemen over zijn leven, los van iedere band met de medemens en met de omringende samenleving. Het personalistisch mensbeeld eigen aan de joods-christelijke mensvisie wordt hierbij volledig genegeerd. Ook de band met de Schepper wordt hier totaal verloochend vanuit de stelling dat de mens zichzelf kan scheppen als man, vrouw of als een neutraal wezen.

Deze Vaticaanse tekst wijst er ook op dat door de genderideologie het instituut familie en gezin in zijn wortels geraakt wordt. Door het unieke van een gezin tussen een man en een vrouw te verwerpen en te vervangen door alternatieven en daar zelfs een wettelijk kader voor te creëren, vernietigt men wat van oudsher de basis vormde van de maatschappij. De beleving van de seksualiteit wordt voortaan een totaal individuele keuze, volledig losgekoppeld van de relatie tussen een man en een vrouw binnen het huwelijk en eveneens volledig losgekoppeld van de voortplanting. Seksualiteit wordt hier verengd tot een louter hedonistisch gebeuren. Door adoptierecht te verlenen aan koppels van hetzelfde geslacht ontneemt men kinderen een normale vader- en moederrelatie en wordt het hebben van kinderen als een recht opgeëist om in eigen behoefte voldoen en niet meer beschouwd als een gave en een daaraan verbonden opgave. Het onbeperkt voorzien van artificiële anticonceptie, het recht op abortus en de mogelijkheid tot sterilisatie is daarvan een logisch gevolg.

De gender-ideologie stelt scholen voor een moeilijke opgave, zeker in landen waar men verplicht wordt om de curricula aan deze ideologie aan te passen, gender-neutrale toiletten in te richten en keuze tot geslachtsverandering te aanvaarden. Indien men weigert loopt men het risico beschuldigd te worden van discriminatie.

Katholieke scholen moeten in lijn blijven met de leer van de Kerk op het gebied van haar visie op het gezin en de seksualiteitsbeleving en dan ook alles in het werk stellen om een christelijke visie op mens en maatschappij te blijven ontwikkelen. Vóór alles zal aandacht moeten blijven gaan naar een opvoeding gericht op de ontwikkeling van een personalistisch mensbeeld bij de jongeren als weerwerk op het individualisme dat overal gepropageerd wordt. Wellicht wordt dit één van de kernopdrachten van ons katholiek onderwijs vandaag.

Ten slotte kan de gender-ideologie gezien worden als een rechtstreekse aanval op de Kerk en haar doctrine die daardoor steeds meer maatschappelijk in de marginaliteit wordt geduwd. Tegelijk staat de Kerk voor een ware uitdaging een nog sterkere profetische rol te vervullen in de huidige maatschappij. Profetie heeft immers steeds twee bewegingen: een beweging om de waarheid te verkondigen en een beweging om af te keuren wat met deze waarheid niet strookt. Wat de gender-ideologie betreft kan de Kerk niet anders dan in alle duidelijkheid deze ideologie af te keuren en dit met duidelijke argumenten. De Kerk moet immers de moed blijven hebben om in alle duidelijkheid zowel te verkondigen als af te keuren en daarmee de gelovigen te helpen om trouw te blijven aan de grondbeginselen van het Evangelie ons gebracht door Jezus Christus zelf.

Br. René Stockman

Mei 2020

 

Bibliografie

  • Congregation for Catholic Education, “Male and female He created them”, towards a path of dialogue on the question of gender theory in education”. Vatican City, 2019, pp. 31.
  • Byrne, Patrick J., Transgender: one shade of grey. Melbourne, Wilkinson Publishing, 2018, pp. 353.
  • Eyck, Kardinaal Willem Jacobus, De gendertheorie: een bedreiging voor het gezin en de verkondiging van het christelijk geloof. Conferentie “Pro Life Forum”, mei 2019.
  • Kuby, Gabriele, De seksuele revolutie. Groningen, De Blauwe Tijger, 2017, pp. 428.

Persoonlijk en algemeen welzijn opnieuw in evenwicht?

Onderstaande tekst werd eveneens gepubliceerd op Kerknet op 5 mei 2020. 

Iedere crisis brengt met zijn lasten ook altijd voordelen mee. Wat zal het zijn met deze coronacrisis? We zien het nog niet, we kunnen er wel naar gissen en over nadenken. Er is zeker iets gebeurd met de mens dat misschien wel onomkeerbaar is. Is het een omslag ten goede of ten kwade?

Alvast is duidelijk dat de spanning tussen het persoonlijke welzijn en het algemeen welzijn als nooit tevoren zo sterk werd aangevoeld. We werden en worden geconfronteerd met ons ware gezicht, waarop angst, zelfbehoud, ja zelfs egoïsme duidelijker wordt, maar tegelijk ontwaren we in onszelf een verlangen om goed te doen, om anderen te helpen; er is een opwaartse stuwing in onze medemenselijkheid waar te nemen. In crisisperiodes vallen vele maskers af, zelfs op het moment dat we maskers moeten opzetten om onszelf en de anderen te beschermen. Steeds gaat het daarom: onszelf en de anderen. Wat weegt met het dragen van deze maskers het meest door: onze drang naar zelfbehoud of onze bekommernis om anderen niet in gevaar te brengen?

We kunnen niet ontkennen dat de balans de laatste decennia steeds meer doorsloeg naar het persoonlijke – of nauwkeuriger geformuleerd, het individuele welzijn – met eraan gekoppeld een dalende bekommernis voor de medemens. Het individualisme in het zog van de vrijheid van de individuele burger eisten steeds meer aandacht en ruimte op en de maatschappij leek zich ernaar te schikken. Het was een langzaam proces sinds John Locke eind 17de eeuw deze individuele vrijheid propageerde, welke ook in de Amerikaanse grondwet een pertinente plaats kreeg toegewezen. De samenleving moet er alles voor doen om de vrijheid van het individu te beschermen, te bevorderen en eventueel te herstellen. In de sociale leer van de Kerk klinkt het iets anders: daar wordt gesteld dat men vanuit het principe van het algemeen welzijn moet streven om de menselijke waardigheid te promoveren. Beiden vertrekken vanuit het algemene, maar het particuliere wordt in de seculiere sfeer toch wel sterk verengd tot de individuele vrijheid. De waardigheid van de mens wordt natuurlijk dikwijls aangetast door aan deze individuele vrijheid beperkingen op te leggen. Dat ervaren we in landen met totalitaire regimes. Maar bij de waardigheid van de mens staat er toch wel meer op het spel dan zijn individuele vrijheid. Meer zelfs, indien men te uitsluitend de nadruk gaat leggen op de individuele vrijheid, dreigt men de aandacht voor de medemens te verliezen. Alles wordt gericht op het eigen welzijn waarbij de andere uit het vizier verdwijnt. De andere mag er nog zijn om ons welzijn te bevorderen, maar daar stopt het ook bij. Als hij deze opdracht niet kan waarmaken, dan duwen we hem heel vlug opzij. Het wordt een streven naar eigen welzijn waarbij de andere nog telt in de mate dat hij een positieve bijdrage kan leveren om dit eigen welzijn te verhogen. Wat ik kan betekenen voor het welzijn van de andere wordt secundair en na een tijd zelfs volledig genegeerd. Het wordt een ieder-voor-zich-mentaliteit. In het individualisme is geen plaats meer voor de andere, waarmee we ook een verschil zien tussen het begrip persoonlijke vrijheid en individuele vrijheid. Want in het personalisme is de andere een realiteit waarvoor ik mij verantwoordelijk voel. Als individu trek ik mij open naar de andere en naar de ruimere gemeenschap. Dat is het wat in de sociale leer van de Kerk doorklinkt als essentieel en waarbij twee andere principes als voorwaarden worden gesteld: de solidariteit en de subsidiariteit. Het is het klavertje vier van de sociale leer van de Kerk: de zorg voor de menselijke waardigheid is een essentieel aandachtspunt binnen de zorg voor het algemeen welzijn, die op haar beurt wordt verwezenlijkt vanuit de principes van solidariteit en subsidiariteit. Dit is een harmonisch model waarbij het een in het andere schuift en het een het andere nodig heeft. De maatschappij staat niet op zichzelf en heeft slechts één doel: het volle welzijn van de burgers helpen verwezenlijken, dat uitgedrukt wordt in het respecteren, het bevorderen en het herstellen van de menselijke waardigheid van iedere persoon. En daarin telt natuurlijk de portie vrijheid waarover iedere persoon moet kunnen beschikken om zijn mens-zijn op een waardige wijze te kunnen uitbouwen en beleven. Maar het moet steeds een gesitueerde vrijheid blijven, rekening houdend met de aanwezigheid van de andere en met de opdracht mee te werken aan de groei van het welzijn, noem het de menselijke waardigheid van de andere en van alle anderen. Paus Paulus VI noemde het de zorg voor de hele mens en voor alle mensen. En dat doen we door solidair te zijn en de regels van de subsidiariteit te respecteren: de verantwoordelijkheid van de andere niet afnemen of fnuiken maar integendeel hem helpen (het woord “subsidium” dat ondersteuning betekent) om zelf in verantwoordelijkheid te groeien.

Terug naar onze coronacrisis en de tijd erna. Zal de ervaring die we tijdens de lockdown-periode hebben opgedaan ons helpen om het individualisme waartoe we aan het afglijden waren opnieuw te vervangen door een gezond personalisme, waarbij we terecht zorg dragen voor ons eigen welzijn, maar ook voor het welzijn van de andere en uiteindelijk voor het algemeen welzijn? En dat we dit doen op een wijze waarop er helemaal geen spanning moet bestaan tussen deze drie, wel integendeel. Zullen we onthouden hoe belangrijk de aandacht voor de andere ook is voor ons persoonlijk welzijn? Zij die noodgedwongen afgezonderd waren van hun geliefde familieleden hebben dit zeker ervaren en moeten nu deze ervaring meedragen en zelfs koesteren.
Zullen we het belang van de inzet voor de anderen onthouden, die in de zorg voor hen die het slachtoffer werden van het coronavirus, toch op een grandioze wijze vorm kreeg?
Zullen we met grotere eerbied omgaan met onze natuur, nu we hebben ervaren hoe helderder de lucht was toen we verplicht onze auto op stal moesten laten en de vliegtuigen op de landingsbanen stonden geparkeerd en we snakten naar een verfrissende wandeling in een nabijgelegen bos? Of zullen we vlug opnieuw dromen van verre reizen naar exotische plaatsen en vergeten hoe exotisch het wel is in eigen omgeving?
Zullen we bekommerd blijven om het welzijn van mensen in andere continenten, ook wanneer er geen cijfers meer komen over hoeveel corona-doden er daar vallen? Er ontstond een mondiaal aanvoelen dat anders was dan wat we tot nu verstonden onder mondialisering. Het kreeg een totaal andere invulling dan de economische die we er gewoonlijk aan gaven.
En zullen de politieke overheden zich blijven focussen op de mens en alles wat de menswaardigheid moet bevorderen, waaronder ook de economie valt? Of zullen heel vlug mercantiele belangen hun voorrang opeisen op de politieke agenda’s, met het gevaar dat de mens opnieuw naar de tweede plaats verschuift? En zullen dezelfde politieke overheden zich niet opnieuw laten meeslepen door de eisen die vanuit een individualistisch mensbeeld worden gesteld en die nog alleen oor hebben voor de absolute zelfbeschikking, de absolute vrijheid en de absolute autonomie?

Het blijven open vragen en de enigen die er positieve antwoorden kunnen op geven, zijn wijzelf. Het begint bij de concrete keuzen die we maken. Hopelijk zijn die als de kringen die zich op het wateroppervlak geleidelijk uitspreiden en welke veroorzaakt werden door een kiezelsteentje dat erop gegooid werd. Er verschijnen vandaag vele filmpjes die de coronacrisis vanuit verschillende standpunten belichten Eén ervan ontving ik gisteren. Het betrof een vader die aan zijn kleine kinderen in sprookjesvorm vertelt wat er gebeurde in 2020 en hoe dit de wereld grondig veranderde. En ze leefden lang en gelukkig, de mensen die positieve lessen trokken uit de crisis. Of zal het tot een sprookje beperkt blijven?

Br. René Stockman

Mei 2020

Van strijd voor de dood naar strijd tegen de dood

Onderstaande tekst werd gepubliceerd in het christelijk weekblad Tertio nr. 1055 van 29 april 2020. 

Het kan verkeren, dat wist Bredero reeds, en soms zelfs heel vlug. Toen enkele weken geleden de aandacht van de media in Vlaanderen toegespitst was op de euthanasiezaak waarbij geneesheren voor het Hof van Assisen moesten verschijnen omdat ze de voorschriften rond het correct uitvoeren van euthanasie met de voeten hadden getreden, focust de pers zich thans quasi volledig op de corona-pandemie. Van een strijd voor de dood naar een strijd tegen de dood. Toen het pleit in het voordeel van de geneesheren werd beslecht, was er gejuich op de banken en het werd voor sommigen tijd om de euthanasiewetgeving nu maar snel verder uit te breiden. Demente bejaarden zouden het recht moeten hebben om euthanasie te plegen, als ze daarvoor ooit een wilsbeschikking hebben neergeschreven maar het op een later ogenblik niet meer kunnen bevestigen omwille van hun dementie. Maar wie zal daarover beslissen? De persoon met dementie zelf alvast niet meer, maar derden die vinden dat aan de in de wilsbeschikking genoemde voorwaarden zijn voldaan. Dit zou dan zelfbeschikking worden die door anderen wordt overgenomen. In welke mate zullen bejaarden echter nog in volle vrijheid vanuit eenzelfde recht op zelfbeschikking durven of kunnen kiezen om een natuurlijke dood te sterven?

We leven immers in een mentaliteit van utilitarisme waarbij een sfeer wordt gecreëerd dat men als bejaarde persoon niet tot last mag zijn van de familie, van de gemeenschap, van de staatskas. Als we dit durfden uitspreken enige weken geleden, werden we alvast naar de maan geschoten. Deftige burgers uit de eenentwintigste eeuw die we zijn gaan mensen toch niet taxeren op hun nuttigheid? Euthanasie is toch een goed voor de mens, een nieuwe verworvenheid? Het werd door de voorstanders zelfs verheven tot een werk van barmhartigheid.

Maar het kan verkeren, en soms zelfs heel vlug. De sfeer van utilitarisme kwam heel duidelijk tot uitdrukking in de ‘ethische code’ die het opnamebeleid op intensieve zorgen zou moeten rechtvaardigen en de gewetens van artsen en verplegenden moest sussen.

Er werd immers naarstig becijferd hoeveel bedden en beademingstoestellen men beschikbaar had op de intensieve zorgen. Ethische commissies werden samengeroepen en daarin werd voorgesteld aan de rust- en verzorgingstehuizen om bejaarden met weinig kans op genezing ter plaatse te houden om de bedden en beademingstoestellen in de ziekenhuizen voor te behouden voor de jongeren. Men vond dit een ‘humaan beleid’ en op deze wijze zou de beschikbare ziekenhuiscapaciteit voldoende zijn, zeker voor de ‘actieve’ bevolking. Wetenschappers, politici en ethici dachten de goede keuzen te hebben gemaakt en ze waanden zich in België goed voorbereid en veilig. Bezoek aan de rusthuisbewoners beperken en zelfs verbieden en handen goed wassen vooraleer het centrum te betreden zouden voldoende moeten zijn.

Maar ook hier kon het verkeren, en soms heel vlug. De stelling en het uitgangspunt dat men het virus uit de woonzorgcentra zou kunnen buitenhouden, waren onmogelijk en dus ongeloofwaardig. Men wist toch op basis van de Italiaanse en Spaanse toestanden dat vooral ouderen de eerste slachtoffers zouden worden van het corona-virus en de ethische commissies beslisten vooraf om de voorrang te geven aan jongeren op intensieve zorgen indien er op die afdeling keuzen zouden moeten worden gemaakt.

Valt het daarom te ontkennen dat vele bejaarden, zorgverleners, mensen met een handicap in residentiële centra en psychiatrische patiënten in de psychiatrische verzorgingstehuizen in deze coronacrisis dagelijks en concreet voelen dat ze slechts op de tweede of derde plaats komen, bij het nemen van afdoende maatregelen? Zij voelen zich minstens behandeld als ‘tweederangsburgers’ als het er echt op aankomt in de samenleving om keuzes te maken. Dit bleek uit tal van getuigenissen uit die sectoren. Wie vertolkt de angst van deze mensen en neemt hun verdediging op?

Wat in het euthanasieproces van Tine Nys met allerhande versluierde en mediagenieke uitlatingen werd gecamoufleerd, komt nu ten volle aan het licht: onze ‘deftige’ burgers degraderen met een ethisch sausje een grote groep personen tot minderwaardige tweederangsburgers wiens leven – als het er op aankomt – minder waard is dan dat van anderen.

Het is niet onze bedoeling thans schuldigen aan te duiden, maar het echte pijnpunt blijft de initiële keuze die werd gemaakt om de bejaarden van de intensieve zorgen weg te houden en geen extra ondersteuning te voorzien aan de rust- en verzorgingstehuizen waar de grootste risicogroep verbleef, ook al werd deze stelling nadien afgezwakt door enkele artsen toen bleek dat er toch nog capaciteit over was op intensieve zorgen en ook bejaarden er kunnen worden opgenomen. Schoorvoetend moet men echter wel bekennen dat er minder doden zouden zijn geweest indien men het anders had aangepakt. Met andere ethische uitgangspunten dus! Blijkbaar zijn ook ethici die moesten nadenken over de te nemen maatregelen ook kinderen van hun tijd die het nuttigheidsdenken dat in onze samenleving momenteel hoogtij viert, blindelings achterna hollen. Kennelijk is de nuttigheidsgedachte ook voor hen niet zo een ‘vies’ woord.

Onze samenleving telt nu twee groepen: de nuttigen en de onnuttigen. Tijdens het coronavirus zijn het de bejaarden, maar wie zullen de volgende groepen zijn na het coronavirus, want die tijd komt er ook?

Zal het masker van de absolute zelfbeschikking en van de valse barmhartigheid weer worden opgezet, maar zal daaronder het virus van het utilitaristisch denken voortwoekeren? Tot er een ander moment zal komen dat maskers vallen en men toch opnieuw moet bekennen dat het utilitariteitsprincipe steeds meer veld wint en zelfs de overhand haalt in het Westen.

Maar misschien kan het toch nog verkeren en heeft men door deze pandemie de waarde van ieder leven opnieuw mogen ontdekken en ook de broosheid ervan. En vooral dat de macht die we dachten over het leven te hebben, toch heel relatief is. Hopelijk hebben de bovenmenselijke inspanningen die velen hebben geleverd en nog aan het leveren zijn om levens te redden, hen die met een evidentie het euthanasie-spuitje propageren en hanteren even tot nadenken gezet.

Br. René Stockman

April 2020

Waar is God in deze coronatijd?

Waar is God in deze coronatijd? Het is een vraag die we geregeld horen en ook lezen. Sommigen zien er de directe hand van God in, van de straffende God die aan de mensen wil zeggen dat ze toch te ver zijn afgeweken van zijn geboden. We horen deze stemmen vooral in Amerika en Afrika. Anderen zien er een teken in dat God onrechtstreeks geeft en ons daarbij wil wijzen op de ecologische fouten die we hebben gemaakt door zijn schepping niet te respecteren. Deze laatsten hebben natuurlijk een punt want vandaag las ik nog een wetenschappelijk artikel waarin werd gesteld dat we nog meer moeilijk te beheersen epidemieën zullen mogen verwachten omdat er een grootschalige vernieling van de ecologische systemen heeft plaatsgevonden waarbij de natuurlijke evenwichten grondig zijn verstoord. Velen in het Westen zien helemaal geen verband tussen de coronapandemie en God, omdat ze God helemaal uit hun denkschema’s hebben geschrapt zodat Hij niets meer te maken heeft met wat er in de wereld gebeurt. Sommigen roepen God ter verantwoording en vragen zich af waarom Hij dit toelaat en Hij niet tussenkomt. Nog anderen vinden nu juist in het gebed tot God soelaas en sterkte. Nu er geen Paasvieringen in de kerken konden plaatsvinden, bleek het aantal kijkers op internet en tv naar de Paasvieringen bijzonder hoog. Wanneer mensen zich in nood bevinden vinden blijkbaar heel wat mensen terug de weg naar de kerk, naar het gebed, naar God. Hij wordt opnieuw de zekerheid in een tijd dat alle andere gewaande zekerheden het laten afweten.

Maar waar is God echt in deze coronapandemie? Is Hij er of is Hij er niet, en als Hij er is, welke band kunnen we zien tussen God en corona? We kunnen geen sluitend antwoord geven op deze vraag. Nochtans is het de moeite waard om als christengelovige even stil te staan bij deze boeiende vraag.

Tijdens vroegere eeuwen werden ziekten en alles wat onverklaarbaar was rechtstreeks aan een tussenkomst van God toegeschreven. Toen in de Middeleeuwen de pest uitbrak werd dit door de samenleving beschouwd als een straf voor de zonden die men persoonlijk en als gemeenschap had begaan. De oorzaken van de pest konden echter door de wetenschap worden achterhaald en ook voor het coronavirus zijn er wetenschappelijke verklaringen, hoewel deze op dit ogenblik nog niet eensluidend zijn. Men gist nog steeds naar de ware oorsprong en naar de wijze waarop het virus de mens heeft kunnen besmetten. In ieder geval is het coronavirus wetenschappelijk verklaarbaar. Is het dan volkomen onzinnig om in het kader van een pandemie over God te spreken?

In de Bijbel heeft ziekte, lijden en dood te maken met de disharmonie die in de mens aanwezig is. In het scheppingsverhaal, waarin de ware natuur van de mens wordt beschreven, wordt op een sublieme wijze de band tussen God en de mens beschreven en wordt ook gepeild naar de oorzaak van deze disharmonie.

Het scheppingsverhaal is méér dan een louter mythisch verhaal, maar bevat een aantal fundamentele theologische, filosofische en antropologische reflecties over mens en wereld. De mens werd door God naar zijn beeld en gelijkenis geschapen en leefde in oorsprong in totale harmonie met zijn Schepper, met zichzelf, met de medemens en zijn omgeving. De mens was verheven boven de vergankelijkheid die in de ganse natuur aanwezig was en is.

In het scheppingsverhaal wordt ook de realiteit van het kwade -de duivel genoemd- vermeld als de oorzaak van de breuk in de harmonie. Met de breuk in deze harmonie is een einde gekomen aan de onsterfelijkheid van de mens en werd deze onderhevig aan de vergankelijkheid. Dit verklaart voor een christengelovige ziekte, lijden, aftakeling en dood. God is daarvan niet de oorzaak en het is ook geen straf van God, maar het is wel de consequentie van de gebroken harmonie tussen mens en God.

Lijden in het algemeen kunnen we dus niet los denken van het kwade waarmee de mens voortdurend geconfronteerd wordt. Ziekmakende en dodende virussen behoren tot dit kwade en kunnen mens en dier treffen zoals alle andere ziekten.

Maar is daarmee alles gezegd en hebben het lijden en de dood dan het laatste woord? Uiteraard niet. Als christengelovigen belijden we immers dat door de komst van Christus, door zijn lijden en dood en door zijn verrijzenis de mens verlost werd en van de uitzichtloosheid van de dood. De disharmonie die door de dood in het aardse leven wordt veroorzaakt, wordt definitief hersteld tot harmonie in het eeuwig leven. Het is dit mysterie dat we telkens opnieuw met Pasen en tijdens elke eucharistie mogen vieren.

Als christenen worden we echter ook aangespoord om het lijden niet passief te ondergaan, maar er lessen uit te trekken. Was deze pandemie onvermijdelijk? Is zij het gevolg van wetenschappelijke experimenten, van het onverantwoord omgaan met dieren, met het verstoren van het evenwicht van ecologische systemen ? Paus Franciscus laat niet na de mens op al deze gebieden op zijn verantwoordelijkheid te wijzen. Hij nodigt uit om ons te bezinnen over de wijze dat we een belangrijke dimensie in ons leven verloren hebben en deze opnieuw moeten opnemen, namelijk de zorg voor moeder aarde. In de Bijbel zijn er heel wat passages over de wijze waarop God de natuur gebruikt om mensen tot inkeer te brengen. Denken we maar aan de plagen van Egypte en aan de beschrijvingen over het einde der tijden dat zou worden voorafgegaan door allerlei plagen.

Wanneer de mens zich niets aantrekt van de desastreuze gevolgen van de vernietiging van de ecologische systemen, wanneer hij een leven gaat leiden dat ingaat tegen zijn menselijke waardigheid, ja zelfs tegen zijn menselijke natuur, kan men zich de vraag stellen of de mens niet zelf het einde van de tijden aan het veroorzaken is?

De coronapandemie moet dus een moment van bezinning worden, niet alleen over onze ecologische wandaden maar ook over ons verlies van menselijke waardigheid en de zonden tegen onze menselijke natuur.

Hier komen we dicht bij de theologie van Paulus die uitdrukkelijk aangeeft hoe alles een zin heeft, maar het aan ons is om daarin een zin te ontdekken, in zowel het goede dat ons overkomt als het kwade, en dat speciaal het lijden ons tot loutering kan brengen. Opkijkend naar het kruis, waar we getuige zijn van het ogenschijnlijke meest onzinnige lijden, geloven we dat het via de weg van dit lijden was dat we als mens zijn verlost van de uitzichtloosheid in ons leven. Deze pandemie die ons thans in quarantaine plaatst kan ons aansporen om echt ‘bevrijde mensen’ te worden en de vrijheid die ons door God steeds opnieuw geschonken wordt in te vullen naar het voorbeeld van Christus. De vrijheid is het hoogste goed dat we als mens hebben ontvangen en dat ons anders maakt dan al het ander geschapene.

In deze coronatijd wordt ook de vraag naar de zinvolheid van het gebed wel eens opgeworpen. Waarvoor zouden we nog bidden, als God dit alles toelaat? Kunnen we bidden dat Hij ons zou beschermen tegen het virus, dat Hij ons kracht zou geven in het lijden dat een eventuele besmetting zou teweegbrengen, dat Hij speciaal hen die de geven om het vol te houden?

Als christengelovigen mogen we alles wat ons bekommert vertrouwvol aan God voorleggen. We kunnen ook voor anderen bidden, zowel voor levenden als doden. Dit is zelfs een werk van barmhartigheid. God is in de diepte betrokken op ons leven en op alles wat er gebeurt. Hij is ons nabij en lijdt met ons mee. God is echter geen “deus ex machina”, alsof Hij op een magische wijze zou tussenkomen en het gebeuren volledig naar zijn hand zetten. Daarmee zou Hij onze menselijke vrijheid niet respecteren, want dat heeft Hij intact gelaten vanaf onze schepping, ook op het moment dat er een breuk is gekomen tussen Hem en de mens.

God heeft de mens uit liefde geschapen, en juist omwille van die liefde aan de mens de vrijheid gegeven om zijn leven uit te bouwen en in totale vrijheid een antwoord te geven op Zijn uitnodiging om al dan niet in zijn liefde te treden, met Hem in relatie te treden, in Hem te geloven of niet. Het gebed is het moment bij uitstek om bij God te vertoeven en onze relatie met Hem te laten groeien.

Indien God zou raken aan onze vrijheid, zou hij raken aan het meest wezenlijke van ons mens-zijn. Met deze vrijheid kunnen we heel veel goed doen, maar spijtig genoeg ook heel veel kwaad. Zou het kunnen dat de mens- door zich hoe langer hoe meer als heer en meester van de schepping te gaan gedragen door alles naar zijn hand te zetten- zich immuun is gaan achten, ook voor dergelijke dodelijke virussen?

Was het geen vorm van hoogmoed te leven in de veronderstelling dat pandemieën en dodelijke virussen tot de geschiedenis behoorden? Volgens het reeds aangehaalde Bijbelverhaal is hoogmoed de oorzaak van alle zonden is en ook de grootste zonde die we kunnen bedrijven: het is de mens die zijn eigen god wil worden en zijn.

Bidden kan ons helpen om opnieuw nederig te worden en af te dalen van de goddelijke troon die we voor onszelf aan het opeisen waren. De machteloosheid en angst die velen thans ervaren kan een uitnodiging zijn om ons te bekeren en opnieuw op te kijken naar God in plaats van op Hem neer te kijken vanuit onze menselijke hoogmoed. Misschien ontstaat het gebed momenteel bij velen als een noodkreet omdat we ons echt bedreigd voelen ins ons bestaan – in de ijdele hoop dat God toch maar zou tussen komen als een ‘deus ex machina’. Dit kan echter ook een moment worden waarin we ons keren tot God en Hem (her)vinden als de God die er voor ons is, die ons niet in de steek laat, ook niet in deze coronacrisis, als een God die zich Liefde laat noemen. Het kan het moment worden dat we God hervinden als een vergeten jeugdvriend die we al lang dood waanden en Hem opnieuw als God toelaten in ons leven.

Waar is God in deze coronatijd? Hij is er, zoals Hij in alles en allen aanwezig is, maar niet steeds zoals wij het graag formuleren of met een zekere verbetenheid beweren. Maar laten we maar vertrouwvol tot Hem bidden en hopen dat allen die op de een of andere wijze met deze coronapandemie wordt geconfronteerd Hem opnieuw ervaren als de Heer van het leven, de Heer van de levenden en de doden, ook van hen die bij deze corona geheel onverwacht tot Hem mochten treden.

Br. René Stockman

April 2020

Corona doet ons verstillen

Sinds ik in Rome woon, heb ik het er nooit zo stil geweten. Geen claxonnerende wagens, geen gezang uit de nabijgelegen bar, en ook de natuur lijkt er rustiger dan gewoonlijk. De lucht is er zuiverder dan voorheen en op straat ziet men alleen nu en dan een dame die de hond even buitenlaat. Wanneer de zon schijnt, zitten de mensen op hun terras, de enige plek die velen hebben om even aan de vier muren van hun niet te groot appartement te ontsnappen. Al drie weken zitten we in volledige lockdown, iets dat ik me voorheen moeilijk kon voorstellen wat dit kon betekenen. De eerste dagen was het organiseren van het huis: wie zou de boodschappen doen, hoe spreken we af met de kok, kan het huispersoneel nog komen? De door de traditie opgebouwde afspraken tussen de twee communiteiten die hier onder hetzelfde dak leven, moesten even worden bijgeschroefd. Geleidelijk aan ervaart men dat deze lockdown toch heel wat ingewortelde gewoontes aantast. Neen, even naar de stad om een boek te kopen bij de gekende Pauloni zit er niet meer in. Onze zondagse eucharistieviering bij de icoon ‘Salus Populi Romani’ in de Santa Maria Maggiore, gevolgd door een wandeling in één van de nabijgelegen parken in Rome, moet eraan geloven. En ook al verlaten we in de week gewoonlijk alleen maar het huis voor afspraken of vergaderingen, die nu alle zijn weggevallen, alleen het gevoel dat we niet verder mogen dan de poort raakt ons psychologisch. Ook de geplande reizen moesten worden geannuleerd, en plots werd het me duidelijk dat een conferentie die ik aan het voorbereiden en uitschrijven was voor India, zeker niet zou doorgaan. Onze studenten zitten uren voor het scherm van hun pc, want de universiteiten zijn voor onbepaalde duur gesloten en de lessen worden op een ongecoördineerde wijze verdergezet op afstand. Ik zeg wel ongecoördineerd, want iedere professor denkt blijkbaar dat hij of zij de enige is die heel veel taken moet geven om de dreigende verveling bij de studenten te bestrijden. Neen, vervelen doen ze zich niet, wel zuchten dat ze amper voldoende tijd hebben om de vele lectuuropdrachten af te werken. Gelukkig vinden ze wat afwisseling in de activiteiten die we voor hen in huis organiseren. Ons huis heeft er nog nooit zo kraaknet bij gelegen, de ramen nog nooit zo dikwijls gepoetst, en kelders opgeruimd en de bibliotheek geordend.

Maar buiten woedt het coronavirus, en dat moeten we proberen buiten te houden. Aan de buitendeur ligt een speciale mat doordrenkt met een ontsmettingsmiddel, en op verschillende plaatsen staan flessen met alcohol. Dat ze veelvuldig worden gebruikt getuigt dat we ze voortdurend moeten aanvullen. Er worden afspraken gemaakt hoe we op een veilige wijze de afwas kunnen doen. Afstand houden is een nieuw begrip, natuurlijk niet zo moeilijk voor celibatairen die niet gewoon zijn mekaar te beknuffelen. Maar voor Italianen ligt dit wel moeilijker, want ze zijn gewoon om mekaar met twee kussen te begroeten. De gesprekken gaan voor 90 % over corona. Hoeveel doden hebben we vandaag in Italië? Hoelang zullen we nog in deze lockdown moeten blijven? Hoe zit het in andere landen? Is het waar dat de medicatie tegen malaria ook zou helpen tegen corona? Hoe zat het nu met die quarantaine die voor het eerst in Venetië werd ingevoerd om te proberen de pest in te dammen? Zowel de burgerlijke als de kerkelijke overheden zenden ons geregeld heel concrete aanwijzingen met de vraag deze in de praktijk strikt na te leven. Neen, we hadden niet onmiddellijk verwacht dat onze Italiaanse burgers deze zo stipt gingen opvolgen. Met hun mentaliteit van jaknikken, maar er tegelijk aan toevoegend “ma non troppo” – wat vrij vertaald betekent: niet overdrijven – kunnen we niet anders dan hen bewonderen voor hun mentale ommekeer in deze ongewone tijden.

We denken aan die vele slachtoffers die er nog dagelijks bijkomen, aan die mensen die op een ellendige wijze en in eenzaamheid moeten sterven. Zojuist zag ik nog beelden van Bergamo, waar een parochiepriester helemaal alleen de laatste gebeden uitspreekt over niet minder dan twintig kisten, twintig mensen die alleen maar medisch personeel naast zich zagen, gekluisterd aan sondes en beademingstoestellen, en het tijdelijke met het eeuwige wisselden en die nu zonder de aanwezigheid van hun familie na dit kort gebedsmoment met een legercamion naar het kerkhof zullen worden afgevoerd. Daar kan niemand onbewogen bij blijven.
En dan het ziekenhuispersoneel, dat zich voor onmogelijke situaties bevindt en het amper zelf nog aankan en met de voortdurende angst rondloopt om zelf niet gecontamineerd te worden. De witte vlaggen die de bevolking op vele plaatsen uithangt mag hen aanmoedigen, maar neemt de zwaarte van hun taak niet weg.

Op zondag 15 maart zagen we Paus Franciscus als een eenzame pelgrim van Santa Maria Maggiore tot aan San Marcello wandelen, startend bij de afbeelding die door de Romeinen zo geliefd is, de reeds genoemde ‘Salus Populi Romani’, om er te eindigen bij het pestkruis dat in de San Marcello-kerk hangt en dat bij de pest in Rome door de straten werd gedragen. Hetzelfde kruis stond op vrijdag 27 maart op het Sint-Pietersplein, waar dezelfde eenzame Paus voor een verlaten plein een aanbidding hield en zowel bij de afbeelding van de Madonna en het kruis in stilte bad vooraleer de zegen ‘Urbi et Orbi’ uit te spreken, de zegen die normaal alleen maar op Kerstmis en op Pasen klinkt. Deze pauselijke zegen is over de stad en de hele wereld en heeft nooit zo intens geklonken als nu.

Corona doet ons confronteren met onze fragiliteit. Het is een onzichtbare vijand die ons bedreigt en die onze gewaande zekerheden doet wankelen. Het is treffend dat de Italiaanse eerste minister welbewust het woord “oorlog” in de mond neemt wanneer hij de zoveelste maatregel aankondigt. We zijn in oorlog tegen een onzichtbare vijand, en dit maakt ons zo onzeker, want door de willekeur waarmee de vijand zich verplaatst moeten we voortdurend onze strategieën aanpassen. Er werden reeds vele zogenaamde wetenschappelijk onderbouwde theorieën gepubliceerd die de volgende dag totaal ondergraven werden. De mens die dacht steeds meer alles in handen te hebben, moet nu bekennen dat hij tegen deze onzichtbare vijand, die alleen met de microscoop te ontwaren is, niet is opgewassen. Is dat de les die deze vijand ons wil leren: dat we mens moeten blijven, schepsel en goede beheerder van wat ons in handen is gegeven en niet de verwaande heer en meester van het geschapene, de mens inbegrepen? Waar zitten we nu met al onze plannen, onze berekeningen, onze goed gevulde bankrekeningen wanneer plots het coronavirus aan de deur staat en dit alles in één seconde wegveegt, tot een illusie maakt? “Gedenk, o mens, dat ge stof zijt en tot stof zult wederkeren”, klonk het vroeger bij het ritueel van de asoplegging op Aswoensdag. Theologisch klopt het niet dat we tot stof wederkeren, want we geloven in het volle leven in de verrijzenis, in de opstanding van lichaam en ziel, maar de verwijzing naar het stof en de as die we op het hoofd meekrijgen is wel heel toepasselijk bij deze pandemie. Het doet ons echt confronteren met onze vergankelijkheid als mens in deze wereld, met het feit dat we hier geen blijvende woning hebben, dat alles wat we hier opbouwen eens zal vergaan. Fragiliteit is een woord dat velen van ons uit hun woordenschat hadden geschrapt en dat er nu opnieuw zal moeten aan worden toegevoegd. Het zal ons onwillekeurig begeleiden om de werkelijkheid anders te bekijken, er anders mee om te gaan en hopelijk ook andere prioriteiten te leggen. Het kan ons ook helpen anders te gaan kijken en om te gaan met mensen die met een ernstige fragiliteit moeten leven: mensen met een handicap, mensen met een chronische ziekte, mensen die heel vlug als nutteloos in de maatschappij worden afgeschreven. Natuurlijk, als we dit alles niet te vlug vergeten, want ook dat is typisch menselijk: dat we de lessen uit het verleden zo vlug in de vergeetput stoppen om ons opnieuw ten volle over te geven aan onze drang naar meer macht, meer geld, meer genot.

De pandemie, die nu echt een mondiale omvang heeft genomen, is ook een roep tot grotere solidariteit. Ook dat wil corona ons leren. De solidariteit bestaat erin dat landen mekaar helpen, dat miljarden plots vrij kunnen komen om zowel de huidige gezondheidszorg te ondersteunen als de totaal ontwrichte economie naderhand te herstellen. Het bestaat erin dat mondmaskers worden aangevoerd en tot zelfs in de gevangenissen worden gemaakt. En natuurlijk is er geen grotere solidariteit te beschrijven dan bij die vele gezondheidswerkers, die nu met het gevaar van hun eigen leven zich voor anderen blijven inzetten, en ook zij die de vele nevendiensten heel getrouw blijven vervullen, want ze willen hun medemens in nood niet in de steek laten. Iedere morgen hoor ik om 4 uur de vuilniswagen door onze straat trekken om dit niet begeerlijke opkuiswerk trouw te blijven vervullen. We hebben tijdens de voorbije zomer hier in Rome gezien en geroken wat het betekent wanneer deze mensen omwille van een staking even de boel lieten liggen. Deze mensen worden soms vergeten in onze oplijsting van wie nu uitblinkt in solidariteit. En van onze broeder die dagelijks naar het grootwarenhuis trekt om er de nodige inkopen te doen hoor ik hoe het kassapersoneel daar trouw op post blijft en met veel geduld de vele klanten vriendelijk blijft bedienen. Solidariteit uit zich hier in het verrichten van het kleine goede, zoals Levinas het ooit zo treffend uitdrukte. Maar ook het stipt naleven van de opgelegde maatregelen getuigt van een solidariteit: we willen mekaar niet ziek maken, we willen er echt zijn voor mekaar in deze benarde tijden. Ten slotte kunnen we ook onze eigen opgelegde eenzaamheid beleven in solidariteit met die velen die in de bejaardentehuizen, in de ziekenhuizen of in hun klein appartementje de afwezigheid van hun geliefden als zeer pijnlijk ervaren en beleven. Het is eerder een spirituele solidariteit die we hier kunnen ontwikkelen, en daarmee een zin geven aan hetgeen we wellicht heel spontaan als een negatieve beperking van onze vrijheid ervaren.

Er is niemand die niet geconfronteerd wordt met deze crisis, en ieder wordt uitgenodigd om er op een heel persoonlijke wijze een antwoord op te geven. Velen worden opgevorderd om er heel direct mee bezig te zijn, denken we bijvoorbeeld aan de wetenschappers die nu onverdroten op zoek zijn naar een vaccin en een geschikte therapie. Maar ook zij die genoopt zijn om gewoon binnen te blijven om ervoor te zorgen dat de verdere verspreiding kan worden beheerst, worden uitgenodigd om dit als een specifieke verantwoordelijkheid te zien. Het kunnen momenten worden dat men dichter en intenser met mekaar zal gaan leven, dat men meer van mekaar zal moeten gaan verdragen, omdat men niet op de vlucht kan gaan voor mekaar en weg van mekaar. Voor sommigen zal de opgelegde afstand juist een grotere nabijheid doen groeien, een gevoel dat we mekaar echt nodig hebben, een herontdekking hoeveel we voor mekaar toch wel mogen betekenen. Op spiritueel vlak worden we opgeroepen om op een andere wijze anderen nabij te zijn. Wat we niet kunnen doen als lichamelijk werk van barmhartigheid, het zorgen voor hen die ziek zijn en zelfs hen bezoeken, kunnen we nu transformeren in een spiritueel werk van barmhartigheid, het bidden voor allen, voor de levenden en de doden. Wanneer het lichamelijk nabij zijn niet meer kan, krijgt deze spirituele nabijheid meer groeikans. Het is opvallend hoe zelfs de vroegere zogenaamde pestheiligen opnieuw tevoorschijn worden gehaald: de heilige Sebastiaan, de heilige Rochus en de heilige Rosalia. Er schijnt nu zelfs een heilige Corona te hebben bestaan, met relieken in de dom van Aken, die speciaal tegen de besmettelijke ziekten werd aanroepen en die door het stof van de tijd letterlijk was vergeten en nu onder dat stof is tevoorschijn gehaald.

Hoe zal de wereld er na corona uitzien? Hoe zal ons leven eruit zien? We kunnen het vandaag nog niet zeggen, want we zitten er nog volop in, we weten zelfs niet voor hoelang nog. We moeten vandaag geen plannen maken voor onze vakantie, want misschien zal die er dit jaar niet komen. Het leert ons dat dit alles niet essentieel is voor ons leven, en zoals met de vakantie verliezen veel zogenaamde essentiële zaken hun gewicht. In de stilte die ons wordt opgelegd en die rondom heerst, groeit het besef dat we het inderdaad met heel wat minder kunnen. Het doet me onwillekeurig terugdenken aan een recent bezoek in Ethiopië, waar ik op nieuwjaarsdag met een priester van Gambella aan de grens van Zuid-Soedan enige dorpen bezocht. Het werd een nieuwjaarsdag die ik niet gauw zal vergeten. Deze mensen zullen nooit denken aan hun vakantie, maar alleen hoe ze voldoende eten zullen hebben voor de volgende dag. Ik ging met hen naar de stroom waar de mannen aan het vissen waren, de vrouwen hun schamele kleren aan het wassen waren en de kinderen zoals overal aan het ploeteren waren. Hier dacht men helemaal anders over wat essentieel is in het leven. Ik besloot dit bezoek bij een Italiaanse priester uit Milaan die er nu één jaar verbleef en had gekozen om een paar jaar het leven van deze mensen te delen. Hij deelde er in hun soberheid, maar ook in het hervonden geluk in heel kleine, eenvoudige zaken. “Ben je niet eenzaam hier, zo ver weg van uw geliefden?”, vroeg ik hem. Ja, soms was het hard om te dragen, dat kon hij niet ontkennen, maar hij had hier iets ontdekt wat hij al lang had verleerd: het belang van het kleine goede. En dat kleine goede was op dat moment dat jongetje dat aan zijn deur kwam schreien omdat het zijn voet had verwond en dat door deze priester getroost werd die de wonde verzorgde op een in onze ogen zeer onhandige manier. Maar het kleine goede was er gebeurd: het kind hield op met schreien en in de ogen van de priester straalde iets van een intens gevoel dat hij hier zijn priester-zijn, en eigenlijk zijn medemens-zijn, op een heel concrete wijze gestalte aan het geven was. In zijn eenvoudig kerkje was hij op een even onhandige en in onze ogen weinig artistieke wijze een kruisweg aan het schilderen. Er was nog een open plek, dat was voor de verrijzenis dichtbij het tabernakel. Met Pasen zal hij zeker dit laatste tafereel hebben afgewerkt, maar ik gis hoe dit er zou kunnen uitzien. Want wellicht zal dit steeds één van de moeilijkste taferelen blijven om in vorm en kleur en zelfs in woorden uit te drukken. Maar we mogen het wel in ons hart beleven wat het betekent mensen te zijn die op weg zijn naar die verrijzenis. Misschien zal de dag dat we horen dat de wereld corona-vrij is en dat we opnieuw onze huizen in alle vrijheid mogen verlaten, iets van die verrijzenisvreugde mogen teweegbrengen. Wie had ooit gedacht om de veertigdagentijd dit jaar als gevangenen in eigen huis te moeten doorbrengen! En wellicht zullen we ook Pasen slechts met een ingehouden vreugde mogen vieren. Maar toch zal het ons zeggen dat er leven is na corona, zoals er ook leven is na de dood. Het moge ons een troost en ook een aanmoediging zijn om ons niet door de angst te laten grijpen. Met dit beeld sprak ook Paus Franciscus in zijn homilie voor het lege Sint-Pietersplein, maar gericht aan de hele wereld, verwijzend naar de storm op het meer terwijl Jezus rustig ligt te slapen op de steven van de vissersboot. “Waarom zijt ge zo bang? Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit?” (Mc. 4, 40). Het was Jezus’ antwoord op de noodkreet van de apostelen die nu ook onze noodkreet is: “Meester, raakt het U niet dat wij vergaan?” (Mc. 4, 38). En met één gebaar bedwong Hij de wind en het werd volmaakt stil. Nu is het paradoxaal de stilte om ons heen, veroorzaakt door corona, die ons onrustig en angstig maakt. Maar misschien helpt dit ons om te groeien in die innerlijke stilte, innerlijke vrede en rust die alleen de Heer ons kan geven. Daarom herhalen we de titel van deze overweging: inderdaad, corona helpt ons om te verstillen.

Br. René Stockman

Maart 2020

The day after

Het euthanasieproces voor het Hof van Assisen te Gent is reeds een aantal weken achter de rug en nagenoeg uit de mediabelangstelling verdwenen. Het is niet mijn gewoonte om assisenzaken te volgen, maar nu waren er twee redenen om dit wel te doen. Vooreerst de zaak als dusdanig, een zaak rond euthanasie bij uitzichtloos psychisch lijden en de wijze waarop de maatschappij daarmee vandaag omgaat. Maar ook omdat mijn naam werd genoemd als iemand die betrokken was om de zaak voor het gerecht te brengen. Sommigen hoopten zelfs dat ik daarover onder ede zou getuigen. Ik zou daar geen problemen mee hebben gehad, want mijn betrokkenheid bij het hele proces is nihil, en het vermoeden is alleen ontstaan bij sommigen die via rare kronkels in hun brein tot dit complotdenken zijn gekomen en daarmee nog eens hun gal konden spuwen op de Kerk. Iemand noemde het in mijn plaats gewoon krankzinnig, en dat is het enige juiste woord dat we hier kunnen gebruiken. Ik beschouw het bovendien als laster en eerroof.

Onze grote bekommernis blijft euthanasie bij uitzichtloos psychisch lijden waarbij deze mogelijkheid tot een alternatieve therapie in de geestelijke gezondheidszorg verder zou kunnen uitgroeien. Tal van psychiaters en psychologen gaven reeds aan dat dit niet te verzoenen valt met goede psychiatrische zorg en met de doelstelling en definitie van geneeskunde. Zowel inzake euthanasie als inzake de alsmaar veranderende definities van ‘geneeskunde’ en ‘medische handelingen’ in Vlaanderen en Nederland die door lobbygroepen en de media zonder enige fundering en zonder overleg met de wereldfederaties van artsen worden verspreid, zitten we ook op het terrein van de geneeskunde op een hellend vlak met zeer gevaarlijke consequenties, niet in het minst voor de allerzwaksten in onze samenleving. Wat dit betreft, ligt er een grote verantwoordelijkheid bij de nationale en internationale artsenverenigingen om orde op zaken te stellen. Geneeskunde moet steeds gericht zijn op het genezen, en indien geen genezing meer mogelijk is, heeft de geneeskunde tot opdracht de pijn en het lijden te verzachten. We zijn immers ook geen voorstander van therapeutische hardnekkigheid. En dit geldt evenzeer bij de somatische als bij de psychiatrische geneeskunde. Het klinkt zeer bedenkelijk dat één van de artsen na de vrijspraak in het euthanasieproces verklaarde dat ze méér middelen en mensen nodig had om meer patiënten te begeleiden om de suïcidegedachte die bij hen leeft te verleggen naar een euthanasievraag. Euthanasie evolueert dus verder naar medisch begeleide suïcide en een nieuwe therapievorm in de psychiatrische hulpverlening. Hebben de overheid en samenleving niet de plicht om méér aandacht en middelen te investeren in de zorg voor psychisch gekwetste kinderen en jongeren, voor gebroken gezinnen, voor eenzame personen, voor volwassenen met ernstige psychische problemen, eerder dan zelfdoding in de vorm van euthanasie verder te faciliteren?

Laten we hopen dat het hier op termijn geen economische afweging wordt van kosten en baten. Dat zou het einde betekenen van een humane samenleving.

Indien bij somatisch lijden de onomkeerbaarheid van de aandoening via diagnostische criteria objectief kan worden vastgelegd, is dat bij psychisch lijden helemaal niet het geval. En per definitie is psychisch lijden dikwijls uitzichtloos en creëert het bij de patiënt het gevoel er nooit meer uit te geraken.

Hulpverleners in de geestelijke gezondheidszorg geven aan dat het ‘nu’ voor een mens-in-nood eindeloos kan lijken, maar dat dit niet betekent dat dit ‘voor altijd’ eindeloos is. Bij zwaar psychisch lijden kunnen er plots positieve evoluties optreden die voorheen onmogelijk te voorspellen waren. Daaruit moeten ze in alle eerlijkheid besluiten dat de bestaande diagnosemodellen geen voldoende en sluitende criteria bevatten om een euthanasievraag bij psychisch lijden objectief te evalueren.

Zowat elke zware psychiatrische patiënt vindt van zichzelf dat zijn situatie ‘ondraaglijk’ en ‘uitzichtloos’ is: daarin moeten psychiaters en therapeuten juist verandering proberen te bewerkstelligen. Menig psychiater – en niet alleen in katholieke kringen – geeft bovendien aan dat het behandelen van suïcidale patiënten zo goed als onmogelijk wordt zodra de deur open staat voor hulp bij zelfdoding.

Bij dit alles zou het belang van de menselijke verbondenheid meer moeten worden onderlijnd, verwijzend naar de gekende uitspraak van Nietzsche: “Hij die een reden tot leven heeft, kan vrijwel alle omstandigheden verduren.” Of zoals reeds geruime tijd als ‘slagzin’ op de Nederlandse televisie wordt gebruikt: “Laten we wat meer naar mekaar omzien.” Het creëren en het herstellen van verbondenheid met anderen en aan iemand het gemeende gevoel geven – ook als deel van de professionele begeleiding – dat hij of zij er ondanks een zware psychische aandoening toch nog bij hoort, kunnen hier wonderen verrichten. We hebben de psychiatrische hulpverlening steeds omschreven als de therapie van de relaties, waarbij de persoon zelf van de hulpverlener het instrument bij uitstek is in de behandeling en de begeleiding. Durven we het aan om onszelf als hulpverlener en de kwaliteit van ons professioneel handelen in vraag te stellen wanneer we euthanasie als ultieme ’behandeling’ voorstellen en/of uitvoeren? Blijft de hulpverlening niet in gebreke wanneer men er niet in slaagt de consequentie van de ziekte, namelijk de uitzichtloosheid, te bestrijden en te milderen? En welke dienst wordt aan patiënten geboden als hulpverleners gaan suggereren dat euthanasie een mogelijke ontsnappingsroute is bij psychisch lijden dat op dat ogenblik als uitzichtloos wordt ervaren? Het is een aanbod dat de vraag creëert en stimuleert en andere perspectieven uitsluit of verduistert. In de Amerikaanse staat Oregon bijvoorbeeld, is het aantal zelfmoorden daardoor juist toegenomen.

De geschiedenis van de psychiatrische zorgverlening is er steeds één geweest van telkens opnieuw creatief zoeken hoe men mensen uit een uitzichtloze situatie kon bevrijden. Pioniers in de psychiatrische zorgverlening zochten hoe ze perspectieven konden geven aan mensen, en alle behandelingen die de revue passeerden waren pogingen, soms met matig succes, om de levenssituatie van deze mensen te verbeteren. Deze evolutie wordt mooi geïllustreerd in ons Museum Dr. Guislain te Gent. Gaan we deze trend nu doorbreken met het installeren en formaliseren van euthanasie bij uitzichtloos psychisch lijden?

Het euthanasieproces zou bij vele geneesheren en hulpverleners in de psychiatrie naast onzekerheid voor de eventuele juridische gevolgen ook gewetensproblemen hebben veroorzaakt. Laten we hopen en wensen dat hulpverleners meer nauwkeurig gaan luisteren naar hun geweten en zich niet laten meeslepen door wat een zogenaamde meerderheid denkt die louter op basis van emoties reageert en euthanasie zelfs gaat zien als een werk van barmhartigheid…

Over leven en dood wordt nu eenmaal niet beslist via meerderheden. Ook dat zou de geschiedenis ons moeten leren.

Br. René Stockman

Februari 2020

Via de achterdeur

Op 22 oktober ll. werd een wetsvoorstel ingediend in verband met de opheffing van de geldigheidsduur van de wilsverklaring voor het bekomen van euthanasie. Tot nu toe is deze wilsverklaring vijf jaar geldig, en moet ze dus na vijf jaar vernieuwd worden opdat de euthanasie uitgevoerd zou kunnen worden. Een voorstel was om deze duur te verlengen tot tien jaar, maar na discussie kwam men tot het voorstel om deze geldigheidsduur gewoon op te heffen. Een niet zo onschuldig ‘compromis’.

Maar in het voorstel werd ook een artikel toegevoegd dat toch wel verstrekkende gevolgen heeft en een ruimere draagwijdte heeft dan wat de titel van het wetsvoorstel doet vermoeden. Ik citeer: “Geen enkele arts mag op grond van een overeenkomst worden belet euthanasie toe te passen. In voorkomend geval wordt een dergelijke verbodsclausule als niet geschreven beschouwd.” Het is alsof via een achterdeur van dit wetsvoorstel gebruik wordt gemaakt om een aanslag te plegen op de vrijheid van ziekenhuizen om er euthanasie al dan niet te laten plaatshebben. In de bespreking klonk heel laconiek dat men toch geen ziekenhuizen meer kent waar geen euthanasie wordt toegelaten. Indien dit laatste het geval zou zijn, dan zou deze passage in het wetsvoorstel gewoonweg overbodig zijn.

Met dit aanvullend voorstel worden evenwel drie zaken op scherp gezet: euthanasie zal worden beschouwd als een recht en als een medische handeling en de vrijheid van instellingen om euthanasie al dan niet toe te laten wordt tenietgedaan.

Door te stellen dat ziekenhuizen artsen niet kunnen verbieden binnen hun muren euthanasie toe te passen, wordt euthanasie de facto beschouwd als een recht en een medische handeling. Een ziekenhuis wordt immers geacht geen enkele beperking op te leggen aan geneesheren in het uitoefenen van wat eigen is aan hun beroep. Integendeel, ze moeten aan de geneesheren de mogelijkheid geven alle geneeskundige handelingen te stellen die noodzakelijk zijn voor de behandeling van de patiënt. Voor daden die buiten deze geneeskundige handelingen vallen, heeft het ziekenhuis normaal wel het recht beperkingen in te bouwen en grenzen te bepalen. Dit geldt a priori voor daden die een goede geneeskunde kunnen schaden. Ziekenhuizen met een privaatrechtelijk statuut kunnen derhalve om filosofisch-religieuze en medisch-ethische redenen bezwaren hebben dat bepaalde niet-medische daden in hun ziekenhuis worden uitgevoerd. Dit wordt nu onmogelijk gemaakt door dit voorstel, zoals ook reeds nog veel explicieter is gebeurd in het in de parlementscommissie goedgekeurde voorstel inzake wijziging van de abortuswetgeving, met een open deur naar andere handelingen die niet als een medische handeling kunnen worden beschouwd en waarbij eveneens ethische bezwaren kunnen rijzen.

Wanneer euthanasie tot een recht wordt verheven, is de vraag bijgevolg hoelang een geneesheer en andere betrokkenen uit de medische omgeving waarin ze hun medisch beroep uitoefenen, nog zullen kunnen weigeren deze euthanasie uit te voeren? Eenmaal iets tot een recht wordt verheven, wordt het weigeren om dit als een recht te aanvaarden, gesanctioneerd. Dit is echter een ernstige schending van het grondwettelijk gewaarborgde recht van godsdienstvrijheid en gewetensvrijheid.

We evolueren volop naar een samenleving waarin men de fragiliteit van het menselijk bestaan nog maar moeilijk wil en kan aanvaarden. Mogen we om die reden nog eens waarschuwen voor het reële gevaar van de maatschappelijke druk die hierdoor op de allerzwaksten en meest weerlozen in onze samenleving kan ontstaan om euthanasie nog als enige uitweg te zien? De graad van beschaving van een samenleving kan echter worden gemeten aan de zorg en de middelen die men wil besteden aan de meest hulpbehoevenden.

Wanneer euthanasie wordt beschouwd als een medische handeling, wat is dan nog de waarde van de eed van Hippocrates die nog steeds de ethische code vormt voor het uitoefenen van geneeskunde? Daar zal men het doden op vraag van de patiënt ook moeten toevoegen aan de bepalingen van wat men onder geneeskunde verstaat.

En wat blijft er over van de vrijheid van vereniging voor ziekenhuizen die vanuit een bepaalde filosofisch-religieuze beweging zijn gegroeid en die wensen om hun zorg en behandeling in overeenstemming met hun onderliggende overtuiging uit te bouwen? De opvattingen staan ook haaks op de evoluties op Europees vlak waar een institutioneel gewetensbezwaar erkend wordt (zie Resolutie 1763 van de Raad van Europa d.d. 7 oktober 2010) voor ziekenhuizen en instellingen, inzake onder meer abortus en euthanasie.

Mogen we vragen aan hen die over dit wetsvoorstel zullen stemmen, om daarover grondig na te denken. Het gaat hier immers om véél meer dan een voetnoot waarbij de spreekwoordelijke doos van Pandora nog maar eens verder wordt geopend.

Br. René Stockman

December 2019

Profileren of nivelleren?

Als christen leven in een fel geseculariseerde omgeving is alvast geen sinecure. Het is alsof we in onze heimat, waar we ons eens zo goed thuis voelden, aan het vervreemden zijn. Vrienden beginnen een andere taal te spreken, anderen worden allergisch als we het nog even willen hebben over ons christelijk geloof. Op de werkvloer worden we op hoongelach onthaald wanneer we zeggen dat we nog naar de kerk gaan. Op school durven kinderen niet meer vertellen dat ze misdienaar zijn. De kring van gelijkgezinden waarin we ons toch nog kunnen thuis voelen wordt steeds kleiner, tot het gaat lijken alsof we in een getto zijn terechtgekomen. Heeft de humus waarin onze maatschappij wortel heeft geschoten een transformatie ondergaan? Wat is er met de christelijke wortels gebeurd waarop de gemeenschap waarin we opgroeiden was gestoeld? Ik dacht daaraan toen in onze tuin in Rome alle sinaasappelbomen door een onbekende ziekte verdorden. Was het de uitzonderlijke vorst van vorig jaar die hen fataal was geworden, werden ze aangetast door parasieten of was er iets gebeurd in de grond waarin ze wortelden? Feit was dat ze niet meer te redden waren, ze waren immers tot in de wortel aangetast. Ook onze tuinmannen stonden voor een raadsel en er zat niets anders op dan ze door een nieuwe beplanting te vervangen. De tuin zal er voortaan anders uitzien en we zullen in december het verse fruitsap moeten missen dat traditiegetrouw iedere morgen met een zekere fierheid op onze eigen oogst aan sinaasappelen werd klaargemaakt.

Sommigen beroepen zich volstrekt ten onrechte op het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat en de neutraliteit van de overheid om het geloof te reduceren tot een privéaangelegenheid. Daarmee willen ze gelovigen op maatschappelijk vlak monddood maken en hen trachten te verhinderen zich als gelovigen te engageren in de wereld. Het principe van de neutraliteit van de overheid garandeert juist het tegenovergestelde. Het is en blijft onze vrijheid en roeping als christen in de wereld te staan, er verantwoordelijkheid op te nemen en op de plaats waar we leven en werken mee te bouwen aan de komst van het Koninkrijk van God. Geloven kan nooit worden gereduceerd tot een louter binnenkerkelijke aangelegenheid, maar spoort er ons toe aan er ons ganse leven van te laten doordringen. Er zijn geen terreinen waarop ons geloof afwezig kan blijven. Dat we hierdoor bouwen aan het Koninkrijk van God klinkt natuurlijk zeer “gelovig”, maar dit is de opdracht die we van Jezus Christus zelf hebben meegekregen in zijn zendingsrede en wat Hij ons zelf heeft voorgeleefd. Neen, Jezus heeft zich niet opgesloten in een kleine wereld van gelijkgezinden, heeft geen getto gevormd, maar is de wereld ingetrokken om overal waar Hij kwam de Blijde Boodschap te verkondigen en deze boodschap te beleven en concreet gestalte te geven. Jezus heeft ons getoond hoe we een wereld kunnen uitbouwen die een ware afspiegeling is van de wereld die door God bij de schepping werd gedroomd. Het is een wereld waarin Gods aanwezigheid tastbaar en voelbaar is in de wijze waarop mensen met mekaar omgaan, hoe ze met de omgeving omgaan, hoe ze de wereld uitbouwen en hoe ze uiteindelijk ook een plaats geven aan God zelf in hun dagelijkse leven, aan de religieuze dimensie in hun leven. “Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het evangelie aan heel de schepping” (Mc. 16, 15). Heel de wereld en heel de schepping, het kan niet duidelijker klinken! Dat is de plaats waar we als christen actief moeten zijn. De vraag is echter of we daartoe nog de ruimte krijgen en of we niet steeds meer met dilemma’s worden geconfronteerd die ons gelovig in de wereld staan echt bemoeilijken en soms quasi onmogelijk maken. Kunnen we ons met andere woorden nog als christen profileren in de wereld? Of worden we gedwongen ons geloof steeds verder te nivelleren met het gevaar in een sfeer van relativisme terecht te komen, waarvoor Paus Benedictus XVI de gelovigen zo dikwijls waarschuwde? Profileren of nivelleren: voor welke houding kiezen we?

Trachten we op een consequente wijze ons handelen af te stemmen op de evangelische boodschap en laten we er ons geweten door vormen om zo ook invloed uit te oefenen op onze omgeving? Zijn we als christenen nog voldoende het licht, het zout en de gist in de samenleving waartoe we steeds opnieuw vanuit die duidelijke evangelische boodschap van Jezus worden opgeroepen? Op welke wijze zullen we licht in de wereld kunnen laten schijnen in een omgeving die erg verduisterd is en er zich actief tegen afschermt? Op welke wijze zullen we het zout kunnen zijn dat smaak geeft in een omgeving die meer trek heeft in andere smaken? En op welke wijze zullen we het gist in de deeg kunnen zijn wanneer we alle moeite hebben om met onze gist nog in het deeg te geraken?

De vraag is of we als christen passief ondergaan en accepteren wat maatschappelijk ruim wordt aanvaard en meestal ook wettelijk mogelijk is geworden? Of blijven we trouw aan ons geloof en bieden we weerwerk met alle middelen die ons in een democratie daartoe geboden worden? Als christenen schieten we op dat vlak wellicht ernstig tekort. Laten we ons niet teveel afschrikken door sommigen die ons als extremisten afschilderen omdat we enkel op een consequente en radicale wijze de evangelische boodschap gestalte willen geven met respect voor andere overtuigingen. Anderen hebben veel minder schroom om zich met hun radicale boodschap te profileren en de evangelische waarden belachelijk te maken. Hun doelstelling is op een georkestreerde wijze gestalte te geven aan een nieuw soort drievuldigheid waaraan niemand of niets nog kan raken: de absolute vrijheid, autonomie en zelfbeschikking. Dit lijken vandaag de ingrediënten te zijn van een nieuw beleden maatschappelijke religie.

Is het alternatief dan om onze christelijke geloofsovertuiging te nivelleren en ons te laten meesleuren door de heersende maatschappelijke grondstroom? Hopen we op deze wijze toch nog de mogelijkheid te behouden om enige positieve invloed op de omgeving uit te oefenen? We zijn als christenen dan wel héél naïef te denken om met wat schemerlicht op de kandelaar, wat waterig zout in de hand en enige grammen gist in het deeg het debat te kunnen beïnvloeden. De ondermaatse kwaliteit van ons licht, ons zout en onze gist zal het resultaat van dit debat echter niet kleuren.

Nivelleren betekent dikwijls dat we compromissen zullen moeten sluiten met visies en waarden die helemaal niet te rijmen zijn met de evangelische boodschap, met de christelijke waarden, met de christelijke visie op mens en maatschappij. We moeten hier maar denken aan de vele ethische debatten die vandaag worden gevoerd en waar geraakt wordt aan de onvervreemdbare intrinsieke waardigheid van alle leven, vanaf het prille ontstaan tot het natuurlijke einde. Wanneer we vasthouden aan de radicaliteit waartoe de evangelische boodschap ons oproept, zullen we heel vlug stoten op een grens waaraan niet kan geraakt worden. Houden wij daaraan, dan zullen we vlug worden uitgesloten of onszelf moeten afsluiten van deze debatten, omdat we niet anders kunnen dan terug te komen op de essentie van de zaak en het niet zomaar kunnen hebben over een aantal modaliteiten waarbij aan de essentie reeds volledig is voorbijgegaan. Er is een fundamentele grens overschreden, en dan is elk verder debat onmogelijk indien men die grens niet opnieuw respecteert. Maar de gevoerde debatten gaan uit van een totaal nieuwe waardeschaal, van premissen die helemaal niet meer te rijmen zijn met de fundamenten waarop onze christelijke waarden zijn gestoeld en maken daardoor in se iedere verdere dialoog gewoon onmogelijk. Wanneer over de essentie niet meer kan gedialogeerd worden, is het dialogeren over de mogelijke modaliteiten zinloos en zelfs niet aangewezen. Sommigen zien het toch blijven deelnemen aan deze dialogen als een poging om nog wat bij te sturen en om in de huidige situatie zogezegd tot het minste kwaad te komen. Ze proberen in de brand nog een aantal meubelen te redden, ook al zien ze dat het huis zelf niet meer te redden is. We kunnen dat afleiden uit sommige verklaringen, waar opgeroepen wordt om toch na te denken over het hellend vlak waarop we ons bevinden, maar waar nog amper wordt teruggekomen op het onaantastbare dat werd aangetast en alleen nog wordt gewezen op het gevaar van een verdere afglijding. Dat kan een politieke strategie zijn, en christelijke beleidsmakers hebben wellicht geen andere keuze voorhanden om hun stem nog te laten horen, maar dit kan niet de grondhouding en visie worden van de christenen en van de Kerk als dusdanig, want dan ondersteunen deze alleen maar, zij het met een aantal vertragingsmaatregelen, de groei naar een verder relativisme.

Zou het vandaag niet juist van moed getuigen om ons als christenen te blijven profileren, met een radicaliteit waartoe de evangelische boodschap ons oproept, en daarmee profetisch in de wereld te gaan staan? Het gaat er dan om dat we bewust tegenwind blijven geven en blijven hameren op de teloorgang van de basiswaarden waarop ons leven en de wereld als dusdanig worden gebouwd. Kunnen we geen licht meer geven in een sterk verduisterde omgeving, dan kunnen we nog steeds een flikkerlicht zijn dat mensen misschien toch nog doet nadenken over de nefaste evolutie die aan de gang is. Misschien hebben mensen van vandaag juist dit flikkerlicht nodig om halt te houden en een kritische geluid te laten horen bij alles wat van vandaag als ‘vanzelfsprekend’ wordt voorgesteld. Het kan op een piepklein kiezelsteentje lijken dat zich bij het marcheren in onze schoen heeft gewrongen en dat ons wandelen toch wel even hindert. Tot we onze schoen uittrekken en het steentje verwijderen. Maar het heeft onze aandacht opgeëist en ons zelfs even doen halthouden. Flikkerlicht en kiezelsteen-zijn door duidelijke taal te durven spreken en ook consequente handelingen te blijven stellen die tegendraads zijn, niet om zogezegd tegendraads te doen, maar omdat we niet anders kunnen. Hebben christenen dit vandaag ook niet bij voorkeur nodig van hun leiders in plaats van omfloerste en eigenlijk lauwe taal die er toch maar voor zorgt om niemand tegen de borst te stoten?

Kijk naar de woorden van Jezus in het evangelie: die zijn nooit omfloerst en lauw, maar altijd zeer duidelijk en dikwijls ook tegendraads tegen de mentaliteit waarin Hij zich bevond. Klinkt het in het boek van de Openbaring niet uitdagend: “Ik ken uw daden: gij zijt noch koud noch heet. Waart ge maar koud of heet! Omdat gij lauw zijt en noch heet noch koud, daarom zal Ik u uitbraken uit mijn mond” (Apok. 3, 15-16). Wanneer we onszelf steeds maar nivelleren om zogezegd geen stukken te maken, zijn we dan niet als diegene die in de tekst wordt verweten lauw te zijn? We kennen zijn onsmakelijk lot! Wanneer we ons echter blijven profileren, zullen we wellicht ook uitgebraakt worden, maar dan door hen die het in de wereld voor het zeggen hebben. Maar door wie worden we het liefst uitgebraakt, om het nog eens onsmakelijk te bevragen? Laten we daarbij de ultieme woorden van het Matteüs-evangelie niet vergeten waar Jezus ons belooft ons niet in de steek te laten: “Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de wereld” (Mt. 28, 20). Tenslotte is Hij het en Hij alleen die ons de nodige kracht zal geven en blijven geven om staande te blijven zelfs wanneer de golven woest om ons heen slaan. Ook hier ontvingen we een hoopgevend woord van Jezus: “Waarom zijt gij zo bang? Hoe is het mogelijk dat ge nog geen geloof bezit?” (Mc. 4, 40). De angst die de apostelen in de boot greep, werd een vrees – noem het groot ontzag – dat hen finaal deed uitroepen: “Wie is Hij toch, dat zelfs wind en water Hem gehoorzamen?”(Mc. 4, 41). Juist omdat Hij er is in ons leven en ons daartoe de kracht geeft, kunnen we niet anders dan ons als christen blijvend te profileren in de wereld en kunnen we de verleiding weerstaan toch maar mee te doen met de massa omdat dit schijnbaar de gemakkelijkste weg lijkt. Voor welke weg gaan wij? Hoe stellen we onze GPS in? Profileren of nivelleren: het blijft een uitdagende vraag, met weliswaar een duidelijk antwoord.

Br. René Stockman

December 2019

Van kolonialisme en missionering naar ontwikkelingssamenwerking: bevrijd van alle vormen van paternalisme?

Het koloniaal tijdperk ligt al ver terug in de geschiedenis.  Van Belgisch Congo herinner ik me nog wel de woelige onafhankelijkheidsstrijd en het versneld terugkomen van de zogenaamde kolonialen.  Ook het beeld van de gevangenneming van Patrice Lumumba is voor altijd op mijn hoornvlies gegrift.  Ik had er als kind nachtmerries van.  Op dat moment was mijn enig contact een klasgenoot die met zijn ouders uit Congo was moeten vluchten en nu vertelde over zijn vroegere zwarte vriendjes die hij miste.  Ik kon toen niet vermoeden dat ik later op een heel intense wijze bij Congo en de naburige Afrikaanse landen zou worden betrokken.

Vandaag wordt heel negatief gekeken naar het koloniale tijdperk, en de ganse ontmanteling en herinrichting van het Afrika-museum in Tervuren is daar een schoolvoorbeeld van.  Niemand kan en zal nog ontkennen dat er triestige bladzijden werden geschreven in het geschiedenisboek van het kolonialisme, dat de moederlanden zich schandelijk verrijkten via slavenarbeid van de inlandse bevolking, dat er opzichters waren die hun bevoegdheden ver te buiten zijn gegaan.  Men kan ook vragen stellen bij het onder dwang overbrengen van de westerse cultuur en religie zonder echt respect te tonen voor de eigen cultuur en religie.  En wat met de opgedrongen democratisering die onvoldoende rekening hield met de bestaande hiërarchische structuren die veelal een etnische grondslag hadden.  Neen, we kunnen de geschiedenis niet herschrijven, maar tegelijk moeten we opletten dat we wat toen gebeurde niet eenzijdig en te vooringenomen gaan lezen met de bril van vandaag, wat te dikwijls gebeurt bij de beoordeling van het verleden.  Het is nu eenmaal bon ton alles wat met het kolonialisme te maken heeft heel negatief te taxeren.  Is er dan niets goeds gebeurd tijdens deze koloniale periode?  Wat met de scholen en de ziekenhuizen die werden opgericht en door broeders en zusters werden bediend en die ook onmiddellijk zorgden dat inlands personeel werd opgeleid?  Was het werk van missionarissen in eerste instantie inderdaad gericht op bekering tot het christendom, het valt niet te ontkennen dat dit ook een ware bevrijding bracht, want daarmee ontkrachtten ze heel wat magische elementen eigen aan het animisme die mensen in de wurgende greep hielden van magiërs en kwakzalvers.  Hun bekeringswerk ging ook steeds gepaard met de zorg voor de algemene ontwikkeling en de levensverbetering van de lokale bevolking. Wat te zeggen over de wegen die overal werden aangebracht en het land ontsloten, waardoor nieuwe vormen van handel en economie konden worden ontwikkeld?  We kunnen dit lijstje nog aanvullen met concrete voorbeelden van kolonialen die op de plaats waar ze leefden en werkten echt ijverden om het levensniveau van de inlanders te verbeteren, en dit deden met grote eerbied voor de eigen cultuur en de plaatselijke gebruiken.  Dus graag wat nuancering bij de vandaag overwegend negatieve afschildering van de koloniale tijd.

Na de koloniale tijd startte de periode van de ontwikkelingshulp.  Ook missionering kreeg een nieuwe invulling en in het zog van het Tweede Vaticaans Concilie zal vanaf de jaren ’60 meer gesproken worden over ontwikkeling dan over missionering.  Naast de missionarissen zouden ook opnieuw leken vertrekken, nu niet meer als kolonialen met overwegend mercantiele doeleinden, maar als ontwikkelingswerker, om een bijdrage te leveren aan de verdere ontwikkeling van het land en zijn volk.  Paus Paulus VI had het in zijn encycliek “Populorum Progressio” uitdrukkelijk over deze ontwikkeling en legde de klemtoon dat het ook in de missionering steeds moest gaan over de ontwikkeling van de hele mens en van alle mensen.  Maar daarmee werd eigenlijk bevestigd wat vele missionarissen tot dan toe hadden gedaan: naast en met het bekeringswerk, noem het de zielzorg,  ook zorg dragen voor de fysieke mens en zijn omgeving via onderwijs, gezondheidszorg, voorzien van drinkbaar water, betere landbouwmethodes, enz.   Maar de slinger ging bij sommigen verder richting globale ontwikkeling, terwijl het bekeringswerk als dusdanig secundair werd.  Niet onterecht kan men zeggen, wanneer men de evangelische boodschap ernstig neemt en ziet hoe Jezus ook concreet zorg droeg voor zieken, armen en bekommerd was om hun levenssituatie te verbeteren en hen terug te brengen in de gemeenschap.  Maar tegelijk mocht toch niet vergeten worden dat bij iedere genezing bij Jezus ook de uitdrukkelijke uitnodiging klonk om zich tot God te bekeren.  Sommigen vroegen zich af of in het verleden het bekeringswerk niet te eng was opgevat als het zoveel mogelijk dopen van zogenaamde heidenen.  Maar ook dit moet opnieuw met de ogen van die tijd worden bekeken, toen de visie gold dat er buiten de katholieke kerk geen heil was.  Het is pas bij het reeds vernoemde Tweede Vaticaans Concilie dat een totaal nieuwe visie en houding tegenover andere godsdiensten werd ontwikkeld vanuit de overtuiging dat men ook zalig kon worden wanneer men binnen de eigen godsdienst een goed leven probeerde te leiden en waarbij ook ruimte kwam voor oecumene met andere christelijke nominaties en interreligieuze dialoog met andere religies. Dus ook hier graag de nodige nuance in de beoordeling, en dit in beide richtingen: bij hen die treuren dat de bekering in het gedrang kwam en bij hen die alleen maar heil zagen in ontwikkeling los van elke vorm van missionering.

Vandaag spreekt men niet meer van ontwikkelingshulp, maar van ontwikkelingssamenwerking.  Men wil duidelijk de klemtoon leggen op het bevorderen van de eigen bijdrage van de lokale bevolking en hen als gelijkwaardige partners zien.  We kennen allemaal de bijna afgezaagde slogan: het is beter iemand te leren vissen dan hem vis te geven.  Neen, voor paternalisme is er geen ruimte meer.  Paternalisme ruikt nog te veel naar kolonialisme en sommigen zullen daar ook gemakkelijk de missionering aan koppelen.  En men wil ook aandacht besteden aan exit-scenario’s, waarbij de samenwerking kan worden afgebouwd wanneer ter plaatse middelen en manschappen aanwezig zijn en vooral vaardig zijn om de activiteiten op een kwaliteitsvolle wijze verder te zetten. Op sommige plaatsen lukt dit wonderwel, vooral in landen waar de politieke overheden de correcte prioriteiten weten te leggen en hun geld niet verkwisten aan oorlog voeren en ten onder gaan aan corruptie tot in de hoogste echelons.  Op andere plaatsen lijken we nog ver weg te zijn van dit exit-scenario en zullen we nog een paar jaar en misschien nog vele decennia nodig hebben  en moeten verder werken, verder samenwerken opdat de basisbehoeften voor een leven in welzijn kunnen worden gegarandeerd.  Onderwijs  en gezondheidszorg blijven hier de activiteiten die om blijvende aandacht vragen.

Ondertussen moeten we ons ook de niet onbelangrijke vraag durven stellen of de moderne ontwikkelingssamenwerking nu totaal ontdaan is van iedere vorm van paternalisme, dat zo gemakkelijk aan het kolonialisme en de missionering werd verweten.  Wat met bijvoorbeeld de programma’s die worden aangebracht of moeten we zeggen opgedrongen om zogezegd de bevolkingsgroei te beheersen?   Het gaat dan vooral over het aanbevelen van anticonceptie en zelfs abortus. Is dat geen  nieuwe vorm van kolonisering, ditmaal een ideologische?   De visie die in het Westen heerst op seksualiteit, op voortplanting, op gender, op het gebruik van anticonceptie en het toepassen van “veilige” abortus  en die er sterk wordt gepropageerd wil men per se overplanten in het Zuiden.  Men vergeet echter dat dit regelrecht ingaat tegen de diepgewortelde pro-life cultuur in Afrika.  Is er een grotere aanval op een eigen cultuur denkbaar dan in te grijpen op terreinen als huwelijk, gezin, seksualiteit, voortplanting.  Men heeft internationaal zware kritiek geleverd op de één-kind-politiek in China, omdat dit in tegenstrijd was met de fundamentele rechten van de mens, maar wat is het verschil met het opdringen en opleggen van anticonceptie en abortus?  Zo is geweten dat de “Bill & Melinda Gates Foundation” in Afrika met honderden miljoenen dollars over de brug komt om anticonceptie en abortus te financieren.  Bij hen is de boodschap en de actie duidelijk, open en direct, en derhalve heeft men de mogelijkheid er ook tegen te reageren, wat op sommige plaatsen ook gebeurt.  Maar dikwijls gaat het eerder om verborgen agenda’s en worden gelden voor ontwikkelingssamenwerking geconditioneerd aan de ontwikkeling van programma’s die anticonceptie en vrije abortus moeten propageren.  Zo zag ik in onze scholen in Congo affiches waar het gebruik van het condoom openlijk werd aangeprezen. Op mijn vraag aan de directie wat hen bezielde om deze affiches op te hangen, kreeg ik als antwoord dat dit “verplicht” werd door de overheid en mee verzonden werd met de salarissen van de leerkrachten.  We herinneren ons het bezoek van President Obama aan Kenia waar hij de politieke leiders aanspoorde om dringend werk te maken om anticonceptie ter beschikking te stellen en om de gay-rechten te respecteren.  We kennen de reactie vanwege de Keniaanse overheid waarbij men de Amerikaanse president heel duidelijk verweet zijn Westerse visie die haaks staat op de Afrikaanse cultuur te willen opdringen.  Dit was een terechte reactie die duidt op een emancipatie waarbij men resoluut weigert zich op ethisch en cultureel vlak te onderwerpen aan het gedachtengoed van de grootmachten in ruil voor hun financiële steun. Maar daar is moed voor nodig, en hoeveel bezwijken er niet voor de dollars en de euro’s die hen worden aangeboden, in ruil voor…  Het getuigt van selectieve verontwaardiging wanneer het paternalisme  van de koloniale tijd wordt aangeklaagd, maar tegelijk de ogen worden gesloten voor een meer slinkse ideologische kolonisering door het Westen dat beweert de waarheid in pacht te hebben m.b.t. verworven rechten als anticonceptie, abortus en alles wat met gender te maken heeft. Dit alles steeds verkondigd onder de noemer van het ideaal van de absolute vrijheid, autonomie en zelfbeschikking.  Sommigen noemen zich de nieuwe missionarissen en voeren een kruistocht om deze verworven vrijheden ook in het Zuiden te gaan verkondigen.  We zien er de gevolgen  van in de Afrikaanse grootsteden waar de westerse mentaliteit reeds voor een groot deel is doorgedrongen.  Met deze zogenaamde vooruitgang die men er bereikt, verschijnt echter ook de negatieve kant van de medaille: een grotere individualisering en een afbraak van de sociale banden die voor Afrika zo belangrijk en eigenlijk wezenlijk zijn; het verlies van de religieuze wortels die eveneens zo wezenlijk zijn; nieuwe verslavingsziekten zoals druggebruik bij jongeren en een grotere promiscuïteit op seksueel gebied met een toegenomen stijging van geslachtsziekten in de steden!

We moeten onze initiële vraag dus genuanceerd beantwoorden en het aandurven om het kader waarin ontwikkelingssamenwerking gebeurt kritisch te analyseren en desgevallend publiek te bekritiseren.  Het is dan ook de opdracht van de ngo’s die betrokken zijn bij ontwikkelingssamenwerking  en die blijk geven van heel veel goede intenties en edelmoedigheid om  voldoende kritisch te zijn en te blijven, zeker wanneer ze geheel of gedeeltelijk afhankelijk zijn van subsidies die hen vaak slechts onder bovengeschetste voorwaarden worden toegekend.

Wat betreft onze acties inzake ontwikkelingssamenwerking dienen we dan ook te concluderen dat we steeds enkele fundamentele vragen voor ogen moeten houden.

Is onze ontwikkelingssamenwerking gericht op de groei van de hele mens en van alle mensen? Brengen we de ontwikkelingslanden tot een grotere zelfstandigheid? Geven we hen de juiste instrumenten om de menswaardigheid binnen hun gemeenschappen te verhogen?  Gebeurt dit alles met respect voor  de eigenheid van de inheemse bevolking? Blijven we een bijzondere aandacht hebben voor diegenen die omwille van hun specifieke levenssituatie gediscrimineerd en gemarginaliseerd worden? Brengen we door onze ontwikkelingssamenwerking ter plaatse ook een positieve mentaliteitsverandering teweeg?
Pas dan kan er sprake zijn van een ontwikkelingssamenwerking zonder een ‘hedendaags’ paternalisme.

Br. René Stockman

November 2019

Het water wordt steeds dieper

Euthanasie bij voltooid leven, levensbeëindiging bij dementie uit het strafrecht, euthanasie bij psychisch lijden nog te veel paternalistisch behandeld, abortus uit het strafrecht en nu optrekken tot 18 weken of zelfs tot 24 weken zoals in Nederland: het zijn titels die dagelijks verschijnen in onze kranten geïllustreerd met dito getuigenissen. Iemand doet er een doctorale studie over en krijgt daarvoor ruim aandacht. Anderen verhalen wat hen met hun demente moeder is overkomen. Bekende Vlamingen passeren in rij om te getuigen dat ze als ze hun leven voltooid vinden het roer in eigen handen willen nemen om uit dit leven te stappen. Iets wat bij iemand een publiek geheim was, wordt nu in alle openhartigheid publiek verkondigd. En de cava gaat weer vloeien om het afscheid van het leven te vieren. Wat is er aan de gang? Welke strategie en politieke agenda zitten er achter deze mediatieke aandacht die maar blijft hameren op dezelfde nagel. Andere thema’s worden normaal vlug afgevoerd wanneer herhaling dreigt, maar hier kan er blijkbaar niet genoeg herhaald worden.

De liberalen nemen het voortouw om alle hinderpalen die de zelfbeschikking en de autonomie nog zouden kunnen belemmeren definitief neer te halen. Hierbij blijkt nogmaals dat dit hun eigenlijk agendapunt is terwijl euthanasie en abortus eerder de kruiwagens zijn om hun waar aan te brengen. Dit bleek reeds toen ze een niets ontziend pleidooi hielden om euthanasie uit te breiden naar minderjarigen toe. Alsof alle minderjarigen daarop zaten te wachten. Minderjarigen werden plots bekwaam geacht autonoom te oordelen over het meest edele dat hen in handen was gelegd: hun leven. Toen deskundigen het toch waagden daartegen te reageren werd duidelijk gesteld dat het hen in eerste instantie ging om de zelfbeschikking ten allen prijzen te verabsoluteren, en niet zodanig om de euthanasie bij deze minderjarigen. Niets of niemand mocht daar nog iets tegen inbrengen. Vandaag zijn de reacties opnieuw schaars, omdat het inderdaad heel onsympathiek klinkt om de zelfbeschikking en de autonomie in vraag te stellen of terug te schroeven. Wie zou zoiets aandurven? Het is alsof men terug gaat in de tijd. Alle mogelijke argumenten die worden aangebracht om zich toch even af te vragen welke weg we aan het inslaan zijn met de verdere liberalisering en legalisering van zowel abortus als euthanasie worden met emoties weggeveegd en monddood gemaakt. Emoties doen het vandaag, niet meer de argumenten. Zijn we dan zo onbarmhartig geworden dat we mensen onnodig willen laten lijden of hun lijden verlengen en dat we geen oor hebben voor leed van vrouwen die met een ongewenste zwangerschap worden geconfronteerd klinkt het dan met grote verontwaardiging. Neen, onbarmhartig wil toch niemand zijn!

Voor mij liggen twee documenten die het toch aandurven met argumenten weerwerk te geven en zich niet vast te rijden in de absoluut verklaarde zelfbeschikking en zelfs het woord “doden” nog in de mond durven nemen wanneer over euthanasie wordt gesproken. Maar over deze twee documenten heb ik tot nu toe geen woord gevonden in de media.

Vooreerst de “World Medical Association”, en voor diegenen die niet weten wat dit is: het is de overkoepelende organisatie van de nationale medische beroepsverenigingen waarbij niet minder dan 113 landen zijn aangesloten met in het totaal een lidmaatschap van zeg maar 10 miljoen geneesheren. Dus niet niets! In hun jaarvergadering die plaats had in Tbilisi in Georgië hebben ze hun visie geaffirmeerd en nog versterkt dat ze als overkoepelende organisatie van geneesheren een absoluut respect voor menselijk leven behouden en daarom uitdrukkelijk iedere medewerking aan euthanasie en medisch begeleide suïcide volledig afkeuren. Euthanasie en medisch begeleide suïcide beschouwen ze als onethisch en niet te verenigen met de medische praktijk. Tegelijk stellen ze, en dit rekening houdend met de realiteit dat in sommige landen het uitvoeren van euthanasie wettelijk bepaald is, dat geen enkele geneesheer verplicht kan worden noch aan euthanasie noch aan medisch begeleide suïcide zijn medewerking te geven. Van duidelijke taal gesproken.

Uit een totaal andere hoek verscheen heel recent, op 28 oktober 2019, een gezamenlijke verklaring van de Abrahamse monotheïstische religies, wat in realiteit alle christelijke, islamitische en joodse nominaties betekent, dus ook geen kleine groep op wereldniveau, die zich formeel en radicaal verzetten tegen euthanasie en medisch begeleide suïcide en vragen dat dit zonder uitzondering zou worden verboden. In dezelfde lijn als hun medische bondgenoten stellen ze dat geen enkele gezondheidswerker verplicht kan worden aan deze praktijken mee te werken en dat de persoonlijke ethische waarden op dit vlak steeds moeten gerespecteerd worden. Gewetensbezwaren in verband met aangelegenheden die het leven en de dood betreffen dienen volgens hen universeel gerespecteerd te worden. Het is eerder zelden dat deze drie grote religieuze nominaties tot een gezamenlijke verklaring komen, zodat een verklaring uit deze hoek toch niet onopgemerkt kan worden opzijgeschoven.

Wanneer we deze twee verklaringen lezen en deze plaatsen tegenover alle artikelen en opinies die we de laatste weken in Vlaanderen voorgeschoteld krijgen, lijkt het water dat de argumenten van de emoties doet scheiden alleen maar dieper te worden. Een maatschappij die het zo hoog op heeft met persoonlijke vrijheid en tolerantie wordt wel heel onvrij en intolerant wanneer ze weigert om nog te luisteren naar argumenten gebracht vanuit wetenschappelijke en filosofisch-religieuze hoek. Want daar lijkt het toch op. Hier worden nochtans wel overwogen visies naar voren gebracht waarbij gevraagd wordt de absoluut verklaarde zelfbeschikking in bepaalde gevallen toch te conditioneren. Want het respect voor het leven als dusdanig zal steeds een grotere absoluutheid opeisen dan de zelfbeschikking over dit leven. Het is toch logisch dat het voorwerp waarover we beschikken steeds belangrijker en groter is dan de beschikking erover. Wellicht zullen we in de politieke wandelgangen echter hetzelfde horen als toen het ging om de euthanasie voor minderjarigen mogelijk te maken en zal men weigeren op de essentie van de zaak in te gaan en naar argumenten uit andere hoeken te luisteren. Aan de zelfbeschikking en de autonomie kan immers niemand of niets nog raken! Alles en iedereen die daaraan zou willen of kunnen raken wordt onmiddellijk monddood gemaakt en zelfs beschuldigd van asociaal gedrag. En met een bijzonder allergie als vanuit religieuze hoek iets van dien aard wordt aangebracht. Terwijl het respect voor het leven, ware solidariteit en meeleven met hen die lijden en verder zoeken hoe we hen die lijden echt nabij kunnen zijn en nabij kunnen blijven als universele verworvenheden kunnen worden beschouwd van een voortschrijdende beschaving. Aan dit fundament van onze beschaving wordt geraakt wanneer de goegemeente met emoties wordt overspoeld of moeten we zeggen geïndoctrineerd om euthanasie te verheffen tot het vijftiende werk van barmhartigheid. Van oneigenlijk gebruik van religieus geconnoteerde woorden gesproken. Dat alles om de nieuwe afgod van de zelfbeschikking toch op zijn voetstuk te houden en nog te verstevigen. Klinkt het hier zelfs niet paradoxaal dat het leven zelf op de weegschaal wordt gelegd tegenover de zelfbeschikking om uiteindelijk waarover men wil beschikken te verliezen? Inderdaad, het leven als dusdanig staat hier op het spel, en niemand weet hoever ons dit uiteindelijk zal leiden. Toch wel echt om bekommerd te zijn en een reden om onze kunstmatig gecreëerde en gestimuleerde emoties even opzij te zetten en naar de overkant te kijken van de waterplas die ons scheidt en te luisteren naar argumenten die ons van daaruit in alle eerlijkheid worden aangebracht. Of leeft men in Vlaanderen nu echt in de illusie dat men er de volle waarheid in pacht heeft en dat anderen die er een andere visie op nahouden het allemaal verkeerd voor hebben? Dit lijkt heel sterk op een tunnelvisie waarbij nog één weg wordt opengelaten en waar eenieder gedwongen wordt deze weg te volgen, en dat onder de slogan van nieuwe verworvenheden die luisteren naar de namen vrijheid, autonomie en zelfbeschikking.

Br. René Stockman

November 2019

Voor de hele mens en voor alle mensen

Ware ontwikkeling heeft steeds te maken met de hele mens en met de gehele mensheid.  Wat voor ons telt is de mens, iedere mens, iedere groep van mensen en de mensheid is haar geheel.  Als ontwikkeling niet de gehele mensheid en iedere mens betreft is er geen sprake van ware ontwikkeling” (nr. 16-17).  Het is met deze tekst van Paus Paulus VI uit zijn encycliek “Populorum Progressio” dat ik deze spreekbeurt wil beginnen.

Nadenken hoe we een echte bijdrage kunnen leveren aan de ontwikkeling van de mens en van de gehele mensheid, noopt ons duidelijkheid te creëren over het mensbeeld dat we hanteren en hoe we dit mensbeeld kunnen helpen realiseren doorheen onze concrete handelingen.  Het gaat steeds over een visie en een missie.

Onze visie moet vertrekken vanuit een christelijk mensbeeld dat zich vertaalt in een holistische en personalistische visie op de mens.

En het is deze visie die zich zal laten vertalen in een duidelijke missie waar de klemtoon steeds zal moeten liggen op een constante zorg hoe we de kwaliteit van het leven kunnen verbeteren en van daaruit hoe we de menselijke waardigheid van iedere mens zullen kunnen verdedigen, promoten en herstellen.

Het is deze visie en missie die ons zal oproepen tot caritas, tot solidariteit, tot een strijd voor het absoluut respect van alle leven en voor een constante en steeds groeiende aandacht voor vrede, gerechtigheid en heelheid van de Schepping.

Hiermee heb ik de samenvatting gegeven van mijn spreekbeurt en tegelijk de verschillende ingrediënten die we wat nader zullen bekijken.

      1. Onze missie vanuit een christelijke visie op de mens en de wereld.

Alles begint met een duidelijke visie op de mens en de wereld.  Het mensbeeld dat we cultiveren en willen cultiveren is onze uiteindelijke basis en tegelijk oriëntatie, en iedere handeling die we al dan niet stellen heeft met de promotie of de afbreuk van dit mensbeeld te maken. Het gaat over de vraag of het mensbeeld dat door ons handelen ontwikkeld wordt humaan is, menswaardig is en zelfs tot een hogere humaniteit leidt.  De gekende Nederlandse ethicus Sporken gebruikte hierbij de term “het humaniteitskarakter van het mensbeeld”. En filosofen als Martin Buber en Emmanuel Levinas geven de opdracht mee dat in alles wat we doen de bevordering van de menswaardigheid voorop moet staan, terwijl Paul Ricoeur het uitdrukt dat we in alles wat we doen steeds moeten streven naar een zo hoog mogelijke menswaardigheid.

In onze reflectie over de mens willen we ons laten leiden door de catechese die Paus Johannes Paulus II heeft ontwikkeld tijdens zijn wekelijkse audiënties van 5 september 1979 tot 28 november 1984 en die bekend staan als de “Theologie van het lichaam”. Ze geeft een zeer verhelderende visie op de sacraliteit, de heiligheid van het lichaam.  In de “theologie van het lichaam” is dat één van de fundamenten, dat de mens geen lichaam heeft, maar zijn lichaam is, dat de mens niet op te splitsen is in een spirituele natuur en een lichamelijke natuur, maar dat hij een menselijke natuur heeft die zowel spiritueel als lichamelijk is.

Uitgangspunt is dat de mens door God is geschapen, naar Zijn beeld en  gelijkenis, en dat hij bestemd is om in God zijn voltooiing te vinden.  De mens op deze wereld is als het ware op weg van God naar God, hij is een pelgrim op aarde: God is zijn oorsprong en God is zijn bestemming.

Het originele van de “theologie van het lichaam” zit in het feit dat Paus Johannes Paulus de mens bekijkt vanuit drie oogpunten: nl. zijn oorsprong, zijn huidige situatie en zijn uiteindelijke bestemming, met de vraag deze steeds samen te houden.

Het boek Genesis leert ons heel veel over de oorsprong van de mens en ook over de wijze zoals we de mens nu kennen, de wijze waarop we nu ons mens-zijn beleven.

Het boek Genesis geeft een antropologische reflectie over de oorsprong van de mens en hoe de mens is geëvolueerd tot op vandaag.  Paus Johannes Paulus noemt het de originele mens en de historische mens.

In origine is de mens geschapen door God naar zijn beeld en gelijkenis, en God zag dat het goed was, zegt de Schrift. Dat is een belangrijke uitdrukking, want dat zegt enerzijds dat we Gods beeld in ons dragen en anderzijds dat we als een goed zijn geschapen. De mens is geschapen om in relatie te treden met de andere mens. Hij werd als medemens geschapen, niet als individu. De mens leefde in volledige harmonie met God, met zichzelf, met de medemens en met de omwereld. Dat was het “aards paradijs”, dat was de paradijservaring. Het is van deze paradijservaring dat we allemaal dromen en waarnaar we allemaal hunkeren.

Maar deze paradijservaring is vergane glorie, want in onze vrijheid is het kwade geslopen en heeft onze originele harmonie verbroken. De menselijke vrijheid moeten we zien als een geschenk van God die ons de mogelijkheid biedt om ten volle te kunnen delen in de goddelijke liefde. Liefde kan immers nooit worden opgedrongen, alleen maar in vrijheid worden aanvaard. Dat is de reden dat God ons geschapen heeft met die unieke menselijke eigenschap: de vrijheid. Het is de vrijheid die ons doet onderscheiden van alle andere schepselen. Maar die vrijheid was essentieel voor ons mens-zijn, voor ons geschapen-zijn met als doel om te kunnen delen in Gods liefde.

In het verhaal van de schepping komt een keerpunt wanneer het kwade in de mens treedt in het beeld van de slang die de mens verleidt. De vrijheid, die de ingangspoort was van de goddelijke liefde, werd tevens de ingangspoort van het kwade, van wat juist de goddelijke liefde uitsluit, verdringt. Door in te gaan op de uitnodiging van het kwade, door verleiding niet te weerstaan zijn eigen god te willen worden, werd de harmonie in de mens verbroken. Het is het verhaal van alle tijden, ook van ons eigen leven: de verleiding onze eigen god te willen zijn, de schepping en zelfs de mens naar onze hand te willen zetten. Het is het verhaal van de gebroken harmonie: de mens die zich gaat verstoppen voor God, die mens die in conflict komt met de medemens en die uit jaloersheid de andere probeert uit te schakelen, de mens die zijn harmonie verliest met de natuur en diep in zichzelf deze gebrokenheid voelt en ervaart.

Op het moment dat het kwade de harmonie in de mens verstoorde, zodat we moeten spreken van een gebroken harmonie, heeft God in feite twee zaken gedaan, om de mens te helpen om niet volledig onder te gaan in deze gebroken harmonie.

Het eerste is de transformatie van zijn liefde in barmhartigheid: medelijden voor het lijden van de mens en vergeving voor de zonden van de mens. Medelijden en vergeving zijn twee uitdrukkingen van Gods liefde, waarbij Hij aan de mens de mogelijkheid heeft de gebroken harmonie te lijmen, om dit beeld te gebruiken, zonder ze volledig te herstellen. Want het kwade is er steeds om de gelijmde potten opnieuw te breken. Maar Gods barmhartigheid is onvermoeibaar om steeds de gebroken potten opnieuw te lijmen.

Het tweede initiatief van God is fundamenteler, meer ingrijpend. Door zelf mens te worden en zich als het ware zelf te laten grijpen door het kwade in de dood op het kruis, heeft God afgerekend met de absolute macht van het kwade door aan het leven en niet meer aan de dood het laatste woord te geven. Dat is onze verlossing: sinds de dood en de verrijzenis van Jezus zijn we als mens niet meer onderworpen aan de dood, maar staat de verrijzenis in het vizier, is onze uiteindelijke bestemming in God opnieuw verzekerd.

Ik weet dat ik met grote passen de theologie van het lichaam zoals uitgewerkt door Paus Johannes Paulus ben doorgewandeld, maar het geeft ons aanknopingspunten om een beeld te schetsen van de mens, van het christelijk mensbeeld dat we als uitgangspunt en oriëntatie van ons handelen willen nemen.

Dat mensbeeld zouden we als volgt kunnen samenvatten:

      • We zien ieder mens als een uniek wezen, geschapen door God, vanuit zijn liefde, naar zijn beeld en gelijkenis. Iedere mens is dan ook geroepen om Gods liefde te beantwoorden met zijn leven gericht op God. In iedere mens is het goddelijke gelaat aanwezig, in iedere mens ontwaren we de goddelijke origine, ook in deze mens die door de omstandigheden van het leven getekend is of die zijn mens-zijn ondermaats beleeft. In het lichaam ontdekken we dit beeld en gelijkenis van God, wat het lichaam een specifieke waarde heeft en noopt tot een onvoorwaardelijke eerbied voor iedere mens en zijn lichaam, vanaf zijn geboorte tot aan zijn natuurlijke dood. In de mens eerbiedigen we zijn Schepper.
      • Iedere mens is geroepen tot gemeenschap. Dit brengt de verantwoordelijkheid met zich mee dat iedere mens zich moet inzetten voor het welzijn van de medemens. In de liefde voor de medemens toont de mens in deze tijd zijn liefde tot God.
      • Iedere mens is verlost door Christus. Hij blijft weliswaar onderhevig aan de machten van het kwaad, maar deze macht heeft zijn absoluut karakter verloren. Iedere mens staat derhalve voor de opgave deze verlossing te beleven, door zich open te stellen voor Gods genade en met eigen inspanning het geschonden beeld van God in hem te herstellen.
      • Iedere mens is geroepen tot de verrijzenis en een leven totaal opgenomen in Gods liefde. Dat is zijn en onze eindbestemming. Dat perspectief moeten we nu reeds cultiveren en moet ons leven een bijzondere kleur geven. Vanuit dit perspectief zijn er geen hopeloze situaties meer en kunnen we in de meest uitzichtloze situaties hoop blijven geven en vinden.

We gaan nu met deze elementen verder op stap en hernemen de titel van dit referaat: “Voor de hele mens en voor alle mensen”.

Voor de “hele mens”, duidt op een holistische visie op de mens. We zouden kunnen zeggen dat de mens wordt uitgenodigd om in zijn menselijke ontwikkeling steeds de originele harmonie voor ogen te houden en te zien hoe hij deze harmonie kan herstellen, zij het nooit volledig.  Het blijft een streven naar grotere harmonie.

De mens wordt uitgenodigd in grotere harmonie te leven met zijn verschillende levensdimensies, met de verschillende levensterreinen waarin hij zich kan ontplooien en met de verschillende levensrealiteiten waarmee hij in relatie kan treden.

Wanneer we het hebben over de verschillende levensdimensies van de mens, dan hebben we het over de mens als een fysische, psychische, sociale en existentiële eenheid. De harmonische uitbouw van het leven bestaat er nu juist in dat men bewust aandacht besteedt aan deze verschillende levensdimensies, dat men geen dimensies over beklemtoont en andere negeert en dat men bewust leert omgaan met de verschillende dimensies die met elkaar interfereren. Dit zal een grote rol spelen in onze eigen ontwikkeling maar ook in de wijze dat we andere mensen begeleiden, verzorgen, met hen op weg gaan. Vandaar dat men spreekt van een holistische zorg, een holistische opvoeding. En dan wordt juist de aandacht gevraagd opdat alle dimensies van de mens zouden worden ontwikkeld, verzorgd.

Misschien moeten we vandaag heel speciaal aandacht besteden aan de existentiële dimensie bij de mens, vanuit de vaststelling dat dit dikwijls de meest verwaarloosde dimensie is. Het is de dimensie waar de zinvragen ontstaan, en waar ook het geloof en het spirituele een grote rol kunnen spelen om de diepere zin van het bestaan te ontdekken.

Iedere mens heeft de behoefte zich te ontplooien. Hij wil zichzelf realiseren, hij wil ten volle zichzelf worden. We luisteren even naar de filosoof Levinas, die stelt dat de zelfstandigheid, het zich ontplooien van de mens, steeds begint met de inwendigheid. Aan de gerichtheid naar buiten gaat een beweging naar binnen vooraf. Hij noemt het de “repli en soi”. De echte realisatie, aldus Levinas, gebeurt niet in eerste instantie in de actie, maar in de inwendigheid, het echt thuis komen bij zichzelf, waarna de beweging naar buiten kan worden gemaakt.

En dat realiseren van zichzelf, nog steeds volgens Levinas, gebeurt steeds in drie levensterreinen: het genieten, de arbeid en het wonen. Heel het leven zit vervat in deze terreinen en alles kan tot deze drie terreinen worden herleid. We zijn steeds actief in één van deze terreinen: of we genieten van iets, of we presteren via de arbeid of we zijn op zoek naar een ware thuis. En ook hier klinkt het adagium dat het belangrijk is dat we tot een zeker evenwicht komen binnen deze drie terreinen.  Iemand die er nog alleen op uit is van te genieten, zal zich heel vlug leeg voelen. Wanneer ik even de link maak met de psychiatrische zorgverlening en verwijs naar de sociotherapie, waarbij gewerkt wordt aan de rehabilitatie en de resocialisatie van psychiatrische patiënten na een langdurig verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis, dan zal men juist aandacht besteden aan deze drie levensterreinen. Mensen moeten geholpen worden om opnieuw zelfstandig te kunnen wonen, en soms hebben ze tijdelijk een beschutte woonvorm nodig. Mensen moeten geholpen worden om opnieuw aan het werk te kunnen gaan, en soms hebben ze tijdelijk een beschutte werkplaats nodig. En mensen moet geholpen worden om opnieuw gezond te kunnen genieten, en ook hier hebben ze begeleiding nodig, want vele vormen van verslaving hebben juist met dit levensterrein te maken.

We leren hier vooreerst het belang van de inwendigheid die aan de beweging ad extra voorafgaat. Gunnen we onszelf nog voldoende inwendigheid, voldoende rust, tijd voor reflectie, voor gebed? Is er in onze dagorde van iedere dag daarvoor een vrije ruimte gecreëerd, of laten we eerder aan het toeval over? Misschien goed om daarover eens grondig na te denken.

En anderzijds worden we uitgenodigd om na te denken over deze drie levensterreinen die ons actieve bestaan omkaderen: zitten we hier in een goed evenwicht? Welk terrein is hier bedreigd? Iemand die werkzoekende is kan op termijn echt in de knoei raken met zichzelf omdat hij zijn leven zonder werk als echt zinloos gaat ervaren. Het is dan bijvoorbeeld een kleine stap om zich te storten in het genieten, om weg te dromen van de werkelijkheid en om uiteindelijk in de verslaving terecht te komen.  Dus allemaal zeer herkenbaar.

Er is nog een derde invalshoek die in onze holistische visie op de mens van belang is: het zijn de levensrealiteiten waarmee de mens geconfronteerd wordt en die hem van individu tot een persoon omvormt. En dan gaat het uitdrukkelijk over de relaties: de mens in relatie met zichzelf, met de medemens, met de omgeving en met God. Het is tegelijk via deze relaties dat de mens probeert zijn gebroken harmonie te herstellen. Hier wordt de mens ook getransformeerd van individu, gesloten in zichzelf tot een persoon, open  voor de realiteit om zich heen.

In de filosofie werd heel terecht het personalisme ontwikkeld als duidelijke reactie tegen het collectivisme dat de Westerse wereld in de eerste helft van de twintigste eeuw grondig tekende onder de invloed van het communisme, dat grote delen van de wereld innam.

In België was het vooral Prof. Louis Janssens die begin de jaren ’60 aan de Leuvense universiteit een personalistisch mensbeeld als maatstaf voor de ethiek ontwikkelde.  Vandaag kan dit ook beschouwd worden als een krachtig antwoord tegen het individualisme, dat steeds meer uitbreiding kent en de mens van zijn sociale dimensie losweekt.

Janssens onderscheidde in zijn personalistisch mensbeeld acht dimensies van de menselijke persoon, en u zult zien dat ze verband houden met de zojuist genoemde vier levensrealiteiten. Janssens ziet de mens als een subject, als een subject in lichamelijkheid, met een lichaam dat een deel is van de materiële wereld, de mens die wezenlijk op elkaar is gericht, de mens die nood heeft aan een leven in sociale groepen en daarvoor passende structuren nodig heeft, de mens geschapen naar Gods beeld en geroepen om God te kennen en te beminnen, de mens als historisch wezen en de stelling dat alle mensen fundamenteel gelijk zijn en tegelijk uniek.

Het is vanuit dit mensbeeld dat moraaltheologen en ethici hun eigen ethisch denkkader hebben ontwikkeld, dat we nu kennen als de personalistische ethiek. In de personalistische ethiek wordt duidelijk uitgegaan van de mens in zijn totaliteit en probeert men de verschillende dimensies van de mens in kaart te brengen. Een daad wordt er ethisch gewaardeerd in het licht van de mens in zijn totaliteit.  Voorop staat het “goede leven” en alle waarden die vervuld moeten worden om dit goede leven te bereiken en te bevorderen.

Het is hier niet de plaats in verder in te gaan op de personalistische ethiek, de kansen en de beperkingen die deze inhoudt, maar alvast mag het duidelijk zijn geworden dat het christelijk mensbeeld dat we voorhouden een holistische en tegelijk personalistische visie op de mens huldigt. Het is met en vanuit deze visie dat we nu de stap willen zetten naar onze missie, m.a.w. hoe laten we onze mensvisie onze concrete handelingen naar mensen toe en met mensen kleur en richting geven.

      1. Onze missie gericht op de zorg voor de kwaliteit van het leven en de promotie van de menselijke waardigheid.

Een visie, waar men steeds moet mee beginnen, wordt slechts vruchtbaar als ze haar vertaling vindt in een duidelijke missie, die heel concreet richting wil geven aan ons handelen.

Voor onze reflectie vandaag zou ik twee elementen heel speciaal in de verf willen zetten en die m.i. de hoofdingrediënten uitmaken van onze missie als christen in de wereld van de zorg, van de opvoeding, van iedere vorm van inzet voor het welzijn van medemensen. Het gaat of het zou steeds moeten gaan over de zorg om de kwaliteit van het leven te verbeteren en onze bekommernis om de menselijke waardigheid te verdedigen, te promoten en te herstellen.

We willen even dieper ingaan op deze twee begrippen: kwaliteit van leven en menselijke waardigheid.
Wanneer we het hebben over de kwaliteit van het leven zal het steeds te maken hebben met elementen die we hebben aangegeven als onderdelen van het mensbeeld die we willen bevorderen. We zullen ons steeds moeten afvragen of we bij een bepaalde handeling de kwaliteit van leven verbeteren. Probleem is echter dat dit moeilijk meetbaar is en dat het bepalen van het feit of er al dan niet levenskwaliteit aanwezig of afwezig is in eerste instantie toekomt aan de persoon in kwestie en dat het daarom steeds moeilijk is om de levenskwaliteit bij een ander in te schatten. Levenskwaliteit is een subjectief begrip. Tegelijk, vooral vanuit onze holistische en personalistische visie op de mens, moeten we ons de vraag stellen of levenskwaliteit als een optelsom kan worden gezien van de kwaliteit die afzonderlijk aan de verschillende dimensies en terreinen van het leven worden gegeven, of dat er iets is dat die optelsom overstijgt. Valt met andere woorden de uiteindelijke zin van het leven samen met het hebben van deze kwaliteitsvolle ervaringen, of heeft het eerder met het zijn van de mens als dusdanig te maken. En hier kunnen we dan van het existentiële als de overkoepelende zinservaring spreken: de mens die zelfs bij het heel miniem worden van de kwantificeerbare levenskwaliteit op verschillende terreinen, toch nog zin kan hebben in het leven als dusdanig. Het “zijn” als mens is steeds meer en ruimer dan het “hebben” van levenskwaliteit.

Teneinde dit wat verder uit te diepen, zou ik een onderscheid willen maken tussen wat we kunnen noemen de essentiële en de accidentele kwaliteit van het leven.

Wanneer we het hebben over de verschillende elementen die de kwaliteit van het leven uitmaken, verwijzend naar de verschillende elementen die we in ons mensbeeld probeerden te onderscheiden, dan gaat het meestal over wat we zouden kunnen noemen de accidentele kwaliteit. Het gaat dan over onderdelen die ieder op zich belangrijk zijn, op de één of andere manier te meten zijn, maar tegelijk slechts ten dele en nooit volledig de echte levenskwaliteit kunnen bepalen. Het is evenwel zeer belangrijk om werk te maken, bijvoorbeeld in de gezondheidszorg en de therapeutische begeleiding, om de kwaliteit binnen deze verschillende terreinen te verhogen. Wanneer men pijn heeft, wat zich situeert op het fysische vlak, en deze pijn is zodanig dat ze de levenskwaliteit ernstig aantast, is het van belang dat men zoekt hoe deze pijn te verminderen en te beheersen om zo de kwaliteit van het leven in zijn globaliteit, dus in zijn essentie te verhogen. Dat is ten andere één van de belangrijke elementen in de palliatieve zorg en de ervaring leert dat mensen die bij extreem lijden zelfs denken aan euthanasie bij een verbeterde pijncontrole opnieuw zin vinden in het leven. Voor hen was het hebben van pijn en het leven komen samen te vallen, en eenmaal de pijn onder controle komen ze in staat om opnieuw het onderscheid te maken. Hun vraag om verlost te worden uit het leven was eigenlijk de vraag om verlost te worden van de pijn. Het is deze “zin” in het leven die we dan de essentiële kwaliteit van het leven kunnen noemen.

De essentiële kwaliteit van het leven ziet de mens als mens in zijn totaliteit, echt holistisch en personalistisch, en ook al zijn deelelementen verstoord, is met andere woorden dat accidentele kwaliteit van het leven negatief gekleurd, de essentiële kwaliteit van het leven blijft behouden, wordt daardoor wel verstoord maar niet fundamenteel aangetast of weggenomen. Het gaat hier dan over de objectieve waarde van het leven, de levenszin die te maken heeft met de menselijke waardigheid, de eigenlijke kern van ons mens-zijn.

Het is een visie met een verstrekkend gevolg, heel actueel in de huidige discussies over het al dan niet toestaan van euthanasie, waar dikwijls gegoocheld wordt met het begrip kwaliteit van leven en vooral gebrek aan kwaliteit van leven als argument om de euthanasievraag in te willigen en de euthanasie als dusdanig dan te zien als een werk van barmhartigheid waarbij men de mens verlost uit een leven dat alle kwaliteit heeft verloren. Het onderscheid tussen de accidentele en de essentiële kwaliteit van het leven zag ik zeer duidelijk bij mijn eigen moeder die vorig jaar op hoge leeftijd overleed. Haar accidentele levenskwaliteit ging gestaag achteruit, ze moest steeds meer geholpen worden in het vervullen van haar basisbehoeften. Soms klaagde zij daarover uitdrukkelijk. Maar ondanks deze achteruitgang van haar accidentele levenskwaliteit, bleef ze positief gehecht aan het leven en vond ze nieuwe wegen om van kleine zaken te genieten. We kunnen zeggen dat haar essentiële kwaliteit van het leven overeind bleef omdat ze erin slaagde het leven als dusdanig te blijven waarderen.

Dit wordt ook zeer duidelijk beschreven door Prof. Herman De Dijn in zijn artikel “Palliatieve zorg: in dienst van meer levenskwaliteit”. Ik citeer hier een deel uit dit artikel: “Ons ethisch besef, ons geweten, vertelt ons dat elke mens een speciale waardigheid bezit waardoor hij of zij nooit gereduceerd kan worden tot een middel; de mens is ‘hors commerce’. Geen enkel leven, hoe onbenullig of miserabel ook, mag in dienst staan of opgeofferd worden voor de veiligheid of levenskwaliteit van anderen. Die elementaire waardigheid komt elke mens toe, ongeacht zijn kwaliteiten of prestaties, ongeacht wat die mens van zichzelf en van zijn leven vindt. De  menselijke waardigheid strekt zich zelfs uit tot buiten de grenzen van het menselijke leven: ze geldt ook op een of andere manier voor het ongeboren leven en de doden.  eze elementaire waardigheid kan een mens niet verliezen; ze kan wel miskend of met voeten worden getreden”.

Uit dit alles kunnen we een tweevoudig besluit trekken. Vooreerst dat de accidentele levenskwaliteit nooit de ultieme norm kan worden op basis waarvan iemand bepaalt of zijn of haar leven nog al dan niet zinvol is. Er is steeds nog iets dat die accidentele levenskwaliteit overstijgt, zowel in eigen leven als in het leven van een andere, en dit noemen wij dan de essentiële levenskwaliteit.

Anderzijds klinkt hier ook de opdracht om blijvende energie te investeren om de accidentele levenskwaliteit te verhogen, zowel bij zichzelf als bij anderen, om zo aan de essentiële levenskwaliteit meer ruimte te geven, meer substantie, meer body te geven. Wanneer immers de accidentele levenskwaliteit verhoogt, zullen mensen het gemakkelijker hebben om ook de waarde van hun leven als dusdanig te ontdekken, soms te herontdekken. En hier spelen de verschillende elementen die de kwaliteit van het leven bepalen een belangrijke mekaar aanvullende rol. Wanneer iemand bijvoorbeeld heel veel pijn heeft, de deze pijn is somatisch heel moeilijk onder controle te krijgen, kan de aanwezigheid van dierbare medemensen en liefdevolle zorgverleners een echt troost bieden en de zogenaamde uitzichtloze situatie die met de pijn is ontstaan minder uitzichtloos maken. De mens is immers nooit te reduceren tot één element, en de verschillende elementen hebben ook steeds een invloed op mekaar. De mens is meer dan de optelsom van zijn verschillende onderdelen. De mens is en blijft een holistisch wezen, een realiteit op zich, de verschillende onderdelen en dimensies van zijn mens-zijn overstijgend.

Dit onderscheid tussen de accidentele en de essentiële kwaliteit van het leven heeft ook een groot impact op de wijze we kijken naar mensen die in de wereld ogenschijnlijk niets kunnen doen, helemaal niet nuttig zijn. Denken we maar aan mensen met een zware dementie, mensen met een zware mentale handicap. Hun accidentele levenskwaliteit kan tot een minimum zijn herleid; maar ze blijven steeds mens en dat geeft hen een essentiële kwaliteit. Ze “zijn” er, met de klemtoon op “zijn”, en soms is hun enige betekenis dat ze een oproep zijn naar anderen om voor hen te zorgen. Zij worden dan de oorzaak dat bij anderen de menselijke liefde kan groeien, ja, zich kan uitzuiveren tot een naastenliefde die ontdaan is van alle wederkerigheid, van alle berekendheid. Door hun dikwijls volstrekt stilzwijgende aanwezigheid vrijwaren ze de wereld en de mensen in die wereld van alleen nog maar met zichzelf bezig te zijn. Zij zijn de veroorzakers van het zo nodige altruïsme in de mens. Ze roepen de mensen op de zogenaamde zachte waarden niet te vergeten, waarden die luisteren naar namen als dienstbaarheid, compassie, barmhartigheid, in één woord: liefde. En onze inzet voor hen maakt ons tot betere mensen: mensen die uitgroeien tot medemensen die hun ware roeping weten uit te zuiveren tot de roeping mekaar echt lief te hebben.

Wanneer mensen bij wie de accidentele levenskwaliteit bijna nihil is tot dit in staat zijn, namelijk mensen tot liefdevolle medemensen te laten groeien, dan kan hun essentiële kwaliteit van hun leven als zeer hoog worden beschreven. Maar dan moeten we wel anders kijken naar medemensen in een maatschappij die alles zet op uiterlijkheden, op nuttigheid, op genot.

Verschillende malen hebben we reeds de menselijke waardigheid aangehaald. Ik verwijs nog eens naar Paul Ricoeur die de volgende gekende woorden uitsprak: “Bij ieder ethisch handelen moeten we streven naar een zo hoog mogelijke menswaardigheid”.

We weten ondertussen dat deze zin in een heel eigen invulling van de personalistische moraal op bepaalde momenten een wig heeft gedreven tussen wat we gemeenlijk het handelingsdeontologisch model noemen, waarbij de handeling op zichzelf wordt gewaardeerd en waarbij handelingen die intrinsiek slecht zijn nooit door de intentie als goed kunnen worden beschouwd, en het personalistisch model waarbij steeds meer de nadruk kwam te liggen op de intentie, tot en met de stelling dat handelingen nooit intrinsiek goed of kwaad kunnen zijn, alleen maar pre-moraal, en dus hun moraliteit juist verkrijgen door de intentie van waaruit de handeling wordt gesteld.

Opnieuw is het hier niet de plaats om daar dieper op in te gaan, maar we zullen daar zeker nog even op terug komen als het we in het derde deel hebben over onze strijd voor het absoluut respect voor alle leven.

Momenteel volstaat het de nadruk te leggen op de dringende eis om steeds de waardigheid van de mens, van iedere mens te respecteren, te bevorderen en indien nodig te herstellen. Hoe dikwijls worden we in het dagelijkse leven niet geconfronteerd met situaties waarbij de menselijke waardigheid niet gerespecteerd wordt, zeker niet bevorderd wordt en waar we dus de ethische plicht hebben om deze menselijke waardigheid te herstellen. In zijn encycliek “Evangelium vitae” heeft Paus Johannes Paulus II het heel gevat uitgedrukt: “De gehele maatschappij met de waardigheid van iedere menselijke persoon eerbiedigen, beschermen en bevorderen, op alle ogenblikken van zijn leven, in welke toestand hij zich ook bevindt”.

We willen even stilstaan bij deze drie woorden van Paus Johannes Paulus: eerbiedigen, beschermen, bevorderen.

Vooreerst moeten we de menselijke waardigheid van iedere persoon in alle omstandigheden eerbiedigen. Dat verdraagt geen uitzondering.  Soms lijkt het erop dat men vandaag meer eerbied voor de natuur heeft, vanuit een terecht groeiend ecologisch besef, maar dat dezelfde groei voor de eerbied voor de mens uitblijft, wel integendeel. Wanneer men vandaag op straat komt voor het klimaat, en daarvoor een grote waardering toegemeten krijgt, is het wel verwonderlijk dat zij die op straat komen om de eerbied voor alle leven op te eisen onmiddellijk in een oerconservatief kamp worden geschoven. Nochtans gaat het beiden om het leven: het leven van de natuur en het leven van de mens. We zouden mogen veronderstellen dat het leven van de mens nog steeds belangrijker is dan het leven van de natuur, zonder dit laatste evenwel te onderschatten.  Ik vraag mij af of het spijbelen van studenten ook zou worden getolereerd en zelfs aangemoedigd indien het zou gaan over de “mars voor het leven”.  U hoeft me geen antwoord te geven.

Vanuit de eerbied vloeit de bescherming voort. Indien de menselijke waardigheid op de een of andere wijze wordt bedreigd, moeten we alles in het werk zetten om het te beschermen. Het is ten andere daarop waar Paus Johannes Paulus in zijn encycliek “Evangelium vitae” zo sterk de klemtoon op legt en waar we vandaag voortdurend mee geconfronteerd worden in de discussies rond abortus en euthanasie.

De absolute bescherming van het leven wordt bijzonder acuut wanneer het gaat over leven dat zichzelf niet kan beschermen en waar anderen op een vrij autonome wijze beslissingen kunnen nemen over het laten geboren worden, leven of voortleven. Bij een recent bezoek in Zuid-Afrika zag ik in Johannesburg overal advertenties voor abortus met telkens een telefoonnummer erbij.  “Safe abortion, pain free”. Eerst dacht ik dat het te maken had met één of andere verkiezingscampagne, maar naderhand vertelde men mij dat het advertenties waren van abortusklinieken die blijkbaar als paddenstoelen uit de grond rijzen en waar helemaal vrij een abortus kan worden uitgevoerd. Elk meisje of vrouw kan er ongeacht haar leeftijd abortus laten uitvoeren, gewoon op aanvraag, en dat tot en met de 12de week van de zwangerschap. Na deze periode wordt een aantal voorwaarden gesteld, maar blijft abortus nog steeds zeer toegankelijk. In een staatshospitaal is het tevens gratis, maar vanwege de lange wachtlijsten kiezen velen voor privé-instellingen, die er nu echt een nieuwe markt in hebben gevonden. Daarmee is Zuid-Afrika één van de meest progressieve landen op het vlak van abortus, maar is deze ingreep op het leven er tegelijk ook volledig gebanaliseerd. Gelukkig zijn er ook groepen die proberen tegen deze trend in te gaan en zwangere vrouwen alternatieven aanbieden om de zwangerschap toch te behouden.  In één van onze huizen is samen met de Zusters van Liefde een opvang opgericht voor zwangere vrouwen die bescherming zoeken om hun zwangerschap te voleindigen tegen de druk van hun familie in die hen zelfs met geweld tot abortus willen aanzetten. Ik was er getroffen bij mijn bezoek om jonge moeders te ontmoeten die heel onbevangen hun verhaal deden en nu met grote dankbaarheid zorgden voor hun pasgeboren kindje. Hier werd het “Evangelie van het leven” volle werkelijkheid, maar tegelijk ervaarden we hoe moeilijk het deze groepen hebben omdat ze voortdurend geconfronteerd worden met tegenwerking, vanuit de overheid maar ook vanuit andere internationale ngo’s die sterk vrije abortus propageren.

Eerbiedigen, beschermen, en dan komt bevorderen van de menswaardigheid. Het komt erop aan ons echt te bekommeren om het fragiele leven in al zijn vormen. We denken hier aan mensen met een mentale handicap, mensen met een zware dementie, chronisch geworden psychiatrische patiënten. Neen, voor de maatschappij tellen ze niet of niet meer mee. Ze zijn letterlijk uitgeteld. Het gevaar is dan ook aanwezig dat er steeds minder aandacht gaat naar deze mensen, dat financiële middelen in de zorg vooral gaan in acties die mensen terug nuttig kunnen maken in de maatschappij. In teksten over de  “kost van de zorg” gaat het overwegend over deze groepen die toch niet te genezen zijn. Wanneer men droomt van een “Down-vrije” maatschappij, is dat een teken van vooruitgang van onze beschaving, of gaan we terug naar Spartaanse praktijken waarbij kinderen met een gebrek van de berg werden gegooid? Daar zijn we terecht verontwaardigd over, ook over de nazi-praktijken waarbij mensen met een handicap en psychiatrische patiënten massaal werden vernietigd. Maar zijn we even verontwaardigd over het aanprijzen van vroegtijdige diagnose en een daaropvolgende eugenetische abortus van kinderen met het syndroom van Down. In mijn kamer heb ik een veelzeggende foto staan van een meisje met het syndroom van Down, met de vraag: “Heb ik nog het recht om te leven?”

Het leven bevorderen houdt dan ook in dat we als maatschappij een grote aandacht en zorg aan de dag moeten blijven leggen voor wat we in algemene termen de fragiele medemens kunnen noemen en die niet discrimineren wegens de zogenaamde tekorten die hij of zij bezit. In een land als België, waar vanuit de speciale zorg van de Kerk door vele kloostergemeenschappen een vooruitstrevend netwerk van zorgverlening werd uitgebouwd, heel speciaal voor deze fragiele medemensen, zou het een punt van eer moet zijn om deze traditie verder te zetten en dit als een ruim gedragen maatschappelijke verantwoordelijkheid te beschouwen.

      1. Consequent handelen vanuit onze visie en missie.

Zo kom ik aan mijn derde deel, en dit wens ik heel concreet in te vullen.  Vanuit een duidelijke visie, een goede uitgebouwde theoretisch concept, zijn we gekomen tot een even duidelijke missie en komt het er nu op aan deze missie vlees en bloed te geven.  Dus naar de praktijk!

Onze  missie brengt ons vóór alles bij de caritas. Caritas is vandaag een beladen begrip. Enerzijds kunnen we ons de vraag stellen hoeveel caritas er nog aanwezig is in onze gezondheidsinstellingen en anderzijds hoe wordt het begrip caritas ingevuld. Nog te dikwijls wordt caritas tegenover deskundigheid geplaatst, alsof er vroeger alleen maar caritas was en er nu gelukkig deskundigheid in de plaats is gekomen.

Caritas en deskundigheid hoeven helemaal niet tegenover mekaar te worden geplaatst, wel integendeel.  In echte caritas is de  deskundigheid aanwezig en vindt de caritas haar vertaling in de deskundigheid.

Drie zaken  zijn m.i. belangrijk als we spreken over caritas.

Vooreerst kan er slechts sprake zijn van caritas als we onze handelingen laten vertrekken vanuit een liefdevolle grondhouding, een grondhouding die haar inspiratie vindt in de liefde van God. Caritas is steeds een afstraling van Gods liefde. De ware bron van caritas is de Agape.  Zonder Agape geen caritas.  We moeten ons dus de vraag durven stellen of we nog bereid zijn ons open te stellen voor Gods liefde.  Is er in onze zorg nog ruimte voor de noodzakelijke spirituele voedingsbodem, of is er alles zo verzakelijkt dat daarvoor geen ruimte meer is. Toch moeten we een nuance aanbrengen, want Gods liefde kan ook werkzaam zijn zonder dat men er zich echt bewust van is. Ik verwijs hier naar de gekende passage uit het Mattheus-evangelie waar Jezus het heeft over de oordeelscriteria. Daar zegt Hij dat alles wat we doen voor één van de kleinsten en de armsten aan Hem zelf is gedaan. Dit gevleugeld woord van Jezus komt er als antwoord op de vraag dat men zich niet bewust was dat men liefde voor Jezus had betoond.  De H. Geest kan dus ook werkzaam zijn in mensen die zich niet bewust open stellen voor Gods liefde, maar er zich ook niet a priori voor afsluiten. Maar zij die geloven  kunnen eigenlijk dit excuus niet aanwenden. Dus voor gelovigen geldt echt dat men zich bewust moet openstellen voor Gods liefde om zo doordrongen te worden door zijn liefde en echte caritas-mensen te worden.

Caritas zie ik als een beweging van liefde, compassie, concrete actie en dat op een deskundige wijze. Alles begint inderdaad bij de liefdevolle grondhouding. Dat maakt juist het verschil met de filantropie, waar het uitsluitend gaat over hulpverlening. Bij caritas gaat het over liefde en het is vanuit deze liefde dat men hulp zal verlenen. Vanuit de liefdevolle grondhouding zal men zich openstellen voor het lijden van de medemens en compassie met hem of haar ontwikkelen. Men voelt als het ware het lijden van de andere, men treedt met gans zijn bestaan in het lijden van de andere. Compassie is een emotionele beweging, een affectieve act die zich verder moet vertalen in concrete, effectieve hulpverlening. Bij caritas komt de hulpverlening dus slechts op de derde plaats, na de liefde en de compassie. En men zal deze hulpverlening goed willen doen, zo goed mogelijk, dus op een deskundige  wijze. Caritas zal dus altijd eindigen in deskundige hulpverlening. Wanneer de deskundigheid wordt afgesneden van de caritas, dan schiet er slechts koude techniciteit over. En dat is wat we vandaag soms meemaken in onze gezondheidsinstellingen wanneer het hart van de caritas eruit verdwenen is. Mensen worden er objecten waarop technieken worden uitgevoerd en verliezen hun statuut van subjecten waarmee op een deskundige wijze wordt omgegaan.

Als derde element bij de caritas wens ik opnieuw te verwijzen naar Mattheus 25 waar Jezus zegt dat alles wat men aan de medemens doet aan Hem is besteed. Door de caritas gaan we Jezus zelf zien, ontmoeten en beminnen in de medemens. De medemens wordt de vindplaats van Jezus. Hier komt er als het ware een versmelting van de caritas en gebed. Zowel gebed als caritas worden ontmoetingen met de levende Heer. Dat is wat Vincentius zo gevat uitdrukte wanneer hij het had over het verlaten van God om God te vinden. Het was dan het gebed verlaten om een medemens te helpen, en in feite in het helpen van de medemens het gebed ook verderzetten.

Vanuit deze drie bedenkingen over de caritas is het onze dringende opdracht vandaag onze  handelingen in onze zorgverlening te durven spiegelen aan dit grote ideaal. Caritas op deze wijze ingevuld kan alleen maar een meerwaarde geven aan onze zorg.

Als tweede element zou ik de solidariteit willen aangeven. Onze visie en missie roept ons op om echt solidair te worden met allen die op onze levensweg passeren. We zouden het opnieuw met Levinas kunnen zeggen: “Het gelaat van de andere stelt me voor een ethisch imperatief”. Iedere ontmoeting met de andere, in gelijk welke situatie hij of zij zich bevindt, is een uitnodiging om met die andere rekening te houden, om hem of haar te vragen hoe we hem of haar van dienst kunnen zijn. Het is de concretisatie van de parabel van de barmhartige Samaritaan. Gewoon de aanwezigheid van de andere roept hem op om zijn comfortzone te verlaten en medemens te worden van diegene  die in nood is.

Die parabel blijft m.i. razend actueel. Hoe dikwijls zijn we er niet met allerlei excuses, dat we toch niet alles kunnen doen, dat we er de middelen niet toe hebben, dat er toch andere instanties zijn die hun verantwoordelijkheid moeten opnemen, dat het een taak is van de politiek om daarvoor meer substantiële  oplossingen voor uit te werken.

Solidariteit roept ons op om inderdaad vragen om hulp die op ons afkomen meer structureel aan te pakken, maar tegelijk de onmiddellijke hulp niet uit de weg te gaan. Het is goed dat er armoederapporten worden opgesteld, waar op een heel wetenschappelijke manier het armoedeprobleem in kaart wordt gebracht. Maar we mogen het bij deze rapporten niet laten.  In een tijd van steeds groter wordende bureaucratie en verzakelijking is het gevaar groot dat we problemen gaan inpakken in dossiers en wetenschappelijk onderzoek, in statistieken en sociologische studies, maar dat we de handen niet meer uitsteken om concreet de medemens in nood te helpen. Bureaucratie werkt dikwijls verlammend. Procedures moeten er zijn, maar soms zijn ze een echte belemmering om vlug en adequaat te reageren bij een acute noodsituatie.   We hebben al meegemaakt dat iemand als te ziek wordt beschreven om opgenomen te kunnen worden in een psychiatrisch ziekenhuis.

Subsidiëring van de zorgverlening is een goede zaak en is een teken dat het solidariteitsprincipe ook op het hoogste niveau van de maatschappij is doorgedrongen. Maar wanneer subsidiëring van de overheid een steeds zwaardere reglementering veroorzaakt zodat men uiteindelijk niet meer de mensen kan opnemen waarvoor men initieel het werk is begonnen, dan schort er iets met deze vorm van solidariteit.  Ik denk dat we dit heel sterk aanvoelen in de ganse problematiek van de vluchtelingen. De controlesystemen worden zo groot dat het uiteindelijk moeilijk wordt om het gelaat van de andere nog echt te zien, laat staan om hem de vraag te stellen wat we echt kunnen doen om hem te helpen.

Daarom strijd ik al heel mijn leven tegen de bureaucratie en de verzakelijking, maar u moogt weten dat het een harde en moeilijke strijd is, en ik heb de indruk dat ik er vandaag zeker niet als overwinnaar uitkom. Bureaucratie en verzakelijking fnuiken zowel de caritas als de solidariteit, omdat ze voor caritas en solidariteit geen ruimte meer geven.

Als derde element in ons vertaalwerk van onze missie zou ik de aandacht willen vestigen op de strijd om het absoluut respect van alle leven te handhaven en ook te bevorderen.  Ik denk dat we hier voor een enorme uitdaging staan, vooral hier in onze Westerse wereld waar de absolute zelfbeschikking, absolute autonomie en de absolute vrijheid de absoluutheid van het respect voor alle leven grondig aantast en zelf helemaal verdrukt.

Vanuit ons christelijk mensbeeld, waarbij we de mens beschouwen als geschapen door God naar zijn beeld en gelijkenis, verlost door Christus en geroepen om eenmaal in te treden in de eeuwigheid van Gods liefde, kunnen we niet anders dan een absoluut respect voor alle leven te verdedigen.

Het gevaar is vandaag dat we alles plaatsen onder de intentiemoraal, en de moraliteit van iedere daad afhankelijk gaan maken van de intentie van waaruit deze daad is gesteld. Ik ben niet tegen de intentiemoraal en een ethiek waar wel degelijk rekening wordt gehouden met de intentie, maar er zijn nu eenmaal daden die intrinsiek kwaad zijn, daden die juist de integriteit van het leven aantasten. We zitten hier in de volle realiteit wanneer we het hebben over euthanasie. Hier raken we het leven als dusdanig en wordt een daad gesteld die intrinsiek slecht is. Het doden van een medemens kan nooit door de intentie waarmee de daad wordt gesteld als minder kwaad en zelfs als een goed worden beschouwd.  Euthanasie kan nooit als een vijftiende werk van barmhartigheid worden beschouwd.

Als Broeders van Liefde worden we met deze vragen geconfronteerd bij psychiatrische patiënten die zwaar psychisch lijden en die hun lijden als uitzichtloos en ondragelijk gaan beschouwen. We mogen onszelf niet afsluiten van deze realiteit, maar euthanasie als antwoord aanbieden bij deze patiënten is m.i.  een grove vergissing en getuigt van een falen van onze psychiatrische zorg, want het gevoel van uitzichtloosheid is juist dikwijls kenmerkend  bij een psychiatrische aandoening. Het is dan aan de hulpverleners om alles in het werk te stellen om deze patiënten nabij te zijn en nabij te blijven en hen nooit het gevoel te geven dat ze zogezegd uitbehandeld zijn.

Maar ook in onze zorg voor mensen met een zware mentale handicap, met een zwaar dementerend proces worden we met deze vragen geconfronteerd. In plaats van ons te begeven op sacrale grond en de sacraliteit van het leven aan te tasten, moeten we daarentegen alles in het werk stellen om deze mensen te blijven verzorgen met het beste dat we hen kunnen geven. Ik huiver wanneer we zouden moeten zeggen dat euthanasie voortaan bij ons behandelingspakket zal worden gevoegd.

Het is niet om trendy over de komen dat we als laatste element van onze concretisatie van onze missie het trio vrede, gerechtigheid en heelheid van de Schepping aangeven. Het is de sociale zijde van de evangelische boodschap die we hier gestalte willen geven. Het gaat dan vooral over de wijze dat we met mekaar omgaan op de werkvloer, in de werksituatie. Ook dit moet de evangelische toets doorstaan. Het gaat over de relatie met de medemens en met de omgeving. Plaatsen waar mensen worden verzorgd en begeleid, plaatsen waar mensen in moeilijkheden terecht kunnen en armen worden opgevangen, moeten inderdaad goed georganiseerd worden, maar het moet met een heel speciale vorm van management gebeuren. Deze plaatsen moeten mensgericht blijven naar diegenen die er om hulp vragen als naar diegenen die er de hulp verlenen. Het moeten menselijke organisaties blijven.

In onze westerse maatschappij zal het vooral gaan over het behoud van dat menselijke gelaat, zelfs in  groter wordende organisaties. Als een organisatie er niet is om te dienen, dient ze tot niets. Wat heeft het laatste woord in de besluitvorming: de financiële balans of de mens die er verzorgd en gediend wordt? Wat zijn de thema’s die op de Raad van Bestuur verschijnen: heeft men het er nog over de mens die men er verzorgt, en heeft men het er nog over de medewerkers, of zijn dat allemaal effectieven geworden binnen het zakencijfer?

Wanneer ik naar Afrika ga, die word ik er geconfronteerd met zware vormen van corruptie. Dan komt het erop aan om als voorziening te weerstaan om gewoon maar mee te doen met deze corruptieve praktijken. We worden er geconfronteerd met etnische spanningen die soms heel moeilijk te overkomen zijn. Zijn onze voorzieningen daar plaatsen waar men inspanningen doet om vredevol met mekaar samen te leven en samen te werken?

Vandaag is er een grotere gevoeligheid voor het klimaat, voor onze ecologische voetafdruk. Dat moet ons als christen ook bezig houden; de zorg voor de schepping is onrechtstreekse zorg voor de mens, voor zijn voortbestaan en voor zijn toekomst. De schepping is ons in handen gegeven om haar te cultiveren en niet om haar te verwoesten. Ook dat mag geen theoretische overweging blijven, maar moet zich heel concreet vertalen in ecologische maatregelen waar we echt onze verantwoordelijkheid kunnen voor nemen. Het gaat dan over energieverbruik, over de voedselverspilling, over het gebruik van water.

We kunnen iets leren van abdijen die soms heel consequent maatregelen nemen die een groot positief ecologisch effect hebben.

      1.  Voor de hele mens en voor alle mensen …

Het bracht ons tot een wandeling vanuit onze visie, over onze missie naar hoe we dit concreet proberen te vertalen. Het concrete blijft de verantwoordelijkheid van eenieder van ons en zal verschillende invulling krijgen hier in België en in Afrika of Azië.

Vanuit ons eigen charisma als Broeders van Liefde,  dat ons handelen toch heel concreet blijft tekenen, blijven we een eigen invulling te geven aan deze opgave om ontwikkeling steeds te zien voor de hele mens en voor alle mensen. We zeggen daarbij niet dat we het allemaal op een ideale manier verwezenlijken. Spanningen en zelfs meningsverschillen zijn ons niet vreemd, maar steeds worden we opgeroepen om bij concrete spanningsvelden terug te keren naar onze missie en uiteindelijke naar onze visie die de grote oriëntatie moet blijven waarvan we niet kunnen afwijken.

 

Br. René Stockman

Juni 2019

Bidden en strijden blijf ik, wat zij mij ook doen

In zijn tweede brief aan de Tessalonicenzen spreekt Paulus over de wederkomst en haar voortekens. Sommigen verwijzen graag naar deze tekst en beweren dan dat de huidige tekenen van de tijd het einde der tijden inluiden. We geloven dat er een einde der tijden zal komen, het moment dat God alles in Christus zal herstellen, zoals het zo mooi werd uitgedrukt door de heilige Paus Pius X: “Instaurare omnia in Christo”. Maar Paulus spreekt vooral over de tijd die dit grote moment in de geschiedenis zal voorafgaan, en in feite leven we reeds in deze tijd vanaf de komst van Christus op aarde. Het is de tijd tussen de verrijzenis en de hemelvaart van Christus en het moment dat Christus zal terugkomen om allen te oordelen. Het is de voorbereidingstijd op het moment dat we ten volle zullen worden opgenomen in Gods heerlijkheid. Ten tijde van Paulus dachten velen dat de Heer Jezus heel vlug zou terugkomen, en daarom vonden ze het niet meer de moeite zich hier op aarde nog in te zetten. Paulus’ brief is als waarschuwing heel speciaal geschreven aan deze mensen die, zoals hij het zo mooi uitdrukt, “werkeloos rondhangen, alle moeite schuwen, maar wel zich met alles bemoeien” (2 Tess. 3, 11). Aan dezen geeft hij de volgende oproep: “Wij moeten u echter verzoeken, broeders, in verband met de komst van onze Heer Jezus Christus en onze hereniging met Hem, niet zo gauw uw bezinning te verliezen en u niet te laten opschrikken door profetieën of uitspraken of een brief die van ons afkomstig zou zijn, en die beweren dat de dag van de Heer is aangebroken. Laat u door niemand iets wijsmaken!” (2 Tess. 2, 1-3). We kennen inderdaad die profeten die niet ophouden het einde van de wereld te voorspellen. En steeds hebben ze een excuus waarom het ditmaal opnieuw niet is gelukt. Eigenaardig hoe sommigen daarin blijven trappen. Paulus zegt het ons uitdrukkelijk: “Laat u door niemand iets wijsmaken”.

Maar daarna gaat hij in op de zogenaamde tussentijd, de voorbereidingstijd op de definitieve terugkomst van Christus, dus onze huidige tijd, en deze woorden kunnen ons niet onbewogen laten. “Eerst moet de grote afvalligheid van het geloof komen en de goddeloze Mens zich openbaren, de Zoon des verderfs, de Tegenstander, die zich verheft boven al wat God heet of verering ontvangt, zo zelfs dat hij zich neerzet in Gods tempel en zich voor God uitgeeft” (2 Tess. 2, 3-4).
Niemand minder dan Augustinus heeft deze tekst van Paulus aangewend om grondig na te denken in zijn werk “De civitate Dei”, waarin hij twee rijken tegenover mekaar zet: de “Civitas Dei” en de “Civitas diaboli”. En hij verwijst uitdrukkelijk naar een volgende vers van de brief van Paulus: “Het geheim der goddeloosheid doet zijn werking al gevoelen; alleen moet degene die hem nu tegenhoudt nog worden uitgeschuitgeschakeld” (2 Tess. 2, 7). En opnieuw is het goed om het vervolg van Paulus ook te lezen: “De komst van de Goddeloze zal steunen op de kracht van de satan, en vergezeld gaan van allerlei wonderen, tekenen en goochelkunsten, en van alle mogelijke misdadige verleiding, bestemd voor hen die verloren gaan, omdat zij zich hebben afgesloten voor de liefde tot de waarheid, die hen had kunnen redden. En daarom zendt God hun een geest van dwaling, zodat zij geloof hechten aan de leugen, en allen veroordeeld worden die de waarheid geweigerd hebben en de ongerechtigheid gekozen” (2 Tess. 2, 9-12).
Paulus eindigt zijn tekst met een aanmoediging, die we ook als tot ons gericht mogen beluisteren. “Dus, broeders, staat vast en houdt u aan de overleveringen waarin gij door ons, hetzij mondeling hetzij schriftelijk, zijt onderwezen. Moge de Heer Jezus Christus zelf, moge God, onze Vader, die ons zijn liefde heeft betoond en ons in zijn genade eeuwige troost en blijde hoop heeft geschonken, uw harten bemoedigen en sterken met alle goeds in woord en daad” (2 Tess. 2, 15-17).

We kunnen iets leren van deze brief van Paulus en ook de toepassing die Augustinus maakte in zijn boek “De stad van God”. Daarin plaatst hij twee liefdes tegenover elkaar: de eigenliefde, zoals deze zich in de aardse stad uitdrukt en God minacht en ruimte schept voor de duivel, en de liefde tot God, zoals deze zich in Gods stad uitdrukt en oproept om zichzelf te verloochenen om alle ruimte aan God te geven. God en Satan worden hier duidelijk tegenover mekaar gezet. Het is vandaag moeilijk spreken over Satan, over de duivel, over het kwade. Maar het is wel opvallend hoe ook Paulus uitdrukkelijk spreekt over de “Goddeloze”, en “Tegenstander”, en hoe hij deze zelfs met een hoofdletter schrijft. Neen, het kwade is voor hem geen onpersoonlijk gegeven, maar wel degelijk een persoon, een werkelijkheid, die de macht heeft zich tegenover God te plaatsen en zich als tegenstrever van God op te werken. Paus Franciscus plaatst zich zeker in de lijn met Paulus wanneer ook hij de aanwezigheid en de werking van Satan zeker niet verdoezelt en daar zo dikwijls op terugkomt in zijn catechese.
We kunnen nog verder gaan. Wanneer we spreken over het Rijk der hemelen, waar God heerst, kunnen we eveneens spreken over het Rijk van Satan. In de “civitas diaboli”, aldus Augustinus, heerst de “corpus diaboli”, waarin Satan en zijn volgelingen aanwezig zijn, en die proberen hun eigen moraal in de wereld te verspreiden.
De tactiek van Satan is wel heel speciaal en dubbel: enerzijds probeert hij het Rijk der hemelen te verduisteren, en anderzijds probeert hij de mens te overtuigen dat hij niet bestaat. Daarmee stort hij de mens in een leegte, waarin het ontbreekt aan enige oriëntatie, maar waarbij ook de weerstand tegen het kwade verdwijnt. Men verliest het zicht op het Rijk der hemelen, op God, en tegelijk ontbreekt het de mens aan weerstand om zich tegen de duivel te verzetten, want waarom zou men zich moeten verzetten tegen iets dat toch niet bestaat?

Is dat geen treffend beeld van wat we momenteel meemaken in onze westerse samenleving? God is als horizon in het leven van vele mensen verdwenen. De duivel heeft de mens kunnen overtuigen dat God een illusie is, en dat de mens God helemaal niet nodig heeft om gelukkig te zijn, wel integendeel. Door de geboden en de kerkelijke moraal als een zware last voor te stellen, die alleen maar tot doel hebben het geluk van de mens te onderdrukken en hem te belemmeren om zich als mens volledig te ontplooien, werd als het ware een nieuwe religie gelanceerd: deze van het ideaal van het individualisme en de absolute zelfbeschikking, autonomie en vrijheid. De mens heeft aan geen enkele instantie over zijn daden verantwoording af te leggen. Maar de duivel heeft de mens ook de illusie gegeven dat hijzelf niet bestaat, dat dus ook het kwade niet bestaat, dat alles toegelaten is. Dat is wat Augustinus juist de “Civitas diaboli” noemt, waar uitsluitend de eigenliefde regeert en waar God wordt geminacht.

Bij een bezoek aan de Dom van Firenze met een groep familieleden, werd onze aandacht getrokken op fresco’s die de hel met duivels erin voorstelden. Er ontspon zich een geanimeerd gesprek over het bestaan van de hel en over het bestaan van duivels. Dat was inderdaad goed voor de middeleeuwse kunstenaars die probeerden hun toenmalige theologische denkbeelden visueel uit te drukken, maar daar zouden we vandaag toch geen boodschap meer aan hebben. Het deed me denken aan het merkwaardig boekje van mijn vriend Valeer Neckebrouck “Naar de hel met de hel”, die juist het bestaan van Satan en de hel probeert te bewijzen met zovele uitspraken van Jezus zelf. Het is alsof we dit deel van de boodschap van Jezus bewust aan het vergeten zijn. Het blijft natuurlijk gissen wie Satan en zijn trawanten juist zijn en hoe ze zijn ontstaan. Meestal probeer ik hun bestaan aan te tonen door te verwijzen naar de gespletenheid die we in onszelf voelen, de bekoringen die we doorstaan, onze neiging door het kwade te worden aangetrokken en de zichtbare werking van het kwade in en rondom ons. Kunnen we Satan en zijn trawanten zelf niet zien, we kunnen hen wel voelen in het diepste van onszelf en hen ook ontwaren in het vele kwaad dat in de wereld heerst en er dikwijls zelfs lijkt te overheersen. Wanneer onlangs een terroristische aanslag werd gepleegd door extremistische moslims op christenen in Sri Lanka, werd herhaaldelijk naar het kwade verwezen. “Dat is het werk van de duivel”, becommentarieerde Kardinaal Ranjith het pijnlijke gebeuren.
Misschien kunnen we het ontstaan van Satan en zijn trawanten het best situeren op het moment dat God de engelen schiep tezamen met het licht. Toen God het licht van de duisternis scheidde, zonderde zich een groep engelen van dit licht af, dat God is, omdat ze hun eigen god wilden zijn en zo werden ze de machten van de nacht, van de duisternis. Het is met dezelfde begeerte dat ze ook de mens proberen te verleiden: hun eigen god te worden, zo treffend reeds omschreven in het scheppingsverhaal waar de slang tot de vrouw zegt: “God weet dat je ogen open zullen gaan als je van die boom eet, en dat je dan gelijk zult worden aan God, door de kennis van goed en kwaad” (Gen. 3, 5). Het is het verhaal van alle tijden en ook in ons voelen we de bekoring onze eigen god te willen zijn. Maar ook al heerst er nu in deze tijd een strijd tussen het licht dat God is en de duisternis die de Satan is, we weten dat het licht eenmaal zal zegevieren. Met Johannes kunnen we zeggen: “God is licht, er is in Hem geen spoor van duisternis” (1 Joh. 1, 5). Tot daar dit tussendoortje over het ontstaan en het bestaan van de duivel, van Satan en zijn trawanten.

Door de zonde, het werk van de Satan, werd onze menselijke natuur, die in oorsprong goed was – want geschapen door God naar zijn beeld en gelijkenis – verwond, maar niet volledig verwoest. De zonde, dus de Satan, is de oorzaak van onze morele wanorde welke aanleiding geeft tot de zonde, maar ook van onze fysische wanorde die uiteindelijk tot de dood leidt. Dood, ziekte, lijden, angst, twijfel, conflicten,… het zijn allemaal resultaten van de zonde, het werk van de Satan.

Maar Satan werkt niet alleen op het individuele vlak, in het persoonlijke leven van iedere mens, maar ook op een gestructureerde wijze, en meer bepaald in de wereld en in de Kerk, als mystiek Lichaam van Christus, met het doel zowel de Kerk als de wereldorde te verstoren.

Zoals reeds aangegeven zien we het werk van de boze in de vele terroristische aanslagen, het leed dat mensen mekaar aandoen, ook het lijden dat mensen heel persoonlijk treft. Daarnaast probeert de boze op een meer gestructureerde wijze de orde in de wereld om te vormen en er echt een wereld van de Satan van te maken. De ganse beweging, die begon met de Verlichting, waarbij God geleidelijk aan uit het wereldbeeld werd verdrongen, en die daarna verschillende hoogtepunten kende – bijvoorbeeld bij de Franse Revolutie, bij de vestiging van het communisme in verschillende delen van de wereld, en het steeds verder oprukkende secularisme – mag beschouwd worden als een gestructureerde manipulatie van de boze in de wereld. Het wordt een wereld zonder God, waar God ook effectief wordt bestreden en waar de boze zelf uiteindelijk het voor het zeggen heeft. We zien het vandaag op een heel speciale wijze in het opdringen van een nieuwe wereldorde, waar het verschil tussen man en vrouw wordt opgeheven door de zogenaamde gender-ideologie en waarbij uiteindelijk iedereen het recht verkrijgt te kiezen tot welk geslacht hij of zij behoort; waar het huwelijk als instituut een volledige nieuwe invulling krijgt en waarbij het klassieke patroon van een man-vrouwrelatie wordt verlaten; waar de procreatie uit de seksualiteit wordt geweerd en waarbij alléén nog het genot wordt nagestreefd; waar de absolute eerbied voor het leven wordt vervangen door het promoveren van de absolute zelfbeschikking en waarbij abortus en euthanasie tot een individueel recht worden verheven. Het is verrassend hoe vlug deze fundamenteel gewijzigde visies over mens en wereld door de massa worden aanvaard en zelfs gepromoot en hoe marginaal men wordt wanneer men het nog aandurft bepaalde van deze strekkingen en verschuivingen in vraag te stellen. Het gaat hier om een efficiënt geleide, gestructureerde en georkestreerde hersenspoeling die haar echte oorsprong vindt in de actie van Satan en zijn trawanten, en die daarvoor mensen en organisaties als gedweeë instrumenten gebruiken om deze nieuwe ideeën op te dringen, door hen de illusie te geven dat ze zo meewerken aan de realisatie van een betere wereld, waar de grote principes van vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid worden gehuldigd, maar wel op een heel eigenzinnige antichristelijke wijze worden ingevuld.

Maar de Satan en zijn trawanten richten hun pijlen bovendien ook op de Kerk, en misschien wel bijzonder op de Kerk. Hier kunnen we onmiddellijk een band leggen met de misbruikschandalen die de Kerk blijven teisteren, en waar leden van de Kerk door hun seksueel wangedrag ernstige schade aanbrachten aan de Kerk. Maar subtieler zijn de verwarringen die ook reeds lange tijd door sommige priesters en bisschoppen op het vlak van de kerkelijke doctrine en moraal gezaaid worden. De Kerk moet tegelijk “Mater et Magistra” zijn, maar het “Mater”-zijn mag niet in tegenspraak zijn met het “Magistra”-zijn. Het is terecht dat de Kerk een grote pastorale bekommernis aan de dag legt naar de gelovigen toe en een belangrijke plaats geeft aan de barmhartigheid en de vergeving, maar daarom hoeft ze haar doctrine niet af te zwakken. Het blijft de opdracht om opnieuw in de geest van Augustinus “de zonde te verafschuwen, maar de zondaar lief te hebben”. We hebben de zondaar niet lief door de zonde te vergoelijken. Daar bewijzen we niemand een dienst mee, behalve aan het kwade zelf. Het kwade wordt niet bestreden door er compromissen mee te sluiten: daarmee wordt het kwade in stand gehouden, bevestigd en zelfs versterkt.
Het zaaien van verwarring, wat we reeds geruime tijd binnen de Kerk meemaken, is duidelijk het werk van de boze, en waar verwarring heerst, groeit ongenoegen en worden tegenstellingen uitvergroot en aangewakkerd. Wanneer Satan en zijn trawanten er alles aan doen om niet enkel in de burgerlijke samenleving, maar ook in de Kerk op een subtiele wijze verwarring te zaaien, zijn de negatieve gevolgen voor het geestelijk heil van de mens en de wereld nog groter en destructiever. Want de Kerk is het mystieke Lichaam van Christus, en via de Kerk probeert Satan een rechtstreekse strijd te voeren en verder te zetten met Christus, en dus met God. Het bekoringsverhaal van de woestijn wordt verdergezet, en telkens opnieuw worden kerkmensen verleid om neer te knielen voor de passie van de macht, het genot en het geld. Hun enig antwoord zou moeten zijn wat Jezus zelf antwoordde: “Weg, Satan; de Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen” (Mt. 4, 10). En we lezen er graag de woorden van de evangelist bij: “Nu liet de duivel Hem met rust en er kwamen engelen om Hem hun diensten te bewijzen” (Mt. 4, 11).

Het is precies deze laatste zin die ons hoopvol moet stemmen. Want ook al kan onze strijd met de Satan hevig en zwaar zijn, en worden we geconfronteerd met steeds nieuwe en ongeziene wijzen waarmee hij de mensen, de wereld en de Kerk wil inpalmen en hen doen neerknielen voor zijn heerschappij, God laat ons in deze strijd nooit alleen. Hij blijft ons nabij met zijn genade, op voorwaarde dat wij er ons voor openstellen. Dat heeft Hij op een bijzondere wijze getoond door ons zijn Zoon te zenden om ons van de absolute macht van het kwade, van de dood te verlossen. Het is opvallend dat Maria bij haar verschijningen op zovele plaatsen steeds terugkomt op bekering, versterving en gebed om de verleiding van de boze te weerstaan en om de wereld te redden, om van de wereld echt de “Civitas Dei” te maken. Daarom moeten wij het geloof bewaren, het geloof zoals het ons door Christus is voorgeleefd en verkondigd en zoals het ons volgens de eeuwenoude traditie binnen de Kerk wordt voorgehouden. We moeten aan de verleiding weerstaan om van het ware geloof een zelf geconstrueerde religie, leer of ideologie te maken, er onze eigen interpretatie aan te geven of er een religie naast vele andere religies van te maken. We moeten het woord van Jezus eerbiedigen die ons in alle duidelijkheid heeft gezegd: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven” (Joh. 14, 6). Hij heeft niet gezegd dat Hij een weg, een waarheid en een leven is. Alleen wie door de deur die Christus is de schaapstal binnengaat (cf. Joh. 10, 1-21), zal worden gered.

Dit geloof zal ons hoop geven. Het is de hoop die ons in de last en de zwaarte van de strijd het perspectief op de redding open houdt. Ik las ergens dat er in de Bijbel 365 keren de zin: “Vrees niet” wordt uitgesproken alsof ons voor iedere dag van het jaar een hoopvol perspectief wordt aangeboden. Dat geeft ons ook de moed om het nooit op te geven, en zoals ik in de titel aangaf, te blijven bidden en strijden, hoe het kwade ons ook tracht te treffen, zelfs via mensen van wie we dit het minst zouden verwachten. Niemand is immers immuun voor de verleiding van Satan. Maar laat het altijd een strijd zijn voor de ware en enige “Civitas Dei” en niet onze eigen “civitas”, die heel vlug een “Civitas diaboli” kan worden.

Br. dr. René Stockman

mei 2019

Een wolf in schapenvacht

Blijkbaar zijn we met het “euthanasiedebat” in een nieuwe episode getreden.  Juist voor de verkiezingen lanceert Dr. Distelmans een petitie waarin hij oproept om de euthanasiewet aan te passen en te verruimen voor mensen met dementie en andere vormen van onomkeerbare, verworven wilsonbekwaamheid die een eerdere wilsbeschikking in die zin opgesteld hebben.

Met zijn pleidooi raakt hij natuurlijk een gevoelige snaar en wanneer men de tekst leest wordt men meegesleurd met zowel een gevoel van compassie als verontwaardiging.  Wie is niet getroffen door het lijden van mensen met dementie, die de controle over hun eigen leven stilaan maar zeker zien wegkwijnen  om te eindigen in een totaal beneveld bestaan? En door de onmacht die dit veroorzaakt bij de omringende familieleden?  Niemand kan noch zal ontkennen dat dementie een zwaar lijden is, en volgens de tekst zouden er in de toekomst, tegen 2035, de helft meer mensen met dementie bijkomen.  Dus het wordt hoogtijd om actie te ondernemen.  En welke actie wordt voorgesteld?  Het antwoord dat in de petitie wordt aangereikt is dubbel maar tegelijk dubbelzinnig: er moeten enerzijds meer en betere voorzieningen komen om mensen met dementie passend op te vangen maar anderzijds een wettelijke regeling om hen via een spuit uit dit lijden te verlossen.  Wordt daarmee niet gesuggereerd dat het laatste een veel comfortabeler en goedkopere oplossing is?  Wanneer mensen met beginnende dementie en hun familieleden dit lezen kan het bijna niet anders dat ze schuldgevoelens moeten krijgen wanneer ze niet aan euthanasie zouden denken om zo de last van de gemeenschap die hun toestand zal veroorzaken weg te nemen.  Euthanasie wordt hier verheven tot het summum van filantropie en dit vanuit tweevoudig standpunt: de persoon in kwestie wil geen last zijn voor de gemeenschap en de gemeenschap verlost de persoon met dementie uit een zwaar lijden.  Is er een beter alternatief voorhanden?

Zoals dikwijls zit het venijn ook hier in de staart.  Daar wordt gegoocheld met statistieken als zou 83 % van de bevolking, door de auteur een verpletterende meerderheid genoemd, voorstander zijn om de wet aan te passen.  Het zijn wel voorlopige resultaten van een “stemtest” in de media.  Wat is de wetenschappelijke waarde van deze enquête en met welke a priori informatie op de achtergrond hebben mensen deze test ingevuld?  Het is nu eenmaal al jaren de tactiek van bepaalde groepen om juist via het creëren van compassie en verontwaardiging de visie van mensen te beïnvloeden.  Argumenten doen het vandaag nog amper, maar wel emoties.  Eenmaal de emotionele snaar betokkeld is er nog weinig ruimte om naar argumenten te luisteren.  En dat wordt ook hier gretig uitgespeeld.  Met het aangeven van deze cijfers wordt aan hen die er anders over denken nog maar eens een extra schuldgevoel aangesmeerd.  Hoe asociaal moet men toch zijn om tot die 17 % te behoren die niet gewonnen is om de euthanasiewetgeving uit te breiden?  Niet alleen asociaal maar ook zeer onbarmhartig.  Weigeren van euthanasie wordt hier omschreven als het bewust en gewild in stand houden van mensonterende situaties.  Dat kan toch niemand aanvaarden.  Met de bijkomende video’s die aan de petitie zijn gekoppeld wordt de emotie totaal.  Men moet zijn hand tegenhouden om niet onmiddellijk de petitie te ondertekenen.  Van een geslaagde marketing gesproken.

Onlangs woonde ik een optreden bij van een koor van bejaarden met een zware dementie.  Een prachtig initiatief van een Vlaams rust- en verzorgingstehuis dat creatief op zoek ging om mensen met dementie iets van hun menswaardigheid terug te geven.  Misschien hadden enige van deze bejaarden voor dat de dementie hen wilsonbekwaam maakte om euthanasie gevraagd.  Nu zagen we hen liederen uit de oude doos zingen, met de lach op het gezicht en familieleden die hun emoties amper konden bedwingen.  Maar het waren emoties van dankbaarheid, van herwonnen en gekoesterde menswaardigheid in een heel beperkt bestaan.  Hier toonde de gemeenschap zich op haar best, met haar meest humaan gelaat, in de zorg voor hen die deze zorg het meest nodig hebben. Naar zo een maatschappij moeten we verder evolueren, en niet afglijden naar een maatschappij waar de spuit van de euthanasie als ultieme therapie wordt verheven en aangeprezen. Een pleidooi houden voor  palliatieve zorg en tegelijk de spuit in de hand nemen is meer dan hypocriet.  Dat is de taal van de wolf in schapenvacht die zijn schapen misleidt.

Mogen we toch nog even de andere snaar betokkelen en tegelijk aan de alarmbel trekken en vooruitkijken welke weg wordt ingeslagen wanneer deze wetsaanpassing zou worden goedgekeurd.  Daarmee wordt de weg geopend om ook andere wilsonbekwamen met de genadige spuit van dienst te zijn.  Ik denk dan aan mensen met een zware mentale handicap die reeds vanaf hun geboorte wilsonbekwaam zijn en dus nooit de gelegenheid hebben gehad om euthanasie te vragen.  Zouden wij dat niet in hun plaats kunnen doen om hen zo uit hun vreselijk lijden te verlossen? En daarmee de maatschappij ook een dienst te bewijzen, want hun zorg is toch een grote financiële last voor de gemeenschap?  Wanneer deze gemanipuleerde logica op een voldoende emotionele wijze zal worden aangebracht, zullen er nog weinig zijn die zich daartegen durven verzetten.  Opnieuw een stap voorwaarts in het creëren van een maatschappij waar de sterken het voor het zeggen hebben.  Waar zal dit eindigen?

Ik neem ook het recht om te spreken vanuit mijn christelijke overtuiging.  Daar mag toch ook nog ruimte voor zijn in ons democratisch en pluralistisch bestel?  Of zullen de wolven in schapenvacht ons ook hier het zwijgen opleggen, in naam van een verwrongen pluralisme?  Als christen blijven we getuigen dat het leven, ieder leven, absolute beschermwaardigheid verdient en dat we ons niet mogen laten meeslepen met een mentaliteit waar zelfbeschikking en autonomie tot nieuwe absolute waarden zijn verheven. De verabsolutering van de persoonlijke vrijheid die zich dan manifesteert in een absolute zelfbeschikking is niet compatibel met ons christelijk mensbeeld.  Daarmee spreken we geen oordeel uit over mensen die om euthanasie verzoeken vanuit een ander mensbeeld dat ze hanteren, maar tegelijk vragen we eerbied en ook bescherming voor hen die niet willen raken aan wat hen en ons door God is gegeven.  Het leven is ons geschonken, vanaf de conceptie tot de natuurlijke dood, en daar willen we eerbiedig en zorgzaam mee omgaan. Daaraan raken is als een doorbreken van een taboe.  Er zijn terreinen waar we als mens moeten afblijven, omdat ze ons gegeven zijn om er als goede beheerders mee om te gaan en er niet als onterechte eigenaars naar willekeur mee te handelen. Mogen we hier andere christenen oproepen om zich niet zomaar te laten meeslepen met emoties en daarmee ieder dieper nadenken over het leven, over de zin van het leven, over de plaats van het lijden en de dood in het leven het zwijgen op te leggen.  Laat ons de moed hebben om hier tegendraads te denken en te handelen, tegen de stroom in te varen en vooral mekaar aan te moedigen in deze strijd met ongelijke wapens.  Niet om ons eigen gelijk te halen, maar om het leven, alle leven te eerbiedigen, omdat het heilig is.

Br. dr. René Stockman

mei 2019

De afglijding gaat verder en wel in een versneld tempo!

Neen, het waren geen wrede beelden zoals we de laatste tijd verschillende malen moesten aanschouwen bij de bloedige aanslagen in Sri Lanka en andere plaatsen, maar juist een zeer vredevol tafereel dat ons totaal onthutste. Ditmaal was het een kranige tachtiger die besloot om euthanasie te vragen omdat ze het overlijden van haar dochter niet kon verwerken. De laatste morgen van deze dame werd gefilmd en we zagen hoe ze nog een smakelijk ontbijt nam, daarna naar haar fysiotherapie ging en dan met een vriendin de dokter afwachtte die haar het dodelijke drankje zou brengen. De dokter hanteerde de term “ondraagelijk psychisch lijden” om de euthanasie te verantwoorden. Maar de evaluatiecommissie had daar vragen bij en stelde dat de voorgeschreven procedure niet werd gevolgd. Op zich was dit reeds een historisch moment, want het was de eerste maal dat de evaluatiecommissie een dossier doorstuurde naar het parket. Had men de film niet internationaal verspreid zou de commissie misschien wel het subjectieve stilzwijgen gehanteerd hebben, zoals ze tot nu toe steeds deed.
Maar nu was het de raadkamer zelf die voor een oplossing zorgde: men vond dat hier geen sprake was van euthanasie, maar hulp bij zelfdoding, en daar worden artsen wanneer ze beslissen daaraan mee te helpen niet voor vervolgd. Daarmee zijn we in een nieuwe episode getreden en werd een precedent gecreëerd waar nog gretig gebruik zal worden van gemaakt.

Het beeld van de vrouw die het drankje uitdrinkt die de geneesheer haar aanreikt en na vijf minuten dood is kunnen we niet zomaar van ons netvlies halen. Ik heb het reeds met verschillende groepen bekeken, en steeds is de reactie dezelfde: verontwaardiging, ongeloof en de pijnlijke verzuchting: “Dat kan toch niet…”. Het kan voortaan in België wel en alle voorwaarden en zorgvuldigheidsregels waarmee men zogezegd wil garanderen dat de euthanasie volgens het boekje verloopt kunnen nu gewoon opzij worden geschoven. Het is nu deskundige hulp bij zelfdoding geworden, en dit dank zij de rechtbank en niet omwille van de evaluatiecommissie. Deze commissie, in het leven geroepen niet om patiënten maar wel om artsen te beschermen die euthanasie uitvoeren, is in het licht van de nieuwe rechtspraak gewoon zinloos op de wijze dat ze nu werkt.

Het zegt natuurlijk ook veel over onze rechtspraak en hoe deze steeds meer wordt beïnvloed door sentimenten en steeds minder rekening houdt met argumenten. Het is gekend dat het vandaag nog moeilijk spreken is over euthanasie zonder onmiddellijk de sentimentele toer op te gaan en het woord barmhartigheid te horen vallen. Maar dit is nu ook ingeslopen in de rechtspraak die het toch niet kon maken om een onsympathiek besluit te nemen tegen de geneesheer die zichzelf tot barmhartige Samaritaan had verklaard. Het is misschien daarom dat het wellicht onmogelijk wordt om ooit nog de “Rechtvaardige Rechters” van Van Eyck terug te vinden.

Hoe dikwijls is het reeds gezegd dat men zich op glad ijs begeeft wanneer men euthanasie gaat toepassen bij ondraaglijk psychisch lijden. Een terecht verdriet, dat tijd vraagt om te helen, werd na drie maanden bestempeld als ondraaglijk psychisch lijden en de enige therapie die werd aangeboden was het dodelijk drankje. Kunnen we hier nog spreken van geneeskunde? Het was gewoon choquerend de geneesheer na de ingreep te horen zeggen dat zijn patiënte, of moeten we eerder zeggen zijn slachtoffer, nu gelukkig was. Blijkbaar beschikte hij zelfs over paranormale gaven om dit te kunnen bepalen. Zijn dodelijk drankje werd dus een gelukselixir. Hij heeft nu de wettelijke dekking gekregen om dit verder voor te schrijven en nog andere mensen gelukkig te maken. Hoever zullen we nog verder afglijden?

Br. René Stockman

mei 2019

Spijbelen voor het leven?

Scholieren die spijbelen voor het klimaat. Het is de laatste tijd een gekend verschijnsel geworden. Alvast een unieke vondst om zo de aandacht te trekken van een ganse gemeenschap, politici incluis, op een meer dan gevoelig thema waarover het laatste woord nog niet is gezegd. En dan zal dit woord laveren tussen doemdenken en relativeren. De waarheid zal zoals steeds wel ergens in het midden liggen.

Of spijbelen nu de gepaste wijze is om te protesteren, ook daarover lopen de meningen uiteen. Objectief blijft spijbelen toch steeds onwettig afwezig zijn tijdens de schooluren, tenzij een wettige reden kan worden aangegeven, maar dan is het geen spijbelen meer. Wordt er een gevaarlijk precedent geschapen door dit spijbelen voor het klimaat goed te keuren en zelfs aan te moedigen? Wat met de scholieren die kiezen om niet deel te nemen aan deze manifestatie? Zullen ze door hun medeleerlingen en zelfs door sommige leerkrachten nu met een scheef oog bekeken worden en als asociaal bestempeld worden, gevoelloos voor de grote maatschappelijke problemen? Het belang van de aandacht voor het klimaat mag echter niet geminimaliseerd worden. Maar zijn er nu echt geen andere wegen om enerzijds de leerlingen op een adequate wijze méér milieubewust te maken en hen anderzijds de ruimte te bieden om ook in dit debat hun stem te laten horen?

We moeten bovendien opletten dat het uiteindelijk niet uitdraait op veel emotie en weinig solide argumenten. We leven weliswaar in een tijd waar emoties het vaak halen op goed geargumenteerde analyses en oplossingen. We zien dit ook in vele andere dossiers waar mensen zich emotioneel laten overspoelen en daardoor niet meer in staat of zelfs niet meer bereid zijn om nog naar argumenten te luisteren, zeker wanneer die ook andere aspecten van de problematiek belichten of een ander geluid laten horen.

Spijbelen voor het klimaat krijgt vandaag blijkbaar een ruim draagvlak en wordt beschouwd als een positieve evolutie in het bewustwordingsproces bij jongeren. Het is een hoopvol teken dat jongeren opnieuw blijk geven van hun betrokkenheid bij grote maatschappelijke problemen, hetgeen we de laatste decennia inderdaad wel wat misten. De vraag kan echter worden gesteld of de sympathie van de opiniemakers voor de spijbelende jongeren ook zou gelden wanneer deze jongeren op straat zouden komen voor andere thema’s dan het klimaat. Thema’s uit onze microkosmos bijvoorbeeld. Zou men hen met evenveel journalistieke sympathie bejegenen als ze een ander levensthema zouden aansnijden? Wat bijvoorbeeld indien jongeren massaal zouden deelnemen aan de “Mars voor het leven”, een actie tegen abortus, en daarvoor zouden spijbelen? Zouden ze op evenveel media-sympathie kunnen rekenen, of zouden ze daarentegen eerder worden bekritiseerd en gemarginaliseerd? In mei zal ik opnieuw deelnemen aan de “Mars voor het leven” hier in Rome, en het verheugt me telkens zeer vele jongeren te zien in deze manifestatie op een zaterdagnamiddag. Nee, hier in Rome spijbelen ze daarvoor niet op een schooldag, maar ze zijn er wel in hun vrije uren.

Is het niet wat eenzijdig om enerzijds te manifesteren tegen de bedreigingen van onze macrokosmos (het klimaat, de natuur,…), maar anderzijds de bedreigingen van onze microkosmos te negeren? Absolute zelfbeschikking, autonomie en vrijheid brengen ook immers méér en méér het leven zelf in gevaar en vaak dat van de meest kwetsbaren het eerst. En het is goed dat we ook op dat vlak eens wakker worden geschud, ook door jongeren.

Ze roepen ons immers op om een rem te zetten op onze onbeperkte zelfbeschikking, autonomie en vrijheid en ze doen ons beseffen dat niet alles wat we persoonlijk en onmiddellijk wensen ook goed is voor het individu en de samenleving op langere termijn. Ze roepen ons op om meer bewust te gaan leven, een rem te zetten op ons blind individualisme en louter eigenbelang met respect en eerbied voor het eigen leven en lichaam en dat van anderen.

Vandaag lijkt er echter op de eerste plaats méér aandacht te gaan naar de oorzaken die ons klimaat schaden dan naar de specifieke oorzaken die het menselijk leven schaden en die we zelf méér in de hand en onder controle zouden kunnen houden.
Het zou de geloofwaardigheid van de klimaatactivisten ten goede komen en tot eer strekken indien ze even radicaal zouden opkomen voor het klimaat in zijn globaliteit als voor de beschermwaardigheid van ieder leven, ook het ongeboren leven in het bijzonder.

Zou het een goed idee zijn om dit eens voor te leggen aan de schooldirecties die nu het spijbelen voor het klimaat tolereren en zelfs aanmoedigen, en hen te vragen of ze even tolerant en toegevend zouden zijn indien hun leerlingen zouden spijbelen om deel te nemen aan een “Mars voor het leven”? Ik ben alvast nieuwsgierig naar hun antwoord.

Br. René Stockman

april 2019

Moeten we geloven om goede werken te doen?

Onlangs stelde iemand mij de vraag of hij moest geloven om goede werken te doen.  Of  met andere woorden het doen van goede werken het privilege zou zijn van de gelovigen, en meer bepaald de christenen.  Hij verwees natuurlijk onmiddellijk naar de vele ngo’s die vandaag wereldwijd opereren om op zowel acute als meer structurele noden een adequaat antwoord te geven.  En vele van deze ngo’s hebben geen enkele band met enige vorm van religie noch met enige kerkelijke instantie.

We mogen ons verheugen dat er vandaag vanuit diverse hoeken initiatieven worden genomen om noden te lenigen.  We zien tegelijk dat deze filantropische activiteiten op een hoog professioneel niveau worden ontwikkeld en dat ze kunnen rekenen op een goede financiële ondersteuning vanuit de ruimere gemeenschap.  We mogen ons tevens verheugen dat in vele landen de overheden zelf ernstige inspanningen doen om aan zieken, mensen met een beperking en mensen in diverse noodsituaties een goede zorg, begeleiding en opvang te verschaffen.
De geest van solidariteit die aan de basis ligt van deze ontwikkelingen vindt natuurlijk mede haar wortels in de gelovige humus waarop de samenleving is gebouwd.  Dit negeren zou onrecht doen aan de geschiedenis.  Wanneer we bijvoorbeeld kijken naar Europa dan kunnen we niet anders dan bevestigen dat de samenleving er gefundeerd is op een eeuwenlange beschaving die haar wortels vindt in de Griekse, Romeinse en Christelijke cultuur.
Daarmee is gesteld dat vele vormen van filantropie die noch in hun oorsprong noch in hun werking iets te maken hebben met een gelovige traditie en er ook niet uit gegroeid zijn, toch in hun verre wortels banden hebben met de christelijke traditie.  Zonder het christendom en we mogen hier ook andere religies aan toevoegen, zou de solidariteit er anders hebben uitgezien en zou er wellicht heel wat minder solidariteit en ook minder filantropie zijn geweest.  De zorg voor de medemens in nood is nu eenmaal een belangrijk aandachtspunt in alle religies en in het christendom in het bijzonder.

Het doen van goede werken kan dus nooit als volledig neutraal worden beschouwd vanuit het oogpunt van de culturele achtergrond van  waaruit het is gegroeid.  Mensen die zich niet gelovig beschouwen zullen dus onwillekeurig in zich deze culturele achtergrond meedragen, een culturele achtergrond die ook door de religie is gekleurd.  Maar daarmee hoeven we natuurlijk niet te stellen dat het doen van goede werken een gelovige grondhouding veronderstelt.  Het woord “filantropie” immers zelf duidt op hulpverlening die in zich geen religieuze connotatie inhoudt en ook solidariteit kan als een algemene waarde worden beschouwd die ook zonder een gelovige basis bij mensen aanwezig kan zijn.  Maar het zou tegelijk  verkeerd zijn om solidariteit en de daaruit voortvloeiende filantropie volledig los te weken van hun culturele grondvesten.  Het vraagt dus een genuanceerde aanpak.

Wanneer we als gelovigen naar de vele goede werken kijken die vandaag wereldwijd worden verricht, dan kunnen we daarin, vanuit onze gelovige vooringenomenheid, het werk zien van de H. Geest die met zijn gaven en werken ook werkzaam is in het hart van de velen die zich helemaal  niet gelovig of zeker niet bewust gelovig opstellen.  Wij geloven dat de H. Geest zowel gelovigen als niet-gelovigen gebruikt om het goede in de mens te laten geschieden.  Het verschil zit hem vooral in het bewustzijn ervan.  Sommigen zullen bewust goede werken verrichten vanuit een welbepaalde religieuze inspiratie, terwijl anderen dit eerder onbewust doen.  In het Mattheus-evangelie wordt dit haarscherp aangegeven, in de passage waar Jezus het heeft over de oordeelscriteria.  Hij beschrijft er hoe mensen bij het eindoordeel zullen geoordeeld worden over de wijze dat ze goed hebben gedaan aan Hem.  Maar op de opmerking dat ze helemaal niet beseffen dat ze iets voor Hem hebben gedaan, waarmee ze eigenlijk toegeven dat ze helemaal niet de intentie hebben om aan christelijke naastenliefde te doen, antwoordt Jezus: “Alles wat ge gedaan hebt aan één van de geringsten van mijn broeders, hebt ge aan Mij gedaan” (Mt. 25, 40).  Hiermee geeft Jezus aan dat men niet steeds moet beseffen dat men bij het verrichten van een goede daad aan een medemens eigenlijk deze goede daad aan Jezus zelf verricht.  De goede daad zelf brengt ons in de juiste houding opdat Gods liefde doorheen ons zou vloeien en werkzaam en aanwezig zou komen in de goede werken die we naar anderen toe verrichten. En misschien wordt deze goede daad juist de ingangspoort opdat iemand zich meer bewust zou worden dat zijn motivatie eigenlijk diepere gronden heeft, dat hij door iets dieper dan loutere filantropie wordt gedreven om het goede te doen. Dat hij, om het opnieuw vanuit de gelovige invalshoek te benoemen, gedreven wordt door de werking van de Heilige Geest, ook al zal hij dit in eerste instantie niet zo onder woorden weten te brengen.  En dat zal dan ook de reden zijn dat mensen die zich helemaal niet gelovig voelen, toch heel ver kunnen gaan in het helpen van medemensen, tot het met het inzetten van hun eigen leven.  Wat zij als een bijzondere kracht zullen omschrijven, ingegeven vanuit een doorgedreven compassie met medemensen in nood, kunnen wij als gelovigen gerust beschouwen als het werk van de H. Geest in hen.

We komen nu aan de vraag of het bewust beleefde geloof dan nog wel iets extra weet aan te brengen bij het verrichten van goede werken.  Is er met andere woorden nog een verschil tussen wat wij enerzijds filantropie noemen en anderzijds christelijke naastenliefde of caritas?
Wanneer we in filantropie vanuit gelovig standpunt ook een geïnspireerde actie kunnen ontwaren, zonder dat diegene die de daad stelt zich bewust of gewild openstelt voor de werking van de H. Geest, zullen we bij de christelijke naastenliefde of de caritas juist wel deze actieve medewerking zien met de H. Geest, en dit zal dan ook het verschil uitmaken tussen beiden.

Een gelovige doet goede werken vanuit een duidelijk bewustzijn dat hij gedreven wordt door de goddelijke liefde, en wil deze liefde zichtbaar en tastbaar maken in zijn concrete handelingen.  Zijn helpen vloeit voort uit de liefde, terwijl bij de filantropie het helpen als dusdanig voorop staat en de liefde eerder op de achtergrond aanwezig is.  Ook bij filantropie kan liefde aanwezig zijn, zoals reeds aangegeven, maar bij caritas is de liefde heel bewust de basis, de grondhouding, de motivatie, met een liefde die haar inspiratie vindt in de goddelijke liefde.  Dit maakt dat de uitgangspunten bij filantropie en caritas verschillend zijn.  Bij filantropie is de hulpvraag de eerste en uiteindelijke motivatie, bij caritas is dat de liefde voor de concrete persoon en zal men vanuit en met deze liefde gevoelig worden voor de hulpvraag en op die hulpvraag een antwoord proberen te geven.
Dat maakt dat de gelovige ook kracht put uit deze goddelijke liefde om zijn goede werken te verrichten.  Hij haalt juist daaruit de inspiratie om goede werken te doen en zijn acties zullen door de liefde gekleurd worden.  Terwijl men bij filantropie zijn kracht moeten zoeken en vinden vanuit menselijke motivatie, die zoals opnieuw reeds aangegeven onbewust door de werking van de H. Geest kan worden aangewakkerd, zal dit bij caritas heel bewust gebeuren, en zal de eigenlijke motivatie van elders komen, een goddelijke kracht, die we Gods genade noemen.  Dat is een enorm surplus dat bij de filantropie afwezig is.  Om deze reden zal bij een goed werk bewust geïnspireerd door de goddelijke liefde een andere grondhouding zichtbaar en voelbaar zijn.  Het is de liefde die de ganse handeling zal kleuren.  Vanuit deze liefdevolle grondhouding zal men een diep medelijden ontwikkelen naar diegene die in nood is en dan zoeken hoe men hem het best kan helpen.  Medelijden of compassie wordt dan het hart van de caritas: het is openkomen voor het lijden van de medemens en vanuit een empathische houding als het ware in dit lijden treden,  meevoelen wat de andere lijdt.  Het wordt echt “mede”-lijden.

In filantropie zal men sterk de nadruk leggen op een professionele hulpverlening.  Ook bij caritas is dat essentieel, en zal de professionaliteit vloeien uit dat diepe medelijden en de behoefte diegene in nood zo goed als mogelijk te helpen, dus op een deskundige wijze.  Het is een verkeerde stelling dat er in caritas geen deskundigheid zou aanwezig zijn of dat dit slechts op de tweede plaats zou komen.  Er is helemaal geen tegenspraak tussen caritas en deskundigheid, wel integendeel.  Een correct beleefde caritas zal de weg voor een deskundige hulpverlening juist openen.  De deskundigheid kan gezien worden als een logische vertaling van de caritas, een normaal uitvloeisel van de caritas.  De caritas in zijn totaliteit wordt dan een beweging van liefde, medelijden en concrete inzet vanuit een heel eigen professionaliteit.  Wanneer de liefde de grondhouding is die vanuit het algemeen liefdesgebod wordt gestimuleerd, en het medelijden er het subjectieve-affectieve antwoord op is, zal de concrete deskundige inzet er het effectieve antwoord op zijn. We kunnen hier spreken over een affectieve liefde die zich vertaalt in een effectieve liefde.  En deze inzet om de andere effectief te helpen, zal steeds op een deskundige wijze moeten gebeuren.  Wanneer de deskundigheid van de liefde en het medelijden wordt afgesneden, zal deze verschralen in pure techniciteit.  Men zal de andere nog wel technisch goed omkaderen, maar de warmte van het hart zal er ontbreken.  Bij caritas is het juist de warmte van het hart die kleur geeft aan de zorg en de inzet voor de andere in nood, ook in de wijze dat deze professioneel wordt benaderd.  Wanneer caritas zou eindigen zonder deskundigheid, zouden we van een geamputeerde caritas kunnen spreken.  En wanneer deskundigheid niet gebeurt vanuit een liefdevolle grondhouding, dan blijft er alleen nog koude techniciteit over.  Terecht heeft Paus Benedictus in zijn encycliek “Deus caritas est” de klemtoon gelegd op deze vorming van het hart, wat een bijzondere kleur, noem het de warmte zal geven aan de deskundigheid.  “Daarom hebben deze naast en bij de professionele vorming bovenal de vorming van het hart nodig.  Ze moeten worden gebracht tot de ontmoeting met God in Christus, die de liefde in hen wekt en hun hart voor de naaste opent, zodat naastenliefde voor hen niet meer om zo te zeggen een van buitenaf opgelegd gebod is, maar het gevolg van hun geloof, dat zich uit in de liefde” (nr. 31 in “Deus caritas est”).

Caritas onderscheidt zich ook van filantropie door de bewuste ontmoeting met Jezus.  Caritas nodigt uit om in diegene die men helpt Jezus zelf te zien, te ontmoeten en te beminnen.  We verwijzen hier terug naar het Mattheus-evangelie waar Jezus uitdrukkelijk aangeeft dat alles wat men doet voor de medemens in feite aan Hem zelf is gedaan.  Dat klinkt vandaag in een geseculariseerde omgeving wellicht moeilijk en zal ook moeilijk kunnen worden overgedragen in onze pastoraal en catechese.  Maar toch blijft dit een zeer essentiële eigenschap van de caritas die niet te ontkennen noch te ontkrachten is.  De heilige Vincentius a Paulo heeft dit zeer goed begrepen en beschouwde de medemens, de arme als de icoon van Christus.  De filosoof Emmanuel Levinas, zelf een jood,  zag in het gelaat van de medemens  het beeld en de gelijkenis met God dat we zelf in ons dragen.  Daarom kunnen we niet anders dan iedere andere die op onze weg passeert als medemens respecteren en liefhebben.  We hebben geen andere keuze vanuit onze medemenselijkheid en onze band die we hebben als kinderen van dezelfde Vader.  Ieder menselijk gelaat vertoont dus goddelijke trekken.  En niemand meer dan Jezus Christus heeft deze goddelijke trekken als mens in zich gedragen.  Zo kunnen we als christen begrijpen dat we Jezus blijvend kunnen zien, ontmoeten en beminnen in iedere medemens, omdat hij dezelfde goddelijke trekken als Jezus in zich draagt.  Hier rijst ook de hele theologie van Johannes op die de liefde tot de naaste op hetzelfde niveau plaatst als de liefde tot God, en de naaste als de plaatsvervanger van God beschouwt.  “Wij hebben lief, omdat Hij ons het eerst heeft liefgehad.  Maar als iemand zegt dat hij God liefheeft, terwijl hij zijn broeder haat, is hij een leugenaar.  Want als hij zijn broeder die hij ziet niet liefheeft, kan hij God niet liefhebben die hij nooit heeft gezien.  Dit gebod hebben wij dan ook van Hem gekregen: wie God liefheeft moet ook zijn broeder liefhebben” (1 Joh. 4, 19-21).  We moeten met andere woorden God op een plaatsvervangende wijze liefhebben in onze liefde voor de medemens.

We moeten niet geloven om goede werken te doen.  Dat werd hopelijk ondertussen meer duidelijk.  Maar als we geloven kunnen we aan onze goede werken een extra diepgang geven die we niet zullen vinden in de filantropie, of althans niet zo uitgesproken.  En dan gaat het juist over de liefdevolle grondhouding van waaruit de goede werken worden verricht, de ontmoeting met Jezus in de persoon die we helpen en de bijzondere kleur die aan de deskundigheid wordt gegeven vanuit de warmte van ons hart.

Br. René Stockman

maart 2019

Euthanasie bij ondraaglijk psychisch lijden:
een reflectie.

In een interview met het tijdschrift Tertio, gepubliceerd op 31 oktober 2018, gaat Prof. dr. Dominique Jacquemin – priester, verpleegkundige en jarenlang ziekenhuisaalmoezenier en nadien docent aan de Faculteit Geneeskunde, hoogleraar Theologische ethiek aan de Université Catholique de Louvain (UCL) en verantwoordelijk voor de opleiding Palliatieve zorg –   in op de vraag of hij euthanasie bij ondraaglijk psychisch lijden verantwoord vindt.  Hij geeft hier m.i. een zeer diepgaand antwoord dat ons uitnodigt om nog maar eens te reflecteren op dit zeer controversiële thema.  De vraagsteller zelf noemt het een “heikel” thema, wat we volledig kunnen onderschrijven.

Ik citeer het antwoord om er daarna enige kanttekeningen bij te plaatsen.

Ik heb het enorm moeilijk met die druk, zeker als dat gebeurt in naam van de vrijheid van het  individu. Is iemand die drager is van een zware psychiatrische pathologie echt wel het individu dat hij is wanneer hij zegt dat zijn  leven geen zin meer heeft?  Als  je euthanasie in dat soort situaties toelaat, duiken conceptueel enorm veel moeilijkheden op die grote gevolgen hebben.  In zekere zin bekrachtig je de therapeutische impasse, veeleer dan te antwoorden op de levensvragen.  Grote psychiatrische problemen zijn niet om te lachen, maar sluit je patiënten dan niet op in de eigen voorstelling van hun gevoelens van onbehagen?  Zo dood je ze al symbolisch voordat je ze doodt.  Maar ook het klinisch probleem is aanzienlijk: hoe evalueren we de voortdurende en onomkeerbare dimensie van iemands psychische lijden?  Daar bestaat geen consensus over.  En eens we euthanasie bij  psychisch lijden gegeneraliseerd hebben, wat betekent dat dan voor andere categorieën?  Welke boodschap geven we over mensen die hun vrije wil niet meer kenbaar kunnen maken?  Wat doen we met hen?  Een antwoord op die vragen heb ik niet echt.  In de ene welbepaalde situatie evalueer je een beslissing anders dan in een andere.  Maar de grote moeilijkheid is wel dat men ondertussen een sociale voorstelling opbouwt”.

De wet van  2002 over de patiëntenrechten heeft de autonomie van de patiënt geformaliseerd.  Dat is op zich natuurlijk niet af te keuren, en het is goed dat de patiënt een grotere mondigheid en inspraak heeft gekregen in de ziekte waarmee hij of zij geconfronteerd wordt en de therapie die daarvoor wordt aangeboden.  Tot voorheen was de geneeskunde nogal ingebed in een paternalistisch keurslijf en was de inspraak van de patiënt quasi nihil.

Maar nu lijkt de slinger wel sterk over te slaan naar de andere richting, en wordt geclaimd dat de patiënt over een absolute autonomie beschikt die zich dan vertaalt in een even absolute zelfbeschikking, waarmee voortdurend wordt geschermd wanneer men het onder andere heeft over euthanasie.  Alle andere waarden – en de waarde bij uitstek, de enige die het predicaat “absoluut” kan en mag opeisen nl. de eerbied voor het leven – moeten daarvoor wijken en worden daaraan ondergeschikt.  Het wordt vandaag moeilijk, ja, quasi onmogelijk om die verabsolutering van de zelfbeschikking nog in vraag te stellen.

Het hele discours over de zelfbeschikking krijgt echter een ander accent in het geval van zwaar psychisch lijden.  Jacquemin zegt het heel terecht: “Is iemand die drager is van een zware psychiatrische pathologie echt wel het individu dat hij is wanneer hij zegt dat zijn leven geen zin meer heeft?”  De zelfbeschikking – zelfs indien men zou beweren dat deze absoluut zou kunnen zijn-  verliest zeker aan draagkracht bij zwaar psychisch lijden, omdat juist de mogelijkheid om correct te oordelen over situaties, ook over zichzelf, sterk beperkt, vervormd, belemmerd tot zelfs afwezig is.  Het argument van de zogenaamde absolute zelfbeschikking geldt dus niet of slechts in heel beperkte mate bij zwaar psychisch lijden.  Het is dan ook totaal onterecht en volledig onlogisch, zoals we vandaag in sommige documenten kunnen lezen, dat men ook bij zwaar psychisch lijden de zorgrelatie en de autonomie van de patiënt gewoon op dezelfde hoogte plaatst, als waarden die tegenover mekaar moeten afgewogen worden.  Hier kunnen we niet anders dan stellen dat de zorg hier opgeofferd wordt op het altaar van de  ideologie  van  de autonomie, de vrijheid en de zelfbeschikking en dat de zorg zich daarmee compromitteert en laat degraderen tot een speelbal van een  uit de hand gelopen ideologie.

Jacquemin spreekt eveneens over een therapeutische impasse waarin men verzeild geraakt wanneer men bij zwaar psychisch lijden de weg naar euthanasie opent.   Wanneer  we zouden kunnen stellen dat bij een somatische aandoening de  “medisch uitzichtloze toestand  van aanhoudend en ondraaglijk fysiek lijden dat niet gelenigd kan worden “ nog min of meer te verifiëren is, is dit helemaal anders bij psychisch lijden.  Over het voortdurend en onomkeerbare van iemands psychisch lijden bestaat immers geenszins een consensus.  Specialisten geven terecht aan dat binnen de psychiatrische zorgpraktijk soms onvoorspelbare en totaal onverwachte veranderingen in de ziektetoestand van de patiënt kunnen optreden,  die nieuwe perspectieven binnen de behandeling openen.  Het is dan ook uiterst moeilijk en delicaat om als zorgverlener hier zelf op een totaal subjectieve wijze de criteria te bepalen op basis waarvan men zou kunnen concluderen dat het psychisch lijden onomkeerbaar is en de patiënt is uitbehandeld.  Wanneer men als zorgverlener formeel verklaart dat iemand uitbehandeld is, sluit men, zoals Jacquemin zo gevat formuleert, “patiënten op in de eigen voorstelling van hun gevoelens van onbehagen”.  Ze  worden  als het ware bevestigd in het negatieve van hun ziektebeeld in plaats dat ze geholpen worden om eruit los te komen of tot een aanvaarding te komen van hun situatie.

Een derde element dat Jacquemin terecht aangeeft is de boodschap die men geeft naar andere groepen, de tekenwaarde en de  consequentie die het uitvoeren van euthanasie bij zwaar psychisch lijden heeft of kan hebben op andere personen die hun vrije wil niet meer kenbaar kunnen  maken.  Hier wordt opnieuw een deur geopend en op een kier gezet: een nieuwe doos van Pandora wordt geopend. Wanneer men moet vaststellen  dat bij psychiatrische patiënten die door hun ziektetoestand getroffen zijn in hun wilsbekwaamheid, toch wordt ingegaan op de vraag naar euthanasie, kunnen we ons vragen stellen hoe men zal reageren t.a.v. hen die omwille van handicap, zware dementie of andere ziekte eveneens getroffen zijn in hun wilsbekwaamheid.   Vandaag wordt de discussie gevoerd in welke mate men al dan niet rekening  kan houden met een wilsverklaring, genomen in een nog luciede periode, bij gevallen van zware dementie, waarbij niet  meer kan worden nagegaan of de wens naar euthanasie nog effectief aanwezig is.  Het wordt een kleine stap om de eindbeslissing uitsluitend in  handen  te leggen van derden, waar reeds lang om gevreesd wordt als we de verschuiving zien die zich binnen de euthanasiepraktijk voordoet.   In Nederland  wordt nu gediscussieerd of het moreel correct is op voorhand een slaapmiddel toe te dienen  bij uitvoering van euthanasie bij een  persoon met dementie.  Hierbij wordt immers iedere mogelijkheid uitgesloten om voor het inbrengen van de injectie de finale vraag nog te kunnen stellen  of de persoon in kwestie al dan niet akkoord gaat met de levensbeëindiging.

Iemand zei me ooit dat wanneer we beginnen “prutsen” aan het leven, we dan voor onvoorspelbare dillema’s komen te staan.  We lijken in deze situatie te zijn beland. Ethici wringen zich in allerlei bochten om zogenaamd ethisch verantwoorde oplossingen aan te reiken.  In welke mate zijn deze niet bezig om eigenlijk voorbij te gaan aan de basisfundamenten waarop hun ethische reflectie moet worden gebouwd en deze fundamenten bovendien  naar hun hand te zetten om zo te kunnen voldoen aan de maatschappelijke verwachting.  Is dat de taak van een ethicus, of heeft deze niet eerst en vooral de opdracht om mensen steeds opnieuw te wijzen op waar het fundamenteel over gaat in het leven: het ware leven, gebaseerd op een duidelijk mensbeeld, en niet een leven dat men zomaar kan gaan manipuleren. Velen echter omzeilen gewoonweg deze dillema’s en doen de ogen beaat dicht, en sluiten zich letterlijk op in de ideologie van de absolute zelfbeschikking, en indien deze ideologie het laat afweten – wat eigenlijk gebeurt bij patiënten met een sterk verminderende wilsbekwaamheid – gebruikt men een emotioneel discours  en gaat men zich beroepen op de barmhartigheid waarbij euthanasie dan geïnterpreteerd wordt als een verlossingsdaad bij uitstek uit een onmenselijk lijden.  Indien men tegen een dergelijke nefaste relativistische mentaliteit reageert -om op de eerste plaats de meest kwetsbaren in onze samenleving te beschermen-  wordt men als paternalistisch en onbarmhartig beschouwd  en  het zwijgen opgelegd.  Ondertussen breiden de dillema’s zich uit en worden steeds meer compromissen gesloten om toch maar niet tegen het relativisme, waaraan onze huidige maatschappij lijdt,  hoeven in te gaan. Het is méér dan ooit urgent dat onze cultuur van de dood terug een cultuur van het leven wordt. Alleen zo worden mens en samenleving echt gediend.

Br. René Stockman

januari 2019

Valkuilen en contradicties rond euthanasie

De hele problematiek rond euthanasie is een gelegenheid om eens kritisch enkele valkuilen en contradicties te benoemen die men ontmoet maar waarvoor velen bewust of onbewust de ogen sluiten. Wellicht bij velen onbewust, omdat men er gewoon niet bij stilstaat. Men laat zich zo gemakkelijk meesleuren door wat de massa denkt en zegt en ieder argument wordt door een emotionele reactie ontkracht. Vandaag denken velen niet meer vanuit argumenten, maar meer en meer en bijna uitsluitend vanuit emoties. Maar wellicht ook bij velen bewust, omdat men het niet aandurft tegen een maatschappelijke stroom in te varen. Tegen een stroom in varen is inderdaad lastig en meestal een zeer eenzame tocht. In sommige gevallen zelfs een gevaarlijke onderneming met onverwachte hinderlagen die kunnen opduiken. Sommigen zullen deze valkuilen en contradicties echter gewoon negeren, bestrijden en ze als contraproductief of zelfs pervers omschrijven, omdat ze overtuigd zijn dat tegen het uitvoeren van euthanasie geen enkele oppositie meer kan worden getolereerd. Het is tot een verworven mensenrecht uitgegroeid waarbij men van oordeel is dat de mensheid echt wordt gediend en bevrijd is geworden van iedere beperking op het zo geroemde zelfbeschikkingsrecht. Het recht op euthanasie kan volgens deze strekking niet anders worden gezien dan een nieuwe verworvenheid in een voortschrijdende beschaving.

Nochtans zijn er in deze laatste visie een aantal valkuilen en contradicties die onmiddellijk opvallen en die niemand kan ontkennen, alleen maar negeren of ridiculiseren.

Vooreerst zijn er de zogenaamde absolute autonomie, vrijheid en zelfbeschikking die verheven zijn boven alle andere menselijke waarden. Daaraan mag geenszins meer worden geraakt. Neen, we zijn niet tegen autonomie, vrijheid en zelfbeschikking, en in de geschiedenis zijn er echt bevrijdende momenten geweest waardoor de mens aan autonomie, vrijheid en zelfbeschikking heeft gewonnen. Daar kan niemand tegen zijn, dat kan niemand ontkennen en daar kunnen we alleen maar verheugd om zijn. We maken hier geen filosofische noch theologische beschouwingen, waarbij we ons kunnen afvragen of de mens zichzelf volledig kan losmaken van de medemens en zijn omgeving en zich daarom als een absoluut autonoom en vrij individu kan kwalificeren. We kijken gewoon naar het ogenblik waarop iemand in een bepaalde situatie besluit om euthanasie te vragen. Is de betrokken persoon nog volledig autonoom en vrij, in de veronderstelling dat hij of zij het voordien was, en kan hij of zij gebruik maken van de absolute zelfbeschikking, wanneer niet meer de vrije wil, maar de pijn en het lijden regeren en de mens als het ware in de greep hebben en dan ook sterk het beslissingsvermogen gaan bepalen? Zou deze mens hetzelfde besluit nemen indien de pijn en het lijden er niet waren, of indien er goede alternatieven zouden worden aangeboden waardoor deze pijn en dat lijden gemilderd kunnen worden? De huidige wet voorziet dat het de geneesheer is die moet bepalen of aan de voorwaarden om euthanasie uit te voeren is voldaan. Hij moet bepalen of het lijden inderdaad uitzichtloos en onomkeerbaar is en dat de zieke uitbehandeld is. Dus ook op dat vlak moet de persoon in kwestie zijn autonomie afgeven aan een derde die zal bepalen of euthanasie al dan niet kan worden uitgevoerd. En tenslotte zal de euthanasie eveneens door een derde worden uitgevoerd, wat ook een als een afbreuk kan worden beschouwd van de zo geroemde absolute autonomie en zelfbeschikking. Dus bij euthanasie zijn de absolute autonomie, vrijheid en zelfbeschikking eerder een mythe geworden, ondergeschikt geworden aan elementen in de persoon zelf en afgegeven aan derden die deze autonomie, vrijheid en zelfbeschikking gedeeltelijk of zelfs geheel overnemen.

Daarnaast kunnen we iets zeggen over het woordgebruik, en meer bepaald over de term “menswaardige dood”, zoals euthanasie vandaag wordt genoemd. Dit eufemistisch woordgebruik is heden ten dage volledig ingeburgerd en is erin geslaagd een op zich mensonwaardige daad helemaal om te buigen tot een hoogst menswaardige daad. Het zou hier niet meer gaan om het doden van een andere persoon, maar wel om het bevrijden van iemand uit een zogenaamde mensonwaardige levenssituatie. De act, een einde maken aan het leven, wordt hier toegedekt door de intentie: een eind stellen aan de pijn en het lijden dat dit leven met zich meebrengt. Men zou de menswaardigheid van het leven verhogen, door het leven af te nemen. Is er een grotere contradictie mogelijk? Wat men in feite zou willen verhogen en verbeteren, wordt volledig vernietigd en tot een definitief einde gebracht. Dit wordt nog versterkt door het feit dat men vandaag menswaardigheid heel gemakkelijk koppelt aan de kwaliteit van het leven. Menswaardigheid heeft in deze visie met kwaliteit van leven te maken, terwijl bij euthanasie het leven zelf wordt afgenomen, en men dus helemaal niet meer kan spreken van levenskwaliteit. Ondertussen weten we ook dat het een valkuil is om de menselijke waardigheid te verengen tot de kwaliteit dat het leven heeft. Ieder mens, ongeacht de zogenaamde kwaliteit van zijn leven, beschikt over een waardigheid die intrinsiek en ontologisch is, dus eigen aan zijn menselijke natuur, waardoor niemand of niets deze waardigheid kan afnemen.

Recente studies, o.a. van Fabian Stahle uit Zweden, spreken over een morele ontkoppeling die ontstaat bij het uitvoeren van euthanasie, zowel op het persoonlijke als op het professionele vlak. In de psychologie wordt dit een cognitieve herstructurering genoemd, waarbij normale mensen zover kunnen worden gebracht dat ze intrinsiek verkeerde handelingen uitvoeren maar deze als neutraal of zelfs als goed gaan beschouwen. Sommigen zullen hier spreken van een zekere afstomping van het geweten wanneer men bepaalde handelingen, die slecht zijn, als een routine gaat stellen in een omgeving die beweert dat deze handelingen helemaal niet slecht zijn en nu eenmaal tot het systeem behoren. In concentratiekampen voerden bewakers en beulen quasi onbewogen de meest onmenselijke handelingen uit omdat deze hen door hun oversten werden opgedragen en omdat er een hele omgeving was gecreëerd waarbij deze handelingen als normaal werden beschouwd tegenover medemensen die als minderwaardig werden omschreven. In zijn studie verwijst Stahle naar mechanismen die deze morele ontkoppeling in de hand kunnen werken: morele rechtvaardiging (het doel wettigt de middelen), het gebruik van een eufemistische woordkeuze (reeds aangehaald in ons vorig punt) en verontschuldigende of verzachtende vergelijkingen waarin kwaadaardige handelingen worden gehuld in een schijn van welwillendheid, door ze op een onjuiste wijze te toetsen aan normen die gelden voor andere situaties. Ik denk dat deze theorie inderdaad heel toepasselijk is op diegenen die vandaag euthanasie uitvoeren en dit bijna als een routinehandeling gaan beschouwen. Ze zien het als een bevrijding uit een mensonwaardig lijden, ze spreken heel spontaan over de zachte of menswaardige dood, het liefst gekaderd in een sfeer met zachte muziek en een glaasje champagne bij het afscheid nemen van de geliefde, en beschouwen uiteindelijk het toebrengen van een dodelijke injectie als een deel van hun therapeutisch handelen. Het is alsof de therapie ermee wordt afgesloten. Vooral de routine, de gewenning, zal hier een grote rol spelen. Wellicht zal bij iedere arts de uitvoering van een eerste euthanasie een psychologische shock teweegbrengen, maar in een omgeving die euthanasie als heel gewoon gaat beschouwen, zal bij voldoende herhaling ook bij de arts de psychologische weerstand vervagen, tot het een gewone routine-handeling is geworden. In een aantal Nederlandse uitzendingen, waarbij een euthanasie life werd opgenomen, zien we hoe diegene die de euthanasie uitvoerde, daarna gewoon verder overgaat tot de andere dagelijkse werkzaamheden. De morele ontkoppeling lijkt hier volledig. Euthanasie is bovendien geen medische handeling en is volledig in strijd met wat geneeskunde behoort te zijn. Is nog een grotere contradictie mogelijk?

We moeten ons de vraag stellen hoe het komt dat een handeling als euthanasie op relatief korte tijd binnen onze samenleving als iets ‘dood-gewoons’ wordt beschouwd. Eerst vindt men dat euthanasie moet mogelijk zijn in een aantal uitzonderlijke gevallen, en dus best niet meer strafbaar wordt gesteld, om daarna over te gaan tot een ruimere goedkeuring waarbij thans zelfs gestreefd wordt naar de erkenning van euthanasie als een patiëntenrecht. We zien dat steeds dezelfde strategie wordt gebruikt om zeer delicate en betwistbare handelingen maatschappelijk aanvaardbaar te maken. Vooreerst tracht men de publieke opinie te beïnvloeden via een mediagenieke manipulatie van een aantal extreme casussen en wordt de focus totaal gericht op het onmenselijke van het lijden. Daardoor probeert men bij het grote publiek verontwaardiging op te roepen en een gevoel van compassie te creëren. Tegelijk benadrukt men dat iedere daad die deze mens uit zijn uitzonderlijk lijden zou kunnen verlossen, m.n. via euthanasie, nog steeds als een misdrijf wordt bestraft. Er ontstaat in de geest van het publiek dus een innerlijke strijd, noem het een verwarring: verontwaardiging, compassie en tegelijk afkeer om een handeling die deze situatie zou kunnen verhelpen nog verder als een misdrijf te beschouwen. Dezelfde strategie is overigens ook gebruikt om abortus te depenaliseren. Eigenlijk worden deze extreme casussen misbruikt om iets heel uitzonderlijks te veralgemenen. Daardoor wordt de deur op een kier wordt gezet, en onderzoek heeft uitgewezen dat wanneer men eenmaal 10 % van een populatie van iets overtuigd heeft, de rest heel gemakkelijk volgt. Dikwijls worden ook nog valse statistieken gebruikt om te beweren dat zogenaamde wetenschappelijke steekproeven hebben uitgewezen dat een meerderheid van de bevolking gewonnen is voor het depenaliseren van euthanasie. De misleiding van het publiek is zo gerealiseerd. Wie zou het dan nog aandurven om er een andere mening op na te houden en tegen deze zogenaamde meerderheid in te gaan. We kunnen ook hier echt van een valkuil spreken.

Ik wil nog een laatste contradictie vermelden die opduikt bij het ganse proces van depenalisatie en legalisatie van euthanasie. Dikwijls hoort men de opmerking dat het beter is iets te legaliseren dan het clandestien te gedogen. Dus de stelling luidt hier dat wanneer iets clandestien wordt uitgevoerd dit uiteindelijk ook een wettelijk kader verdient. Echter, niemand zal eraan denken en aanvaarden dat stelen, dat toch wel een clandestiene daad bij uitstek is, omdat het nu eenmaal clandestien gebeurt en daarom best uit de clandestiniteit wordt gehaald, ook gelegaliseerd moet worden. Ik zou de maatschappelijke verontwaardiging die dit zou oproepen begrijpen, en terecht. Maar dezelfde verontwaardiging blijft uit wanneer het gaat over het doden van een medemens. Is doden van een medemens niet veel erger dan stelen? Een daad onder bepaalde voorwaarden depenaliseren en achteraf zelfs legaliseren moet toch steeds te maken hebben met het creëren van een betere en meer veilige samenleving voor haar burgers. Dat zou toch de eerste bekommernis van de wetgever dienen te zijn: zorgen dat via wetten een veilige omgeving wordt gecreëerd. En we weten dat veiligheid vandaag een heel actueel en gevoelig thema is. Wordt onze maatschappelijke omgeving nu echt veiliger en beter met een deur die steeds verder opengaat richting euthanasie, met recent nog het pleidooi om ook aan dementerenden die niet meer in staat zijn hun mening te uiten, hun vroegere wens voor euthanasie in te willigen? Beseffen we voldoende dat door het openen van de doos van Pandora m.b.t. zeer delicate handelingen zoals euthanasie we thans bijna bijna volledig van het hellend vlak zijn gegleden naar een angstaanjagende en onheilspellende toekomst, vooral voor de allerzwaksten in onze samenleving? We hebben voor deze nefaste evoluties in onze samenleving reeds jarenlang ernstig en publiek gewaarschuwd.

Valkuilen en contradicties genoeg om eens ernstig na te denken hoe we als samenleving aan het evolueren zijn, waarbij het depenaliseren en legaliseren van abortus en euthanasie toch wel tot echte symbolen zijn uitgegroeid van een maatschappij die steeds meer de nadruk legt op het utilitarisme, het individualisme en het hedonisme. De vraag is hoever men zal en kan gaan tot we tot een maatschappij komen of ernaar terugkeren waar finaal alleen nog het recht van de sterkste zal primeren.

Bibliografie

  • Montefusco, Cecilia, Eutanasia, chimera di libertà, certezza di morte. San Giorgio Jonico, Edizione Servi della Sofferenza, 2011, pp. 190.
  • Raymakers, Dr. Janthony, Moral disengagement – mechanismen die de euthanasiebeweging voortdrijven. Acta Medica Catholica, vol. 87, 2018, p. 70 – 73.

Br. René Stockman